*

Kopvoddentaxi :: nrc.nl

Kopvoddentaxi

Het is druk in de bar. Druk en gezellig. Op de hoek zit een dronken piloot te pochen over vroeger. Zijn vluchtjes boven zee. Politieke tegenstanders werden zonder pardon en parachute vanuit zijn vliegtuig de zee in geflikkerd. Maar wel verdoofd. Dat was dan wel weer aardig.

Zijn collega’s zitten met open mond naar hem te luisteren. Een aangeschoten stewardess zegt dat het verhaal niet nieuw is. Dit vertelt hij al jaren. Iedereen binnen de luchtvaartmaatschappij weet het. Of ze hem niet moet aangeven?

„Ik ben geen dwaze moeder”, zegt ze lodderig en doet voor de grap een servet om haar hoofd. Het gezelschap lacht en de piloot steekt zijn duim op. Dit is wel heel ad rem en geestig.

Of die kopvodden van dat geblondeerde hoofd kan? Het rechtse Kamerlid aan de andere kant van de bar schreeuwt het iets te hard naar de stewardess.

Hij herhaalt het woordje kopvodden nog zeker drie keer, waarna het gezelschap zegt dat ze hem herkend hebben.

„Daarom applaudisseren jullie passagiers altijd na de landing. Blij dat ze veilig op de grond zijn!” brult hij door de bar. Het rechtse Kamerlid moet er zelf erg om lachen.

Hij maakt ze ook nog uit voor vliegtuig en legt de woordspeling uit aan de barkeeper. Deze wil hem overigens niet meer schenken. Ten eerste is het de hoogste tijd en daarbij zit het rechtse Kamerlid overvol.

„Ik bepaal zelf wel hoe laat het is en of ik vol zit weet jij niet. Nederland is vol, ik niet!” Hij wendt zich tot de man naast hem in wie hij een succesvolle zanger herkent.

„U bent toch van Dromen zijn bedrog, Vandaag is rood en Ik ben binnen?” Het rechtse Kamerlid moet hard lachen omdat hij weet dat de zanger financieel in zwaar weer zit. Het zijn inderdaad opmerkelijke titels van zijn hitjes.

Hij biedt de zanger een drankje aan, maar de barkeeper zegt dat hij gaat sluiten. De laatste ronde is geweest.

Het rechtse Kamerlid zegt dat de barkeeper zijn muil moet houden en meldt ook nog dat als hij niet tapt dat hij dat dan zelf zal komen doen.

„Ik ben gespecialiseerd in kopstoten.” Hij is de enige die lacht en brult naar de piloot of hij na zijn pensioen niet een vluchtje boven de Noordzee wil maken.

„Ik heb een leuk lijstje passagiers voor je: Femke, Hamertje, Agnes van Kant! Kunnen zo onverdoofd naar de bodem!” De piloot lacht, net als de rest van zijn gezelschap.

De stewardess heeft nog steeds het dwaze moederdoekje om. Het rechtse Kamerlid vraagt of de piloot en zijn zweefteven nog wat moeten drinken en hij legt aan de barkeeper uit hoe geestig het is om stewardessen zweefteven te noemen.

De barkeeper maakt het gezelschap duidelijk dat het nu echt klaar is.

„Als ik in de regering zit – en als het aan het volk ligt duurt dat niet lang meer – dan gaan gaan alle kroegen 24 uur open. En als een kroegbaas wil sluiten dan geeft die piloot daar je een enkele reis zeebodem!” schreeuwt het rechtse Kamerlid.

Behalve de failliete zanger moet iedereen hard lachen. Het rechtse Kamerlid vraagt cynisch of de zanger wat te vieren heeft en deze vertelt dat zijn film ingezonden wordt voor een Oscar.

Volgens het rechtse Kamerlid moet daarop gedronken worden.

De barkeeper zucht en kijkt alleen maar. Dit pikt het rechtse Kamerlid niet en voor hij het weet staat hij achter de bar. De dwaze moeder geeft even later haar hoofddoekje aan de barkeeper zodat hij zijn bloedlip kan stelpen.

De failliete zanger vraagt of hij het voor een keer op mag schrijven. Hij wil wel zes bonnetjes omdat hij meerdere bv’s heeft.

„Het voordeel van vliegen is dat je in de lucht nooit wordt aangehouden”, grapt de piloot, die voorstelt te gaan lopen naar de taxistandplaats. Buiten op de stoep wacht Guusje. Of ze toch nog even willen blazen?

Youp van ‘t Hek