Belangrijk: Voor het goed functioneren van nrc.nl maken wij gebruik van cookies (meer informatie).
Hiervoor hebben wij wel eerst je toestemming nodig. Klik op de groene knop als je hiermee akkoord gaat.

Burn-out komt niet voor eigen risico – en ander leed

Binnenkort wordt de hoogte van de schadevergoeding bekend voor de accountant die zich kapot werkte. Hij moest ieder jaar een half jaar structureel twintig uur per week overwerken en deed dat decennia. Dat leidde tot een definitieve burn-out en permanente arbeidsongeschiktheid.

Niet aan beginnen: compensatie vragen voor een beroepsziekte tenzij je 10 jaar tijd hebt

Na jaren procederen besloot de rechter dat de werkgever zijn zorgplicht had geschonden. In dit geval had de werkgever zich beperkt tot een ‘piepsysteem’. De accountant had van zijn baas ‘alle ruimte’ gekregen om klachten te melden ‘en dat mocht ook van hem worden verwacht’. Dat vond de rechter dus niet. Werkgevers moeten personeel beschermen, ook tegen zichzelf. Als een werkgever iemand treft die geen nee kan zeggen, moet de werkgever dat voor hem doen. Over de kop werken is dus niet voor eigen risico.

Deze werkgever werd in 2009 definitief aansprakelijk gesteld. Over de hoogte van de vergoeding wordt sindsdien geprocedeerd. De verzekeraar hangt kennelijk zo lang mogelijk aan de rem. Die tactiek heet ‘uitroken’ en komt veel voor bij aansprakelijkheidskwesties. Het is puur armpje drukken. Kijken wie de langste adem heeft, de grootste mentale weerstand, het minste belang bij snelheid en de diepste zakken, om advocaten en deskundigen te betalen. Dat is ook wat opvalt aan dit soort zaken. De ongelijke positie van de werknemer, de financiële risico’s, de oneerlijke verdeling en de lange duur. Soms vragen rechters meerdere deskundigen om een onderzoek. De kosten moeten dan voorgeschoten worden door de eisende partij, de zieke werknemer.

De gemiddelde lengte van een beroepsziektezaak is inmiddels tien tot twaalf jaar. Alleen dat vraagt al om aan verbetenheid grenzende discipline bij het slachtoffer. En een ruim procesbudget. Individuele werknemers kunnen dergelijke zaken vrijwel nooit financieren: rechtsbijstand, verzekeraars of belangenclubs nemen het over. Soms zelfs van elkaar, als bij de een het geld op is. Mits de werknemer is aangesloten of verzekerd. De grootste is het Bureau Beroepsziekten van de FNV, dat de afgelopen tien jaar 4.500 aanmeldingen van leden kreeg – en na onderzoek 762 claims indiende. Tachtig procent daarvan werd geschikt, na gemiddeld zes jaar onderhandelen. Over de rest wordt geprocedeerd.

Het kost de bond doorgaans meer dan het de werknemer oplevert. Maar het geld is goed besteed, vinden ze daar. Het bestrijden van de ellende die werknemers wordt bezorgd door uitbuiting, hebzucht of domheid is een kerntaak. De laatste twee jaar wordt er geoogst. Vorig jaar werd in totaal twee miljoen euro binnengehaald. De meeste individuele zaken worden nu gewonnen. Soms is de werknemer dan al dood. Onlangs werd vervoersmaatschappij Connexxion ‘preventief’ en ‘collectief’ aansprakelijk gesteld voor de rugklachten die chauffeurs van stuiterende buurtbusjes oplopen. Dat is meer een pr-actie dan een echte claim, maar het tekent de sfeer. De hoogste compensatie tot nu toe was voor een onderhoudsmonteur die geheugenstoornissen kreeg van de oplosmiddelen waarmee hij werkte. Dat was een relatief laagbetaalde dertiger, wiens loonderving, pensioenschade en smartengeld 650.000 euro opleverde.

