Rechtspraak is toe aan een paar harde vragen
De details moeten nog geregeld worden, maar volgend jaar kunnen rechtszaken in beginsel live via tv of internet gevolgd worden. Dat is toch een doorbraak. Het nieuws kwam vorige week, in de marge van de ‘Dag van de Rechtspraak’. Daar horen lezingen en discussiepanels bij – en zo zat ik vorige week in de hal van de Raad voor de Rechtspraak tussen de persrechters, presidenten, voorlichters en ander communicatievolk me stilletjes op te vreten. Het ging voor de zoveelste keer over (nieuwe) media, beeldvorming en ‘reputatiemanagement’. Meestal versmallen die discussies zich tot de vraag of rechters ‘bij Pauw en Witteman moeten gaan zitten’. Nee natuurlijk, is meestal de conclusie. De horreur! Dertig seconden spreektijd, met het risico dat Jan Mulder naast je gaat zitten stoken. Brrr.
Fijn meewaaien met de mediacratie is niet de kern
Vorige week ging het om Facebook, Twitter en LinkedIn. En of rechters op die sociale netwerksites iets te zoeken hebben. Het enthousiasme was voorspelbaar gering. De gespreksleider, een persrechter uit Zwolle, bekende een zakelijk profiel op LinkedIn te hebben. Niet iedereen in de zaal vond vermelding op deze arbeidsmarktwebsite voor professionals al een goed idee. Toch moeten ze iets, die rechters.
Na diverse publieke dwalingen en het deerniswekkende gestuntel in het proces Wilders is het de rechtspraak wel duidelijk dat ze een probleem heeft. De rechtspraak deelt in de gezagscrisis tussen overheid en burger, na Fortuyn. Gezag bestaat tegenwoordig pas als de mondige burger het toekent. Rechters moeten dus de burger serieus nemen, beslissingen motiveren en het recht uitleggen. Ook als het ingewikkeld is. Wat meestal zo is. De tijd dat de rechter vanaf de Olympus het geschil in orakeltaal beslechtte, waarna de bode achterwaarts de zaal uitschuifelde met de hermetische tekst, is echt voorbij.
Vandaar die camera’s in de rechtszaal, in de ijdele hoop dat het begrip dan vanzelf toeneemt. Ik wens ze veel succes en dat bedoel ik niet cynisch. Ik ben blij met iedere nieuwe vorm van openbaarheid – de televisiejournalistiek is te lang op achterstand gezet. Maar ik voorspel ook dat het tobben met de reputatie in het publieke domein hiermee niet ophoudt. En dan niet alleen omdat er af en toe een togadrager zelf moet voor komen. Waar de kranten dan bovenop springen. Inderdaad, ook deze. De bitterheid daarover was goed hoorbaar.
Ik zat mijn ongeduld in het prachtgebouw van de Raad vooral te verbijten omdat er een hele ochtend werd verbeuzeld aan bijzaken. De kern van de rechtspraak is immers het doen van heldere en tijdige uitspraken. Het gezag en de reputatie van de rechter wordt daardoor bepaald. En dàt moet in orde zijn. De rest is franje, meewaaien in de mediacratie.
Zoals bestuurskundige Paul Frissen het in zijn lezing ’s middags eenvoudig uitdrukte: „Vooral slecht presteren bedreigt de legitimiteit”. Dat is volgens hem „het grootste risico” dat de rechtspraak loopt. Een waarheid als een koe. Maar toch nuttig om te vermelden, al was het maar omdat bij dit onderwerp altijd de ‘communicatie professionals’ komen pronken. Zij maken immers die websites, regisseren de beelden en persberichten en bepalen de toegang tot de rechters. Daardoor lijkt het al gauw alsof meer licht en geluid de oplossing vormt.
Maar de echte kwestie is natuurlijk hoe de rechtspraak sneller en beter kan werken. In het interviewonderzoek van Frissen naar de reputatie van de rechtspraak kwamen een paar bijtende kwalificaties voor. Er was sprake van een conservatieve bedrijfscultuur, een organisatie bestuurd door amateurs (rechters zelf), onmachtig om bijvoorbeeld hogere doorlooptijden te realiseren. „Tegenwoordig wordt bij elke bushalte aangegeven hoe lang je nog moet wachten, maar bij de rechtspraak…” Dat sommige zaken tien jaar kunnen duren is niet meer verkoopbaar. De rechtspraak is, met een nieuw en platzak kabinet op de stoep, toe aan een paar echte vragen. Doen ze wel het goede en doen ze dat wel goed genoeg?
Op ivorentoga.nl geven sinds kort vier praktijkjuristen, van wie drie uit de rechtspraak, alvast nieuwe ideeën. Dáár zou zo’n ochtend aan besteed moeten worden, wat mij betreft. Moet het héle dossier wel gelezen worden, door alle leden van een meervoudige kamer? Waarom doet de strafrechter eigenlijk zo weinig zware en zo ongelooflijk veel lichte zaken af? Het zijn nuchtere praktijkobservaties. Met een beetje googlen vind ik ook een paar Europese ideetjes, geleend uit een presentatie van IMF-deskundige Sebastiaan Pompe.
Het Finse gerechtshof in Rovaniemi sprak met zichzelf af dat geen enkele zaak er langer dan 12 maanden mag duren. In Noorwegen geldt dat alle strafzaken in drie maanden en alle civiele zaken in een half jaar af zijn. In het Verenigd Koninkrijk gelden harde deadlines van 15, 30 en 50 weken voor verschillende typen zaken. Duitsland kent de ‘Nachschau’ praktijk: appelrechters inspecteren rechtbanken als zaken daar langer dan een jaar duren. En mijn favoriet: in Noorwegen mogen vonnissen niet langer dan 12 pagina’s zijn. Het leven kan soms zó simpel zijn.
