EN INEENS is daar het Evangelie van Judas, een tekst die alleen bekend was uit een snierende opmerking van een tweede-eeuwse kerkvader. Niet alleen is er vorige week wéér een waardevol vroegchristelijk manuscript uit de Egyptische woestijn in de publiciteit gekomen, nota bene op naam van de spreekwoordelijke verrader van de verlosser. Maar er blijkt ook een heuse moderne affaire aan verbonden – met schimmige handelaren, wereldvreemde geleerden, een sfinx-achtige Zwitserse kunststichting, een onthullende website van een omstreden ex-kunstsmokkelaar (www.michelvanrijn.com, die deze week ineens uit de lucht is) en bijna totale geheimhouding over de inhoud van het manuscript. Bijna totale: in beperkte kring circuleren een paar transcripties en foto's (waarvan op deze pagina de vertaling wordt afgedrukt – voor zover bekend in deze omvang een wereldprimeur).
Op de volledige tekst is het wachten. De oude Geneefse koptoloog Rodolphe Kasser werkt nu in zijn werkkamer aan de vierde-eeuwse codex met een dertigtal tweezijdig beschreven bladen, in slechte staat. De transcriptie met vertaling in Frans, Duits en Engels zou met Pasen volgend jaar klaar moeten zijn – de meeste ingewijden betwijfelen of hij de deadline zal halen. De codex is het officiële eigendom van de zwijgzame Maecenas Stiftung für Antike Kunst uit Basel.
Als het inmiddels niet al een cliché was, zou je zeggen: het lijkt warempel de Da Vinci Code wel.
Dat het Evangelie werkelijk door de Jezusverrader Judas Iskariot zou zijn geschreven – dàt zou pas een goede roman zijn! – is zo goed als uitgesloten. De stijl en inhoud van het evangelie – voorzover bekend – is onmiskenbaar tweede-eeuws gnostisch. De gnostiek was in de eerste eeuwen na Christus een belangrijke christelijke stroming, naast het joodse christendom en de stroming die later de orthodoxie ging vormen. De gnostiek beschouwde Jezus als een goddelijke boodschapper uit de hogere wereld die de goddelijke vonk in de mensen moest `wakker schudden', in de door een boze macht geschapen wereld. Jezus' opstanding speelt geen grote rol, hooguit als symbool van de opstanding cq verlichting die ieder mens zou moeten doormaken. De `proto-orthodoxie' daarentegen beschouwde Jezus als volledig mens èn volledig god, wiens lijden en dood God verzoende met de zondige mens – met de opstanding als symbool van dat `Nieuwe Verbond'. De joodse christenen beschouwden Jezus als de grootste profeet – volledig mens dus.
Het gnostische evangelie van Judas dankt zijn naam waarschijnlijk aan de bijzondere rol die de altijd zo verguisde discipel er in speelt. Niet als verrader, maar als de belangrijkste leerling van Jezus, die de noodzakelijke kruisdood met toestemming van en in samenwerking met Jezus op touw zet. Sommige nu bekende fragmenten sluiten goed aan bij een tekst van de kerkvader Ireneüs uit 180 na Chr. Deze proto-orthodoxe bisschop van Lyon beschrijft een groep gnostische ketters die menen dat alle figuren die in de bijbel door de schepper worden gestraft (Kaïn, de inwoners van Sodom en Gomorra) in werkelijkheid de ware ingewijden waren. Want de schepper, de God van het oude testament die hen bestrijdt, is juist de kwáde god. De `goddelozen' dienen de hogere, èchte god – een typisch gnostisch thema. Ireneüs: `Zij verklaren dat Judas de verrader volledig op de hoogte was van deze dingen en dat hij alleen het mysterie van het verraad volbracht, omdat hij de waarheid kende als niemand anders. Door dat verraad werden alle dingen in de hemel en de aarde door elkaar gegooid. Zij produceerden een verzonnen verhaal hierover, dat ze het Evangelie van Judas noemen.' Door de kruisdood van Jezus Christus werd de duivel in de war gebracht.
In de fragmenten van het Evangelie van Judas valt iets vergelijkbaars te lezen: iemand (Judas?) wordt hoog geprezen: `jij zal iedereen overtreffen', maar tegelijkertijd moet hij het lichaam van de spreker (hoogstwaarschijnlijk Jezus) verraden: `de mens [=het menselijk lichaam] die mij [=de hemelse verlosser] draagt offeren'. En in het slotfragment wordt Judas expliciet de ware discipel van Jezus genoemd, nota bene in de context van het `verraad' aan de schriftgeleerden.
