Wolven

Henk nam zijn oude moeder mee naar het Rotterdamse Maasstad Ziekenhuis.

„Ik ben toch niet ziek?”, vroeg de oude vrouw.

„Nee”, zei Henk, „maar we gaan even op bezoek”.

„Bij wie dan?”, vroeg het oudje.

„Bij meneer de Vries”, zei Henk.

„Maar ik ken geen De Vries”, schreeuwde de moeder inmiddels in de hal van het ziekenhuis.

„Ze is een beetje in de war”, lachte de zoon naar de nieuwsgierige omstanders en hij raadde zijn moeder aan om alles goed aan te raken.

„Ik wil gewoon naar huis!”, krijste het oudje, „naar huis, naar huis en nog eens naar huis!”

„Dit is een humane missie. Er zijn veel mensen die nooit of te nimmer visite krijgen en die gaan wij blij maken mama.”

Opeens zag Henk Paul Smits door de gang schieten.

Paul was de directeur van dit ziekenhuis.

Hij herkende hem onmiddellijk uit de krant.

Paul droeg een zware koffer.

Een hele zware koffer.

„Mag ik u wat vragen?” Henk stond pal voor de overduidelijk haastige directeur.

„Weet u waar de afdeling Intensive Care is?”

„Geen idee”, hijgde Paul, „daarbij werk ik hier niet meer. Misschien kunt mij even helpen met het sjouwen van deze koffer. Volgens Adje Scheepbouwer was deze koffer niet zwaar, maar die is dit soort bonuskoffers gewend.”

„Kon het geld niet gegireerd?”, vroeg Henk.

„Gezien de huidige situatie van de banken leek het me beter als ik het contant kreeg. Als u mijn koffer sjouwt wijs ik u de weg naar de IC!”

„Neemt u dan mijn moeder bij de arm?”, grijnsde Henk, die meteen even vroeg hoe besmettelijk het bacterietje was.

„Geen idee”, sprak Paul, „tot twee dagen geleden wist ik niet eens dat we last van dat beestje hadden. Ik ben aangenomen om het ziekenhuis meer werk te bezorgen. Meer patiënten en meer behandelingen. En we zaten lekker in de lift. Er werd goed doorgestuurd. Iemand die voor een gipsen poot kwam eindigde kotsend op de afdeling Interne. Dus…”

„Mag ik mijn moeder zomaar even langs een paar patiënten sturen? Dat ze ze sterkte wenst en even een klein kusje geeft? Moeder doet graag goed.”

„Op de IC is geen bezoekregeling. Alleen bij stervenden is bezoek toegestaan. En het is nogal druk de laatste tijd.”

„Maar kunt u voor moeder geen uitzondering maken? Ze heeft veel pech de laatste tijd. Ben nog met haar op werkbezoek naar Duitsland geweest, maar die EHEC-bacterie hapte niet toe.”

„U moet hier naar links, aan het eind van de gang de lift in, dan naar de drie en daar is het.”

„Doet u voorzichtig met tillen?”, lachte Henk, „straks gaat u nog door uw rug en moet u naar een ziekenhuis? Dan gaat u zeker hierheen? Plek zat. Het heeft al de bijnaam InHolland. En wat wilt u na uw dood? Gewoon begraven? Dom gecremeerd? Of laat u zich milieuvriendelijk cryomeren? Resomeren kan ook!”

„Geen idee”, zweette Paul, „eerst deze koffer thuis zien te krijgen. Houdt u wel uw moeder in de gaten? Straks stapt ze in de verkeerde lift en komt ze op Geriatrie.”

„Daar is ze al geweest”, zei Henk, „maar daar is ze weggestuurd. Ze was nog helemaal goed. Ondanks het feit dat ze vertelde dat er 2,3 miljard jaar twee manen op elkaar gelazerd zijn en dat je met een winkelmandje aan je arm meer snoep koopt dan wanneer je een winkelwagentje voortduwt.”

„En niet ziek geworden?”, trilde Paul, „geen longontsteking of rare wondinfectie? Daar begint het namelijk mee! U wilt van uw moeder af hè? Grote erfenis zeker? Vuile geldwolf!”

„Wat zegt u?”, vroeg Henk.

„Vuile geldwolf”, antwoordde Paul iets duidelijker.

Waarop de moeder zei: „Ik ben zo blij dat ik doof ben!”

Volg nrc.nl op en , lees onze dagelijkse nieuwsbrief