Dit verhaal begon met asbestblootstelling in de jaren tachtig en negentig. Sindsdien wordt er geprocedeerd over lawaaidoofheid, versleten gewrichten, RSI, schildersziekte, kapperseczeem en burn-out. Meestal zijn het modale werknemers, in de bouw of de productie – variërend van tandtechnici en schilders die van de chemicaliën neurologisch beschadigd raken tot kantoorwerkers die levenslang veertig uur achter een beeldscherm in één houding betalen met een handicap. De erkenning door de rechter van burn-out als beroepsziekte opent perspectieven voor de managers wier telefoon permanent rinkelt. Juridisch is dat hetzelfde als de giftige haarverf van de kapper. Maar beide wacht dezelfde lijdensweg in de rechtszalen.

Deze week was er een symposium over het ‘deskundigenbericht’ dat de rechter mag vragen. De kosten lopen uiteen van gemiddeld 7.600 tot 15.000 euro. Gemiddeld kost zo’n zaak de werknemer 44.000 euro, hoewel een ton ook voorkomt. Feitelijk hoeft de werknemer alleen te bewijzen dat hij ‘is blootgesteld’. Dat de ziekte daardoor ‘kan zijn veroorzaakt’ en de werkgever zijn zorgplicht schond. Maar vaak eisen rechters aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van het verband tussen blootstelling en ziekte. Daardoor verzwakt de positie van de werknemer verder, althans dat vond universitair onderzoeker W. Eshuis die 17 dossiers onderzocht. Op de uitkomst van beroepsziekteprocedures is geen peil te trekken, stelden de experts vast. Als je al aan de fondsen kunt komen om eraan te beginnen. Een lawyers’paradise dus.

Geplaatst in:
Civiel recht
Opinie
Lees meer over:
beroepsziekte
eigen risico
FNV
schadevergoeding
werknemers
ziekte

8 reacties op 'Burn-out komt niet voor eigen risico – en ander leed'

Ir Carel Smeets

In het verhaal wordtgenoemd dat een beroepsziekterechtzaak tien tot twaalf jaar duurt, een absurd lange tijd. Maar ook bij gewone, eenvoudige zaken duurt het hele rechtsproces altijd onnodig lang. Twee tot drie jaar wordt normaal gevonden, ook bij zaken waar de schuldvraag niet eens meer ter discussie staat en die in enkele weken afgerond zouden kunnen worden als rechters eens efficient zouden plannen en niet al die tijd zouden gunnen om weer nieuwe zienswijzen te berde te laten brengen.
In mijn gesprekken met rechters blijkt dat ze dit alles normaal vinden; ze begrijpen eigenlijk niet waar je het over hebt. Ze hebben er ook geen belang bij en worden er kennelijk niet op aangesproken.
Het zou heel interessant zijn als u hier eens aandacht aan zou kunnen geven.

Siegfried Bok

Gezien de ernst en omvang van de juridische problemen rond de conflicten tussen werkgevers en werknemers is wel – voor mij althans – duidelijk dat er meer aan de hand is.
Ten eerste is er de duur van de juridische afwikkeling,die duidelijk maakt dat de macht van de superieuren [de werkgever in dit geval] vele malen groter is dan die van de “ondergeschikte”.
In de wereld in het groot heet dit “vrije markt economie”.
Ten tweede lijkt niemand te beseffen dat het leven op schulden [ hypotheken op onroerend en roerend goed ] de lener van het “stinkend geld” slaaf maakt van de geldverstrekker. Dit maakt dat hij/zij in zo’n schuld-situatie sowieso gedwongen wordt – al is het alleen om zijn/haar gezin te onderhouden – bij tegenslagen zich toch genoodzaakt ziet om harder te werken dan feitelijk kan.
Zeker in crisis-situaties als waarin wij nu verkeren is duidelijk te zien hoe met name het “armlastige deel” van de bevolking met name de dupe wordt van deze scheefgroei.
Ten derde – en dat is een onderwerp waar niemand bij lijkt stil te staan – is het niet voor niets dat men haast al bijzonder is als wij niet allerhande medicijnen of pepmiddelen gebruiken om goed te kunnen functioneren.
Ik was zelfs arts/specialist en verbaasde mij dat het ziekenhuis waar mijn vader als geneesheer/directeur de scepter zwaaide in mijn jeugd zo’n 3 keer zo groot werd en er zo’n 5-6 keer meer specialisten bij kwamen.
Toen ik zelf de medische opleiding volgde – dit heet zo mooi “familietraditie-getrouw” of “erfelijk bepaald” was dit ook mijn hamvraag en werd een onderzoek dat mijn hele leven kleurde.
Ik werd arts/specialist en kwam door een toeval in aanraking met de zgn. electro-acupunctuur, waarin men door metingen van de orgaan-activiteit via de meridianen een beeld kon krijgen van “onbalanzen in het lichaam”, die tot ziekte leiden.
Met deze methode kon ik maximaal drie generaties [ kinderen, ouders en grootouders] volgen en tot mijn opperste verbazing kon ik vaststellen dat ten eerste kinderen lijkend op één van beide dezelfde – maar ernstiger – disbalanzen vertoonde.
Dit is wat wij erflast noemen.
Nog frappanter was het dat die metingen aantoonde dat “lichaam en geest” één waren en dat alle karakterologische kenmerken als zeikers, hartelijke of milde mensen zo met dit onderzoek aan het licht kwamen.
Dat verklaarde voor mij hoe de aanstormende jeugd ook steeds meer leek te ontsporen en/of onevenwichtiger werd.
Dat verklaarde het voor mij, maar aangezien de medische wereld dit alternatieve onderzoek als “onzinnig en nutteloos” bestempelt, is en blijft het een taboe.
Maar het betekent tevens dat zgn. burn-out bij zo velen niet zomaar uit de lucht komt vallen.
Het betekende tevens dat ik antwoord vond over mijn aanvankelijke hamvraag over de explosieve groei van ziekte.
Wat ik ook probeerde om hierover via de publieke media aandacht te vragen, het is me niet gelukt.
Nu ben ik inmiddels op de pensioen-gerechtigde leeftijd en heb het bijltje al lang begraven.
Maar triest is het wel.