Dat verraad was dus geen verraad, maar een list. Alleen het lichaam van Jezus wordt overgeleverd, niet zijn goddelijke essentie, zo valt uit de fragmenten af te leiden.
En dat sluit vrijwel naadloos aan bij andere christelijke gnostisch ideeën uit de tweede eeuw, zoals bijvoorbeeld verwoord in de (derde-eeuwse) Koptische Openbaring van Petrus. Petrus vertelt dat hij tijdens de kruisiging stamelde: `Wat zie ik, o Heer? Is het u die zij arresteren? (...) Maar wie is dan die figuur boven het kruis, die blij is en lacht? Is het iemand anders wiens handen en voeten worden vastgehamerd? En Verlosser zei tegen me: `hij die je daar ziet boven het kruis, blij en lachend, is de levende Jezus. Ze slaan de spijkers in de handen en voeten van zijn lichamelijke deel, die hem hier vervangt.''
De kruisdood speelt wel een rol bij deze gnostische christenen, maar het is volstrekt ondenkbaar dat Jezus lichamelijk zou lijden. In feite is de hele Passie slechts een list om het heil bekend te maken. En dus kan Judas een eervolle hoofdrol krijgen, hij `verraadt' slechts het onbelangrijke lichamelijke omhulsel.
``Natuurlijk is het ook een echte protest-exegese. Die gnostici hielden ervan om de zaken waar de proto-orthodoxen aan hechten om te draaien'', legt de Nijmeegse en Utrechtse kerkhistoricus en gnosiskenner prof.dr. Hans van Oort uit. ``Maar ook onder moderne theologen is er een serieus debat of de daad van Judas wel `verraad' mag worden genoemd. Want zonder Judas geen kruis, en zonder kruis geen heil. Bij de gnostici is zo'n positieve interpretatie gemakkelijker, omdat bij hen de goddelijke kern van Jezus niet eens echt lijdt. Bij de kruisiging wordt eigenlijk vooral de schepper van deze wereld, de demiurg, voor de gek gehouden.''
In fysieke vorm, taal en inhoud is de codex volkomen te vergelijken met de roemruchte dertien codexen die in 1945 bij Nag Hammadi, Egypte, zijn gevonden. ``Het zou mij totaal niet verbazen als het de veertiende codex uit die verzameling is'', oordeelt Hans van Oort. En de Berlijnse nieuwtestamenticus en koptoloog prof.dr. Hans-Gebhard Bethge pakt er zelfs de meetlat bij, om een facsimile van Nag Hamadi Codex II (met het Thomas-evangelie) op te meten: ``Ja, inderdaad, dat is net zo groot: 28 cm hoog en een tekstbreedte van 11 cm'', meldt hij per telefoon. Hij dacht eigenlijk dat de Judas-codex veel kleiner was, ``maar dat komt omdat het veel groter geschreven is. De schrijver van het Thomas-evangelie krijgt 35 regels op zo'n vel. Die van het Judas-evangelie maar 18.''
Rond die Nag Hammadi Codex, die pas in de loop van decennia volledig gepubliceerd werd, bestaan veel geheimzinnige verhalen, vol woestijnzand, duistere handelaren en stiekeme nachtelijke fotografeersessies. Voor de nieuwe codex is het niet anders.
Het mooiste verhaal over het Evangelie van Judas is wel dat wat vorige week zaterdag in het Duitse blad Focus werd beschreven. Een tiental jaren geleden wil in een Zwitserse hotelkamer de Egyptische juwelier mr. Hannah de codex met het evangelie van Judas aan de in Genève gevestigde kunsthandelaar Nikolas Koutalakis verkopen – voor drie miljoen dollar, aldus Focus. Plotseling gaat de deur open, en daar verschijnt Mia, vriendin van Koutalakis. Hij had haar verklapt welke interessante deal hij hier zou sluite n. Zij grijpt haar kans op rijkdom en graait naar het manuscript op tafel. Ze weet te vertrekken met een deel van het manuscript en volgens sommige berichten heeft de 1600 jaar oude codex zwaar geleden onder dit handgemeen. Mia deponeert haar buit in een kluis in de Citybank in New York. De Zwitserse Meacenas-stichting zou de teksten van mr. Hannah èn Mia hebben gekocht, en de delen hebben herenigd.
