*

Droomzomers (3) :: nrc.nl

Droomzomers (3)

Waarom was ik als kind zo gelukkig op dat Egmondse strand? Omdat het strand het leven fantastisch weergeeft? Zinloze kuilen en zinloze forten? Was het het ultieme nietsdoen dat ze tegenwoordig chillen noemen? Was het de geur van de zee en de warmte van het zand waar je altijd zacht in valt? Waren het de duizenden mensen bij elkaar? Dat je als kind altijd wel iemand om mee te spelen had? Altijd een broer of zus in de buurt en sowieso altijd in het veilige zicht van je moeder? Was het de veiligheid van de grote gezinnen?
Want wij waren met acht kinderen fors vertegenwoordigd, maar door heel Egmond zwierf een aantal even grote families uit alle hoeken van het land. Families waar we nu allemaal nog regelmatig contact mee hebben. Als ik in Utrecht speel, dan nodig ik steevast de oude mevrouw Claassen uit. Zij, moeder van zes inmiddels hele grote kinderen, heeft in de loop der jaren al mijn voorstellingen gezien en elke keer als ze na afloop de artiestenfoyer binnenkomt, weet ik dat we allebei even aan Egmond aan Zee denken. Daar kennen we elkaar van.
Meer dan vijftig jaar geleden deed ik bij haar strandstoel een poging tot een kleuterig grapje. Ook andere jongens en meisjes, inmiddels mannen en vrouwen, ontmoet ik als ik in hun buurt speel. Nijmegen, Doetinchem, Werkendam. En altijd kunnen we het niet laten om herinneringen op te halen. En dat zijn er veel. En nooit te veel. Het ’s avonds hangen in het dorp, de ijssalons van Pravisani en de eerder genoemde Liefting, de lange wandelingen naar Bergen aan Zee of Castricum, de emmers bramen die we plukten in de duinen, het volleybal, de midgetgolf, de motorboot de Marianne, de badman Jaap die onverstaanbaar Egmonds sprak, de broer van Willy Alberti die er een sigaren- annex souvenirzaak had, café De Klok, café De Boei, het in die tijd chique Lido. En allemaal kijken we met een glimlach terug. En niet alleen wij.
Heel veel families hebben dezelfde herinneringen aan Domburg, Zoutelande, Bergen aan Zee en andere jeugdplekken. Ik was klein, de zevende van acht kinderen en zag mijn veel oudere zus en broers een totaal ander strandleven leiden. Zij hingen bij het volleybalnet en gaven hun eerste voorzichtige kopjes aan elkaar. De eerste puberale amoureuze verkenningen. Wij, de jongsten, keken vanachter windschermen en strandstoelen toe. Voor ons was het een soort porno. Volgens ons mocht dat niet wat ze allemaal deden. Ik was zes, dus mijn oudste zus was vijftien. Net als die jongens. Inmiddels zijn ze allemaal opa en oma. Maar al die opa’s en oma’s hebben dezelfde goede herinneringen aan deze zinderende strandvakanties.
Egmond was leuk. Bij mooi en bij slecht weer. Als het regende, knutselden we bouwplaten in elkaar. Of gingen we pinda’s doppen. Of flansten mijn broers zelf een wandelpuzzeltocht in elkaar. Met hele flauwe, doch zeer geestige vragen. En met een heuse prijsuitreiking.
En het opvallende is dat bijna al mijn broers en zusters toen ze zelf ouders werden weer naar het strand gingen met hun gezin. Net als die vrienden. En net als ikzelf. Sommigen gingen naar Egmond terug, anderen kozen voor een Zeeuwse variant.
Zelf ging ik voor het Belgische De Haan, waar ik een kleine tien jaar achter elkaar dezelfde zinloze maanden op het strand was. Dezelfde kuilen, dezelfde forten, hetzelfde zand bij dezelfde zee. En ook daar weer de families die elkaar kennen en herkennen. Families die het geluk van hun jeugd herhaalden. En hun kinderen doen dat nu ook weer. Mijn nichtjes zijn jonge moeders en zitten met hun kinderen aan het strand. Het Noordzeestrand wel te verstaan. Altijd wind, een frisse zee en genoeg plek om een balletje te trappen. Want dat is belangrijk. De ruimte!
Wij, de oude badgasten van toen, begrijpen dan ook niks van Côte d’Azur- of Spanjegangers. Die vieze afgeladen stranden waar iedereen tegen elkaar aan ligt te zweten, zijn voor ons onbespreekbaar. Verboden zelfs. Daar ga je niet heen. Ruimte moet er zijn. Ruimte om te spelen, te rennen en te slapen. Ver genoeg uit elkaar. Geen hutjemutje.