Droomzomers
De strandvakantie. Egmond aan Zee. Van mijn tweede tot mijn vijftiende. Tussen 1956 en 1969. Elk jaar een volle maand. Dus meer dan een jaar heb ik in het toen nog kleine vissersdorp gewoond. Wonen is niet het goede woord.
Vakantievieren is niet wonen. Vijftien volle maanden. Eerst augustus, later juli. Van de eerste tot de eenendertigste. En om de zoveel jaar in een ander huis omdat ons grote gezin niet langer welkom was. Een groot gezin betekende namelijk veel lol, maar ook veel ruzie. En dat gaat allebei gepaard met lawaai en overlast. Tel de logés daar nog bij op en je snapt de eigenaar, die een aantal maanden met zijn gezin kampeerde in een in de achtertuin opgetrokken zomerhuisje. Ze hadden liever een braaf, dus Duits gezin. Die lagen om negen uur te pitten.
Ik kan Egmond dromen. De Voorstraat, het Pompplein, de Smidstraat, de vuurtoren, de boulevard. De namen van de huizen, de kleine straatjes in het oude deel, de snoepwinkel van Opoe Belleman. Maar ook de typische sfeer van de jaren vijftig en zestig. Een overvolle evenementenkalender. Iedere dag was er iets te doen. Iets te doen voor de badgasten. Zo werden we genoemd: badgasten.
Die lijst hing bij de VVV, gevestigd in het busstation. En hij hing in alle winkels. Gloeiend stond je het de eerste dag te lezen. Wandelpuzzeltochten, schatgraven, het vuurwerk, het volleybaltoernooi, de spuitbalwedstrijd en de strandspelen. Dit laatste was voor de kleintjes. Zaklopen en rennen met een tennisbal op een plastic strandschep. Oubolligheid troef, maar wat waren we gelukkig.
Dagelijks gaan er een paar seconden Egmond door me heen. Zomaar, op de raarste momenten. Ik hoef de naam Wijker maar te lezen. Of Groen. Of Zwart. Zo heetten de meeste families daar toen. Misschien nog steeds wel. Of ik zie een ijsje dat lijkt op de ijslolly’s van Liefting. Zo’n ijsje kan er alleen uiterlijk op lijken. Geen enkel ijsje kan tippen aan de ijslolly’s van Liefting. IJslolly’s gemaakt van echte aardbeien. Pitjes in het waterijs. Een nooit geëvenaarde smaak uit mijn jeugd. Trillend van geluk ging ik met mijn plakkerige duppie naar de ijssalon op het pompplein. Het was een van mijn eerste zakelijke transacties ooit. Daar kwam nog bij dat ik verliefd was op een van de dochters Liefting. In mijn herinnering heette ze Agnes. Zij was het niet op mij. Zij was zestien en ik net vijf.
Vader Liefting trok met paard en wagen door het dorp en over het strand. Hij verkocht melk, hun eigenlijke nering. Dat beeld van dat paard en die wagen door dat mulle zand. En alle mensen die een flesje kochten. Melk voor bij de boterham. Thuis gesmeerd, verpakt in boterhammenzakjes.
In januari togen mijn ouders naar Egmond om een huis te huren. Een belangrijk moment. Met welk nieuws kwamen ze thuis? Hoe ver zaten we van de Voorstraat? En hoe ver van het strand? Eigenlijk was het nooit ver, want Egmond was klein. Maar wij waren dat ook en dus was Egmond groot. Heel groot. Heel groot en heel overzichtelijk.
Zo’n huis moest best wel groot zijn, want we waren minimaal met tien personen. Vaak gingen er ook nog andere kinderen mee. En dan ook nog een dienstmeisje dat in die tijd ‘een meisje voor dag en nacht’ genoemd werd. Wij hadden Annie en later Mien. Absolute jeugdheldinnen. In zo’n huis was het vaak passen en meten. Alle jongens bij elkaar op zolder. Of het betere stapelbeddenwerk. Hoe meer er geïmproviseerd moest worden, hoe leuker het was. Als het maar anders was dan thuis. Dan was het pas vakantie.
Het betreden van zo’n nieuw huis was een avontuur. Een regelrechte kindersensatie. Deuren open doen. Dat was een kast en dat was een kamer! De geur van de zolder. De kleuren van de dekens. De meestal foeilelijke inrichting van het huis. Altijd en overal de hertjes van Van Meegeren. De tuin met het onvermijdelijke helmgras waar je je gevaarlijk aan kon snijden. En waar je je dus ook aan sneed. Want je probeerde het toch. Of je deed het voor aan je kleine broer.
(Wordt vervolgd)
Youp van ’t Hek