Paul Kirchhoff

Een lawyers paradise maar een poel van ellende voor degene die door een beroepsziekte getroffen wordt.

Met Ir. Smeets ben ik van mening dat de procespraktijk bij een vordering tot schadevergoeding eens flink opgeschud moet worden.
Of dat nu een schadevergoeding voor een werknemer betreft of een vordering van een onderneming het duurt aantoonbaar langer dan noodzakelijk is.

De procedure in de Exota kwestie voor schadevergoeding wegens onrechtmatige daad tussen de heer Leutscher en de VARA heeft ruim 25 jaar aangesleept.
De eiser was al overleden toen de uitspraak kwam.
Voor de heren Poot sr. en jr., eisers namens Chipsol, staat ook een lange wachttijd in het verschiet.
En een eenvoudige burger?
Die wacht geduldig tot de bestuursrechter na 6 jaar zijn zaak in eerste aanleg behandeld.
Ook daar heerst veel leed door de stroperigheid van het juridische systeem.

Wout van Veen

Eerst even een correctie: De wn hoeft niet te bewijzen dat de wg zijn zorgplicht schond. De wg moet bewijzen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan.
Volgens onze Grondwet en internationale verdragen is het een overheidstaak de toegang tot het recht te garanderen. Voor de individuele rechtzoekende zou daarom een mogelijkheid moeten bestaan op de overheid terug te vallen bij onbetaalbare deskundigenkosten. Maar een groot deel van de problematiek wordt gecreëerd door de arbeidsomstandigheden waaronder werknemers moeten werken. Het zou daarom mijns inziens voor de hand liggen dat de werkgevers en hun verzekeraars meebetalen aan een door de overheid in het leven te roepen rechtshulpfonds.
Wat mij betreft zou dit fonds niet beperkt behoeven te blijven tot slachtoffers van beroepsziekten, maar zich kunnen uitstrekken tot alle gevallen, bijv. verkeersslachtoffers, waarin een individuele rechtzoekende komt te staan tegenover een kapitaalkrachtige wederpartij, zeer dikwijls een verzekeraar.

