Bibliothecaris

In de bibliotheek is er op de eerste plaats stilte. Een oud mannetje dat af en toe hardop in zichzelf lacht, voorover gebogen over een stel kranten, er is een logboek waarin iedereen die binnenkomt zijn naam moet noteren, met emailadres en er is een bibliothecaris in een rode broek (het soort dat zelfs onder corpsballen uitsterft), die erop toeziet dat het logboek ook echt benut wordt. De stilte mag dan ook alleen door de bibliothecaris (‘Pardon volgens mij heeft u uw naam nog niet in het logboek genoteerd. Ja, daar ja, dank u wel, en uw emailadres?’) verstoord worden. En door het brandalarm.

In de bibliotheek komen de mensen geruisloos binnen. Ze drukken de klink van de deurknop behoedzaam omlaag, zonder daarbij overbodig geluid te maken, vouwen zich behendig om de deur heen naar binnen en laten de klink weer zachtjes tussen hun vingers omhoog glijden: zo herken je de echte bibliofielen.

In de bibliotheek is er, zoals overal, altijd iemand die het anders doet. Iemand die de deurklink stevig vastpakt, open drukt en met een goedbedoeld maar geheel misplaatst ‘Goedendag’ binnenkomt. De deur maakt meer lawaai dan nodig is, iedereen kijkt op en is zich bewust van de nieuwkomer, die nu inmiddels met een grote grijns en te zwaar brilmontuur door de zaal stapt, op zoek naar zoveel mogelijk blikken om te beantwoorden en een lege stoel, die hem midden in de zaal opwacht. Er valt een pen, een dossier waait open, de stoel kraakt, en dan heeft hij ook nog een loopneus.

Als de stilte eindelijk hervonden is, willen de bibliofielen zich er alweer in onderdompelen, als hun andere vijand, de bibliothecaris, naar binnen komt gesneld om de nieuwkomer met zijn logboek lastig te vallen. ‘En ook graag uw emailadres meneer.’

Maar in de bibliotheek is er in de eerste plaats stilte.

Volg nrc.nl op en , lees onze dagelijkse nieuwsbrief