Demonstreren in Tbilisi
Tbilisi, 9 april. Een wind van ontevredenheid waait over de Roestaveliboulevard. Een wind met een bereik van zeker drie kilometer. Want tot zover strekt de menigte van vele tienduizenden demonstranten zich over de Georgische hoofdstraat uit. Ze hebben allemaal maar één eis en dat is het aftreden van president Michail Saakasjvili. „Wij willen deze president al heel lang niet meer”, zegt de 28-jarige onderwijzeres Renata Kerasjvili. „Hij is een dictator en een fascist.” Haar twaalf jaar oudere vriendin Nano Gogolasjvili verwoordt een ander alom klinkend verwijt: „Hij is de oorlog in Zuid-Ossetië begonnen en alleen daarom al moet hij aftreden. We blijven hier net zolang staan tot hij weg is, al duurt het een jaar.”
De 50-jarige fysicus Timoer Narimadze voegt zich bij haar. „We wisselen elkaar af, maar zorgen dat het hier iedere dag vol staat met betogers”, zegt hij. „En als Saakasjvili niet uit zichzelf opstapt, hoop ik dat hij dat onder druk van de Verenigde Staten of de EU wel doet.”
Anders dan bij vorige betogingen komen de demonstranten dit keer uit alle lagen van de bevolking en zijn ze van alle leeftijden. Op de studenten na zijn ze vrijwel allen werkloos. „In feite heeft tachtig procent van de bevolking geen baan”, zegt Narimadze.
Als rond half drie de zestien oppositieleiders op het podium staan, kunnen de toespraken beginnen. De zestien presenteren zich als elkaars beste vrienden. Ze noemen Saakasjvili een Judas, een lafaard, een onderdrukker van het vrije woord, een misdadiger. Ieder herhaalt zijn eis: de president moet aftreden.
Als ex-parlementvoorzitter Nino Boerdzjanadze het woord krijgt, fluit de menigte haar uit. Ze wordt alom geminacht. „Ze heeft veel te lang met Saakasjvili meegedaan en denkt nu zijn opvolger te kunnen worden”, zegt de werkloze vinoloog Vachtan Mamardasjvili spottend. Ondanks het fluitconcert en gejoel praat Boerdzjanadze door. „Saakasjvili heeft het volk niet beschermd”, zegt ze. „Hij is een oorlog begonnen en heeft werkloosheid veroorzaakt. Ik zal jullie wél beschermen als ik president word.” In een nieuw fluitconcert verdampen haar laatste kansen op het presidentschap binnen een halve minuut.
Een volgende spreker, de populaire Boeba Sanikidze, meldt dat de Roestaveli-boulevard tot aan de universiteit drie kilometer verderop vol mensen staat. „Er zijn hier nog nooit zoveel betogers samengekomen”, beaamt een oudere dame, Marina Gordazjani. „Ik kan het weten, want ik heb hier al heel wat demonstraties meegemaakt.”
Twee uur later opent de regering de tegenaanval. Op een persconferentie vertelt onderminister van Binnenlandse Zaken Eka Zgoeladze dat er maar twintig- à vijfentwintigduizend betogers zijn komen opdagen. „We hebben Europese waarnemers gevraagd ons bij het tellen te helpen”, zegt ze. „En de geruchten dat de wegen naar Tbilisi zijn geblokkeerd en betogers door de politie zijn mishandeld zijn niet waar.” Daarna prijst ze de regering voor het feit dat het rustig is gebleven en de overheid zo weinig politie heeft ingezet. „De EU-monitors hebben hierop toegezien”, zegt ze tevreden. Ook meldt ze dat er in de stad Batoemi is gedemonstreerd, door driehonderd mensen. Volgens journalisten ter plaatse waren het er tweeduizend. Zgoeladze is tevreden. „Dat de politie de situatie heeft kunnen beheersen is een bewijs dat er voortgang bestaat in het democratisch proces in ons land”, zegt ze.
Een uur later geeft in een belendende zaal de speciale EU-vertegenwoordiger voor de Kaukasus, Peter Semneby, een persconferentie. Gevraagd of hij kan vertellen hoeveel mensen er hebben gedemonstreerd, antwoordt hij: „Ik geef daar geen schattingen van.” Hoofdredacteur Zaza Gatsjetsjiladze van de krant The Messenger biedt uitkomst: „Als het er vandaag 25.000 waren, dan waren het er tijdens de Rozenrevolutie 5.000. Ik kan het weten, want ik was erbij.”
Oppositieleider Irakli Alasania deelt even later een verdieping hoger mee dat er 130.000 demonstranten zijn komen opdagen. Betogers uit de provincie konden Tbilisi niet bereiken, omdat er geen bussen reden. „We hebben president Saakasjvili een ultimatum gesteld”, zegt hij. „Voor morgenmiddag drie uur moet hij reageren. Zo niet, dan zullen de oppositiepartijen hun verantwoordelijkheid nemen.” Wat die verantwoordelijkheid behalve het voortzetten van de demonstraties inhoudt, blijft onduidelijk. „Het volk wil een antwoord op zijn eis dat de president aftreedt”, zegt oppositiepoliticus Salomé Zoerabisjvili even later. Van een compromis is volgens haar geen sprake meer.
Op straat is de wind toegenomen en de temperatuur gedaald. De oudere demonstranten gaan naar huis. De jeugd blijft achter en blijft om een nieuwe toekomst roepen, een vage toekomst, maar wel zonder Saakasjvili.
