Boerenzakdoekpochet
Zomaar bij mij om de hoek. Een man. Een aardige man bij de tramhalte. Een man van rond de zestig die lang naar me kijkt. Heel lang. Hij vraagt waarom ik een donkerblauwe winterjas met knalrode knopen draag? Of ik dat doe om op te vallen?
Ik leg hem uit dat ik het leuk vind om confectie op te fleuren. Een donkerblauwe jas met donkerblauwe knopen is saai en wordt al door miljoenen mensen gedragen. Een brandweerrrode jas met blauwe knopen vind ik te veel voor mijn leeftijd en daarom heb ik gekozen voor deze rode knopen. Ik leg hem uit dat ik ook een grijze jas met gele knopen heb.
Maar, herhaalt hij, doe ik het nou om op te vallen? Ik vertel hem dat ik het niet doe om op te vallen, maar dat ik me wel realiseer dat de knopen opvallen. Het is meer een kwestie van vrolijkheid scheppen in het grijze straatbeeld.
Hij snapt me, en hij legt me uit dat artiesten dat mogen. U heeft toch ook een tijd een wat te grote zwarte hoed gedragen? Klopt. Hij weet dat omdat hij hier in de buurt heeft gewerkt. Dan vertelt over het grijze kantoor en zijn boerenzakdoekpochet. Ik vraag of hij mij dat wil vertellen. Hij steekt prachtig van wal.
Hij werkte bij een bank waar alle mannen er hetzelfde uitzagen. Nergens stond dat ze een grijs pak moesten dragen, maar ze droegen allemaal een grijs pak. Antraciet. Op een ochtend deed hij een boerenzakdoek in zijn borstzak. Een groene. De dames op de afdeling vonden het vrolijk, en zeiden er iets aardigs over. De mannen niet. Waarom niet? Geen idee. Mannen houden niet van complimentjes. Soms mompelde iemand: Jarig? Of: dronken gisteren? Daar bleef het bij.
Hij bleef het ding dragen, en tot zover was er niets aan de hand. Totdat hij op een middag apart werd genomen door zijn chef, die zei dat het hem niks kon schelen, maar dat er mensen waren die zich ergerden aan die boerenzakdoek. Vooral als ze met grote klanten vergaderden. Hij kon niks verbieden en het werd dan ook geen dienstbevel, maar het was wel een dringend verzoek.
De man antwoordde dat hij het veel erger vond dat het baliepersoneel tegenwoordig op de kraag van het overhemd de geborduurde naam van de bank droeg. Dat was toch veel treuriger en vernederender dan een vrolijk pochetje. De chef vond het pochetje niet zo vrolijk, en vroeg waarom het ding niet wat kleiner kon. Bescheidener. Nu hing er een halve theedoek uit zijn colbert. De man legde nogmaals uit dat het een kwestie van uitbundigheid was.
De pochet werd een principekwestie, en belemmerde overduidelijk maar onbewijsbaar zijn carrière. De man mocht bijna nooit meer mee naar vergaderingen buitenshuis, deelde nog wel mee in de nieuwe salarisronden, maar kreeg er geen verantwoordelijkheden meer bij. Integendeel. Steeds meer taken ging naar een ander. Hij voelde hoe de pochet, die elke dag een andere kleur boerenzakdoek was, hem in de weg stond. Het was een kwestie van gevoel. Hij kon het absoluut niet hard maken. Er was geen rapport te vinden waarin officieel stond dat hij door zijn uitbundige lapje op een zijspoor was gerangeerd. Maar hij wist dat het meespeelde.
Wel had hij een keer overduidelijk uitgelegd dat je binnen de bank heel hoog kwam als je heel onopvallend en muisgrijs de juiste directiehiel op het juiste moment warm en zacht likte. Terwijl hij dat zei, had hij een paar Gooise doorzongluiperds lang en doordringend aangekeken.
Toen hij merkte dat ze klaar met hem waren, werd er een regeling getroffen en mocht hij met behoud van salaris vertrekken. En nu was hij al een paar jaar vrij. Pochetloos. Dat ding had hij niet meer nodig.
Op het Centraal Station vroeg hij of hij mee mocht naar Middelburg. Ik vond het goed. Onderweg vertelde hij hard lachend dat hij gescheiden was. Hoe? Via zijn groene schoenen. Die droeg hij elk weekend tot zijn vrouw vroeg of hij alsjeblieft……
Zijn tweede vrouw heeft hij ook de deur gewezen. Een lila deur met roze ballen.
Youp van ‘t Hek