Kees Zwarte

Inderdaad, een lawyers paradise, maar niet alleen in de praktijk van de beroepsziekten. Dit fenomeen doet zich voor in de letselschadepraktijk in brede zin. Het gehele traject is lang en complex: eerst moet vastgesteld worden wie er aansprakelijk is, daarna volgt de causaliteitsissue: in hoeverre is de ziekte of het letsel het gevolg van een ongeval en tenslotte moet de hoogte van de inkomensschade worden vastgesteld. Het liefst allemaal in minnelijk overleg met de aansprakelijke tegenpartij of haar verzekeraar. En ondersteund door medische, juridische en financiële deskundigen. Door het door Jensma geschetste uitrookproces, gaan daar vele jaren mee gemoeid, zonder dat er een rechter aan de pas komt. Kom je er “minnelijk” niet uit, dan volgen nog vele jaren van procederen. Het is dus mede de opstelling van de verzekeraars die er voor zorgt dat het proces lang duurt. Ook is het voor verzekeraars gunstig de procesgang af te wachten: er is een kans van 50% dat de schadevergoeding lager uitvalt dan bij een minnelijke onderhandeling (zie de uitkomsten van Eshuis). Ook de letselschade advocatuur heeft geen belang bij een kort minnelijk traject: hun kosten worden in principe conform artikel 6:96 BW vergoed door de verzekeraar, hun belang is het minnelijke onderhandelingsproces zo lang mogelijk te rekken en toe te zien op de volgtijdelijk gang naar de rechter. Verzekeraars en letselschadeadvocaten: het zijn twee handen op één buik wier belangen er voor zorgen dat letselschade processen zeer lang duren. Pas als de minnelijke fase achter de rug is, komt de rechter aan bod. als het tegenzit laat die alle deskundigenonderzoeken nog eens dunnetjes over doen….En zo kan het gebeuren dat letselschade praktijken tot 10 jaar het leven van de slachtoffers beroeren, emotioneel en financieel: dat is de echte schade van letselschade. Dankzij de gemeenschappelijke praktijk van verzekeraars en letselschadeadvocatuur.
En daarom laten veel slachtoffers het er maar bij zitten. Het vergt in Nederland buitenproportionele inspanning om als zieke of slachtoffer om dit gebied je recht te halen.

Cees de Bil

Geef door die pijp, dan stopt het roken

De column van NRC-auteur Folkert Jensma is duidelijk: werknemers hebben het bepaald niet gemakkelijk als zij terecht willen opkomen voor hun belangen als door een arbeidsongeval of overbelasting hun perspectief op een voortgezette carrière wordt beperkt of hen zelfs geheel wordt ontnomen.

goed geregeld
Aan het juridische kader ligt het niet, dat is eigenlijk al jaren duidelijk: als een werknemer door z’n werk uitvalt en daardoor (letsel) schade oploopt is de werkgever daarvoor verantwoordelijk. Waarom? Omdat de werkgever profiteert van de inzet en prestaties van de werknemer. Normaal gesproken is de tegenprestatie daarvoor het loon. Maar als de reden voor loondoorbetaling komt te vervallen omdat de werknemer zich ten koste van zichzelf heeft ingezet en daardoor niet meer in staat is zijn aandeel in de samenwerking te leveren ontstaat er een onbalans.

Dat is de reden voor compenserende schadevergoeding. Niet per sé omdat de werkgever een fout heeft gemaakt, maar omdat we met elkaar vinden dat op deze wijze de verantwoordelijkheden en risico’s ook dan op een acceptabele wijze moeten worden verdeeld. De werkgever is daarvoor doorgaans ook goed verzekerd. Zo dragen we met elkaar de lusten èn de lasten en is er een maatschappelijke en sociale voorziening voor wie zich “kapot” heeft gewerkt.

Aanleiding voor de column van Jensma is de rechtszaak van de accountant die geen nee kon zeggen en zich daardoor over de kop heeft gewerkt. De werkgever heeft ook in dit geval een (financiële) verantwoordelijkheid voor de schade die de werknemer daardoor lijdt, oordeelde de rechter. De werkgever wil deze mogelijk ook best nemen, alleen… voor (of is het : tegen) het risico van wettelijke aansprakelijkheid was hij, zoals gebruikelijk is, verzekerd. Goed geregeld dus, zou je denken. Niet.

armpje drukken?
De betrokken verzekeraar maakt meer dan eens de verbitterde stamkroegverhalen ook in de 21e eeuw nog volop waar: “(…) De verzekeraar hangt kennelijk zo lang mogelijk aan de rem. Die tactiek heet ‘uitroken’ en komt veel voor bij aansprakelijkheidskwesties. Het is puur armpje drukken. Kijken wie de langste adem heeft, de grootste mentale weerstand, het minste belang bij snelheid en de diepste zakken, om advocaten en deskundigen te betalen. Dat is ook wat opvalt aan dit soort zaken. De ongelijke positie van de werknemer, de financiële risico’s, de oneerlijke verdeling en de lange duur. Soms vragen rechters meerdere deskundigen om een onderzoek. De kosten moeten dan voorgeschoten worden door de eisende partij, de zieke werknemer.

