De wraak van Tomsk
Rusland neigt ertoe zijn literaire genieën overdadig te eren. In elke herberg waar de dichter Poesjkin zich ooit een nacht bedronk, is wel een marmeren gedenksteen gemetseld. ‘Hier sliep Poesjkin op 11 september 1829′.
Minder vaak worden beelden opgericht om Russische genieën belachelijk te maken. Zo’n monument vind je in Tomsk. Deze Siberische stad heeft een appeltje te schillen met Anton Tsjechov, hier vereeuwigd als een weke stadsnerd met bril, platvoeten en een dikke jas. ‘Anton Tsjechov in Tomsk, door de ogen van een in de goot liggende dronkenlap die nooit zijn ‘Kasjtanka’ las’, heeft beeldhouwer Leonti Oesov zijn meesterwerkje genoemd.
Een beetje rancuneus? Het Siberische Tomsk noemt zichzelf ’het Athene van Siberië’, een kosmopolitische stad vol studenten, geleerden en artiesten. ‘Maar in het westen halen ze ons steeds met Omsk door de war’, klaagt een topbestuurder. Ik citeer haar voor de grap de strofe uit Dodenrit van drs. P (+video!): ‘Ja Tomsk is een mooie stad, maar net iets te ver weg’. En verrek, terug in mijn hotel blijkt dat inderdaad over Omsk te gaan.
Anton Tsjechov vond Tomsk een hel. In mei 1890 rustte hij er een paar dagen uit van zijn beproevingen in West-Siberië. De schrijver was slecht gehumeurd. Hij had een week lang bloed hoestend op een slee door natte sneeuw en modder gehobbeld, met te weinig proviand en slaapgebrek, met half bevroren tenen door te goedkope laarzen. Vlak voor Tomsk wachtte hem in een sneeuwstorm een bloedstollende boottocht over een rivier.
Tomsk bleek half overstroomd, zijn hotel was ‘walgelijk’. Een stoet dronken notabelen viel de beroemde schrijver continu lastig, zoals de politiechef met hangsnor en literaire aspiraties die Tsjechov urenlang met zijn ‘niet eens slechte’ schrijfsels verveelde, daarna om wodka vroeg en opschepte over zijn maitresse, een getrouwde vrouw. Tsjechov schijnt met deze politiechef nog een theater te hebben bezocht, waar een lokaal gezelschap ter zijner ere een van zijn toneelstukken mangelde. Daarna volgde een toernee langs een serie ‘weerzinwekkende bordelen’.
Dit schreef Tsjechov: ’Tomsk is een saaie stad. Gezien de dronkelappen die ik heb leren kennen en de lokale intellectuelen die mij in het hotel kwamen bezoeken, zijn de bewoners eveneens saai.’ En elders: ‘Ik zal je Tomsk maar niet beschrijven. Alle steden lijken op elkaar in Rusland. Het is een dorre, dronken stad. Er zijn absoluut geen knappe vrouwen en de minachting voor rechtvaardigheid is waarlijk Aziatisch. De stad is alleen opmerkelijk omdat er zoveel gouverneurs doodgaan.’
Ook later bleef Tsjechov meedogenloos Tomsk-bashen. ‘Geen stuiver waard, die stad’, schrijft hij. En, na zijn bezoek aan de pittoreske, elegante stad Krasnojarsk: ‘Vergeleken met deze stad is Tomsk jeugdpuistjes van mauvais ton’.
Uiteraard kan één standbeeld de knauw die de grote schrijver gaf aan het imago en zelfvertrouwen van Tomsk niet herstellen. Maar toch voelt het goed. (Met dank aan Oleg Klimov)