Ook fraai is het verhaal van de in Münster docerende Amerikaanse koptoloog Stephen Emmel, die al in 1983 het manuscript een half uurtje onder ogen kreeg – ook al weer in een slecht verlichte Zwitserse hotelkamer. Drie geschriften kon hij in de codex onderscheiden – vertelt hij nu in Focus (en in Het Parool, eveneens van vorige week zaterdag). In het derde stuk had hij zèlfs de naam van Judas gezien. ``Maar ik nam aan het hier ging om Judas Thomas, een naam die veel in apocriefe evangelies voorkomt en ook bekend is van het Thomas-evangelie.'' En de – alweer – drie miljoen dollar die gevraagd werd, kon Emmel trouwens toch niet betalen.
Dàt er nog een gnostische codex bestond was dus wel bekend, de Groningse nieuwtestamenticus en gnosiskenner prof.dr. Gerard Luttikhuizen schreef bijvoorbeeld al in in 1985 in zijn boek `Gnostische geschriften' dat er een handschrift in handen is van een Zwitserse antiquair, met daarin de De brief van Petrus aan Filippus. Dat moet vrijwel zeker het nu bekend gemaakte manuscript zijn. Want naast het Evangelie van Judas, bevat het ook die brief van Petrus aan Philipus (ook bekend uit Nag Hammadi Codex VIII) en de Eerste Openbaring aan Jacobus (ook bekend uit Nag Hammadi Codex V). Volgens Hans van Oort zou er overigens ook nog een Tractaat van Allogenes (ook bekend uit codex XI) bij kunnen zetten.
Kasser maakte zijn interessante studieobject al vorig jaar op 1 juli bekend op een koptologencongres in Parijs, maar een breder publiek bereikt dit feit pas met een publicatie in het Zwitserse tijdschrift Facts, begin januari. Afgelopen paaszaterdag sloegen het Duitse blad Focus en de Nederlandse krant Het Parool toe. Voorzover bekend heeft het nieuws de Engelstalige pers nog niet bereikt.
De vondst van een onbekend evangelie is bijzonder, maar niet uniek. Want al de stromingen in het vroege christendom hadden eigen evangeliën. De Amerikaanse nieuwtestamenticus Charles Hedrick houdt een telling bij van de evangelies (`antieke verhalen over het leven van Jezus') die inmiddels zijn teruggevonden – vaak slechts in fragmenten. Met het Judas-evangelie staat zijn teller nu op 35. De meeste zijn uit de tweede eeuw of later, en toevallig of niet: de vier evangelies die in het nieuwe testament zijn opgenomen zijn het oudst, uit de eerste eeuw, met Marcus als oudste uit ca. 70 na Chr. In sommige latere evangelies, zoals het Evangelie van Thomas dat in de huidige redactie uit 140 na Chr. stamt, onderscheiden sommige geleerden wel oudere tekstlagen.
Met het Evangelie van Judas lijkt dat niet het geval. Zo zegt bijvoorbeeld gnosiskenner en emeritus-hoogleraar Gilles Quispel: ``Uit wat ik er tot nu van gezien heb leid ik af dat er voor nieuwe kennis voor de figuur van Jezus niks te verwachten is van dit Evangelie van Judas. Het gaat om de tweede eeuw. Toch is deze vondst wel degelijk een enorme verrijking voor de kerkgeschiedenis. Dat de figuur van Allogenes zo'n centrale rol in het evangelie lijkt te spelen – tenzij er inderdaad sprake is van een apart tractaat van Allogenes zoals Van Oort denkt – wijst op een grote joods-gnostische invloed. Allogenes is namelijk de Joods-Griekse bijnaam van Seth, de derde zoon van Adam, letterlijk betekent het vreemdeling: van andere geboorte. Het is het archetype van de gnosticus, die vreemdeling is op deze aarde! En och, dat die figuur hier kennelijk gelijk gesteld wordt aan Jezus, dat zie ik als oppervlakkige kerstening.''
Natuurlijk wordt deze interpretatie niet door iedereen gedeeld. ``Speculatief, zo niet onjuist'', oordelen desgevraagd Luttikhuizen en Bethge eenstemmig. ``Joodse gnostiek is een contradictie in terminis'', aldus Luttikhuizen. ``En Seth wordt in Sethiaanse teksten nooit Allogenes genoemd. In de Griekse tekst van Genesis 4:25 wordt hij niet `allo genos' [van een ander geslacht] maar `heteron sperma' [van het andere, tweede zaad]''.
De discussie gaat door.

AEX: 310,03 