De gemiddelde lengte van een beroepsziektezaak is inmiddels tien tot twaalf jaar. Alleen dat vraagt al om aan verbetenheid grenzende discipline bij het slachtoffer. En een ruim procesbudget. Individuele werknemers kunnen dergelijke zaken vrijwel nooit financieren (…)”, aldus Jensma.

Als dit al bevestigt wat op verjaardagen de ronde doet, is dat toch geen nieuws? Misschien niet nee, maar wel reden om een voorstel te doen om daar dan nu eindelijk eens een eind aan te maken.

verantwoordelijkheid
De uitvoering van een maatschappelijke verantwoordelijkheid is geen vrijblijvende uitnodiging aan werkgevers en verzekeraars. Zij geven aan de geadresseerden een serieus te nemen taak: zorg goed voor degenen die op de weg naar mooie ondernemingsresultaten en aansprekende beurskoersen in de knel komen of zelfs uit de boot vallen. Ook vanuit welbegrepen eigenbelang zou deze opdracht eigenlijk voldoende stimulans moeten zijn om uit- en afvallers een uitgestoken hand te bieden. Of is dat te naïef? Staat de korte termijn resultaatsdrift het nemen van verantwoordelijkheid daarvoor te bepalend in de weg? De verzekeraar is de werkgever niet. Dat kan ook maken dat verantwoordelijkheid niet zomaar wordt gedeeld.
anders
Daarom stel ik voor om dat eigenbelang nog wat verder te benadrukken en de verzekeraar tenminste bij een gebleken verantwoordelijkheid te belasten met de werkelijk gemaakte kosten die de terecht aanspraak makende werknemer op weg naar vergoeding van zijn schade heeft moeten maken. Tot nu toe schiet hij daar meestal fors bij in. Kosten zijn voor verzekeraars een gruwel, beperking daarvan levert concurrentievoordeel op bovendien. Als sneller en beter acteren de kosten echt beperkt, dan prikkelt dat vast ook.

omgekeerd beter
Nog beter ware het dan om de procedurekosten – net zoals de kosten die bij minnelijk overleg – primair en als uitgangspunt bij de verzekeraar te leggen. Om maatschappelijke redenen natuurlijk. En in het belang van het imago van de verzekeraars bovendien. Een extra prikkel om het goed te doen en verantwoordelijkheid te nemen. Want uitroken werkt dan echt niet meer en wie traineert rookt de zware pijp dan zelf. Komen er dan steeds meer en onterechte claims? Dat valt vast mee en de verzekeraar kan dan altijd nog – als zij meent dat er echt op onacceptabele wijze van haar maatschappelijke verantwoordelijkheid wordt gemaakt – de rechter vragen om onterecht aan haar zijde ontstane kosten voor rekening van die misbruikmakende werknemer te brengen.

Want misbruik mag gestraft, toch?

Paul Kirchhoff

Waarom niet een duidelijk traject vastleggen waarbinnen de juridische weg met termijnen en al is vastgelegd?
Vertragingstactieken die volop door verzekeraars worden ingezet worden daarmee uitgesloten.
Daarnaast lijkt het mij aan te raden een lijst met onafhankelijke deskundigen aan te leggen die door de rechtbank beedigd zijn. Uiteraard is daarmee de optie die verzekeraars hebben hun “eigen” deskundigen onderzoek te laten doen meteen uitgesloten.
Weliswaar wordt de rechtspositie van verzekeraars wordt hiermee beperkt maar de geschiedenis leert dat verzsekeraars bij claims mbt arbeidsongeschiktheid en letselschade nimmer oog hebben voor de belangen van de benadeelden.
Het gaat de verzekeraar er slechts om met alle middelen de claim te beperken of zelfs af te wijzen.

Hans Schilder

Het is de vraag of dit soort zaken de rechter moeten passeren. Met de oprichting van een onafhankelijk gespecialiseerd uitvoeringsinstituut voor letselschadeafhandeling kunnen we heel veel kosten en leed besparen. Helaas zijn er nogal wat belangen gemoeid met handhaving van de status quo.