Ik dacht dat u dood was
Jan Lenferink werd laatst verrast met een taart en een televisiecamera door het programma ‘En hoe gaat het met U’? Het programma probeerde hem al eerder te verleiden voor een item, waarop Jan had geantwoord: ‘Zeg dan gewoon wat u echt denkt, namelijk: “Ik dacht dat u dood was”.
Geen gehoor. Jammer, televisie zou zo leuk kunnen zijn.
Toch stonden ze er, onaangekondigd, op de stoep van zijn stamkroeg. Met zo’n taart in een slap kartonnen doosje en een begrafenisboeket. En dan die hoop op het gezicht van de al wat uitgebluste televisiepresentator dat de Ooit Bekende Nederlander er wat leuke one-liners uitgooit.
Nou, dat deed 'ie.
Wat wilt u? Praten? Maar Meneer de presentator, dat heb ik sinds mijn dood niet meer gedaan!
De presentator was snel weer weg. Een beetje van het publiek te zijn is op dit soort programma’s na best fijn, pas als je eenmaal dood bent, begint de ware ellende. Iemand heeft namelijk bedacht – en het was vast geen kerkganger – dat de doden en al hun zielenroerselen van het volk zijn. Hoe meer ze geleden hebben, hoe harder we er onze tanden in zetten. Wat is het fijn te lezen dat Marie Antoinette ook minnaars had en dat Oscar Wilde ook ijdel was. De dood maakt taboes ontroerend.
Ik dacht dat U dood was.
Nee, nog niet, maar kom vooral nog een keer terug als ik dood ben.
Doden zijn als personages van de boekenplank of het televisiescherm: overgeleverd aan de blik van de ander, en beroofd van de mogelijkheid om die af en toe bij te stellen, zijn ze van de ander. Pure heiligschennis, waar ik als atheïst wellicht geen problemen mee zou moeten hebben. Maar dat heb ik toch.
Dat kan ik U nog niet zeggen, maar zoals ik al zei, kom vooral nog een keer terug als ik dood ben.
Kijk, dat kan hij tenminste nog zeggen.
