Rijkjavik
De oplichter weet altijd bij wie hij moet zijn. Bij de hongerige hebberd. En van die laatste heb je er heel veel. Het halve Gooi barst van de trek en hapt altijd gretig toe. De oplichter en tennissponsor René van den Berg, die de meest onmogelijke rentes beloofde, weet daar alles van. De jongens van Palm Invest en Easylife wisten ook waar ze het moesten halen. Of ik medelijden met de slachtoffers heb? Natuurlijk niet. Ik moet er juist hard om lachen. En met die van Icesave? Ook niet. Dat zijn gewoon sneue sukkels, die voor een half procentje meer het internet afstruinden en hun geld ongezien bij een stelletje niet al te capabele Vikingen dumpten. Aandoenlijk toch?
Hoorde deze week het vrolijke verhaal over een medisch specialist in het Gooi, die eerst een groot deel van zijn bij elkaar geopereerde kapitaal aan die René van den Berg gaf en de rest van zijn geld nu in IJsland is kwijtgeraakt. Grappig? Heel grappig. Alleen mag hij mijn acute blindedarm nog niet opereren. Waarom niet? Omdat hij er met zijn hoofd niet bij is. Waarschijnlijk nooit geweest. Altijd met zijn hoofd op Beursplein 5 of een of ander obscuur bankje. Hij is al bij een bijstandswoning wezen kijken. Hij vindt het klein, maar heeft geen keus. Zijn vrouw gaat ramen lappen bij de zus van hun voormalige werkster. Zelf neemt hij een krantenwijk. Liefst ’s ochtends omdat het dan nog donker is. De dokter in de Lidl en de Aldi.
Ik begrijp dat de familie Froger een zeer symbolisch televisieprogramma heeft gemaakt. Van een Gooise villagrond naar een droeve doorzon in een Vogelaarwijk. Boven veel Blaricumse en Bloemendaalse landhuizen pakken de donkere wolken samen. Zwetende papa’s en knarsetandende mama’s zitten boven hun calculator en vragen zich af hoe het zo ver heeft kunnen komen.
Het antwoord weten ze natuurlijk wel, maar willen ze zelf niet geven. Hebzucht, hebzucht en nog eens hebzucht. Nog duurder skiën, een nog bredere terreinwagen en wat te denken van de met merkkleding uitpuilende kledingkasten.
Hockeyen is niet alleen tegen een balletje slaan, maar een totaal gebeuren. Een way of life. En dat kost geld. In sommige streken is het leven een meedogenloze competitie. Jan-Willem een iPhone, dan Floris ook zo’n overbodig hebbedingetje. Fleur iets van Maison de Bonneterie, dan Rosemarijn ook. Zo was het in mijn jeugd en zo is het nog steeds. Tot op het ondergoed zijn ze gelijk en hun hempies komen niet van de Hema. Heel de jeugd in Amsterdam-Zuid heeft een Vespa onder de kakkersreet. Dat is niet erg, maar het moet betaald en daar moeten veel ouders rare strapatsen voor uithalen. En dat gaat wel eens mis. Erg? Absoluut niet. Wat is er tegen een Vogelaarwijk?
Komen ze daar ook terecht? Nee! Waarom niet? Omdat er bij de meesten nog wel ergens een potje is. Goed boerende ouders, steenrijke grootouders of een afgevulde broer. En je laat je familie niet vallen. Het is zo zielig als ze van de hockeyclub af moeten of nooit meer 18 holes mogen lopen.
Hun wezenlijke bestaan hangt er van af. Maar neemt u van mij aan dat er deze weken veel leed op het kunstgras rondzwalkt. Het is in die kringen geen gewoonte dat je het toegeeft, maar bij velen staat het huilen nader dan het biertje.
Moet in deze dagen veel aan mijn verstandige Amsterdamse vader denken. Zijn werk was beleggen. Hij deed dat in dienst van een grote multinational. En volgens mij deed hij dat goed. Toen ik ooit mijn eerste centen had verdiend vroeg ik hem, de kenner bij uitstek, wat zoal een goede belegging was. Hij keek me lang aan en zei kalmer dan kalm: „Een goede nachtrust”. Dit antwoord heb ik mijn leven lang in mijn kale kop geknoopt. Een goede nachtrust!
Rij dit weekend door de lommerrijke lanen in de wat duurdere villawijken en zie in veel kapitale huizen het licht branden. Omdat ze aan het feesten zijn? Integendeel. Zorgen. Hele grote zorgen.
Youp van ’t Hek
