Belangrijk: Voor het goed functioneren van nrc.nl maken wij gebruik van cookies (meer informatie).
Hiervoor hebben wij wel eerst je toestemming nodig. Klik op de groene knop als je hiermee akkoord gaat.

Het gezag van de rechter bladdert af

Dat het gezag van de rechter niet meer is wat het was, is een trend. Graag achteraan aansluiten, bij het afbladderen van het gezag van de pastoor, de politicus, de dokter, de hoogleraar en ongetwijfeld ook ‘de krant’. Ontzuiling, individualisering, internet, globalisering – oorzaken zijn er te over. Dat proces lijkt bij de rechtspraak nog in de kinderschoenen te staan. Daarom is het ook zo interessant om het van nabij te volgen.

Wie begint er mee, welke vorm krijgt het en hoe reageert de rechtspraak? En wijken de reacties op de frauderende hoogleraar af van die op de meinedige rechters? Zien we hier de calculerende burger die de rechterlijke uitspraak voortaan als ‘ook maar een mening’ afdoet en in hoger beroep verder winkelt? Of wakkert de rechter de legitimiteitscrisis van overheid en zichzelf aan door incidentele dwalingen, wrakingen of onbevredigende vrijspraken? De rechtspraak zelf neigt tot bagatelliseren dan wel stilzitten. Net als trouwens de wetenschap, die ondanks de affaire Stapel een zonnige blik heeft behouden op het zelfreinigend vermogen. In het bestrijden van plagiaat hebben universiteiten alleen weinig zin, zo schreef deze krant. De spectaculaire dwalingen in de zaken over de Schiedammer moord, Lucia de Berk en Ina Post hebben achteraf alle strafrechters voorzichtiger gemaakt: er kwamen meer vrijspraken. Maar een interne audit is uitgebleven, bij mijn weten. Grote bedrijven lichten na een debacle alle procedures en beslissingen systematisch door. Er worden lessons learned-sessies gehouden. De Teneriferamp bij de KLM bleek terug te voeren op haperende communicatie en hiërarchie. Dat leidde tot een complete herijking van de cockpitverhoudingen. De rechtspraak zocht de oorzaken buiten de deur: bij de kwaliteit van de gerechtsdeskundigen. De weerstand tegen externe specialisten als lekenrechters is overigens wel verminderd. Maar mijn indruk is dat de dwalingen als incidentele defecten in een overigens prima fungerend systeem worden gezien.

Dat proef ik ook in de reactie van de Raad voor de Rechtspraak op de recente vervolging van twee rechters wegens meineed. Weliswaar betreft meineed de kern van het rechtersambt, maar dat is een incident dat we niet moeten ‘dramatiseren’. Nee, laten we dat niet doen. Maar laten we ook niet klein maken wat groot is. De verdediging van één van die twee verdachte rechters is toch jarenlang door de Raad gefinancierd. Diezelfde rechter bleek in zijn ambtsperiode als betaald juridisch adviseur bij te klussen. Daar zitten ernstige bestuurlijke taxatiefouten achter en grote integriteitsproblemen. En waarom zou dat alleen deze ene rechter betreffen? Hoe kon dit? Herhaalt zich dit? Wegkijken is hier gevaarlijk: het versnelt het afbladderen van het rechterlijk gezag.

Uit de dagelijkse rechtspraktijk kende ik tot nu alleen Peter R. de Vries, die in 2010 de rechter schoffeerde. Hij deed precies dat wat de rechter hem verbood. Namelijk het uitzenden van heimelijk gemaakte opnamen. SBS6 en Endemol vatten de dwangsom van 30.000 euro als boete op en betaalden. Een herhaling voorkwam de rechter met een dwangsom van twee maal 500.000 euro. Nu ook te betalen door De Vries zelf. Dat hielp, maar het rechterlijk gezag was toch beschadigd.

Exact hetzelfde gebeurde eind vorige maand voor een Amsterdamse kantonrechter. Daar was het de firma IBM, die een dwangsom benutte als een kans om een onwelgevallige uitspraak te negeren in plaats van uit te voeren. Dat een tv-journalist de rand opzoekt kan ik wel volgen. Maar zo’n groot bedrijf? Of is dat juist de oorzaak? Arrogantie in de directiekamer na een mislukt ontslag? Dat ‘natuurlijk’ toch doorgezet moest worden, ongeacht de ‘mening’ van zo’n rechter? Dit bedrijf had er 50.000 euro dwangsom voor over om de opdracht van de rechter te negeren een employee weer in dienst te nemen. Althans, daaraan begon het allerlei eigen condities te stellen.

In de vervolgprocedure leest de rechter IBM dan op zeldzame wijze de les. Een dwangsom zou toch voor een ‘concern als IBM’ eigenlijk helemaal niet nodig moeten zijn, sneert de rechter. „Door het vonnis niet uit te voeren heeft IBM te kennen gegeven de rechtbank in zeer ernstige mate te minachten, welke attitude een concern als IBM geenszins past.” En dus komt er een dwangsom die de „bedrijfsvoering zal raken”. 10.000 euro per dag met een maximum van 5 miljoen. Kortom, doen wat ik zeg. De ontslagen werknemer binnen 48 uur zijn werk teruggeven en het achterstallige loon betalen. De hartelijke groeten verder. Was getekend J. Westhoff, kantonrechter. Gezag – het komt te voet en het gaat te paard. Deze rechter probeerde het paard in te halen. Dat zullen we vaker gaan zien.

Geplaatst in:
Opinie
Staatsrecht
Lees meer over:
raad voor de rechtspraak
rechtersambt

48 reacties op 'Het gezag van de rechter bladdert af'

Ronald de Rooij

Over die dwangsom, IBM lacht natuurlijk ook over 5 miljoen. Als de directie er een principezaak van wil maken, althans. Ik ken de zaak verder niet, dus ga ik er verder niet op in. Over de rechtspraak als “maar een mening”. Ja, mensen zijn niet dom, volgzaam en slaafs meer. Dat heeft de elite zo gewild om herhalingen van kuddegedrag uit Duitsland in de jaren dertig te voorkomen (en daarvoor in WOI). Bovendien was het mooi meegenomen dat men zich aldus ook tegen het communisme kon afzetten. Nu is die genereatie groot. Ze weet dat meningen altijd relatief zijn. Ook die van de wetgever en ook die van de rechter. Dus ja, het is maar een mening. Echter, we hebben het wel met zijn allen nodig dat we die mening respecteren, anders wordt het voor iedereen onaangenaam. Alleen, door het individualisme van nu, ziet men dat niet meer zo. MIJN belang gaat voor MIJ natuurlijk voor het algemeen belang, denkt men dan. Tja.. Waar het eindigt is anarchie natuurlijk. Daar moet je zin in hebben. Is ook een mening.

ing. S.K.A. Brown

In uw betoog ontbreekt m.i. een belangrijke factor en dat is n.b. de staande Magistratuur , toch niet een onbelangrijk element van de Rechtbank.

Ik wijs u op de uitlatingen van de voormalige voorzitter van het college procureur-generaals Brouwer en de huidige voorzitter van het college Bolhaar m.b.t. Peter R de Vries. (http://nos.nl/audio/270797-bolhaar-om-het-zal-wennen-zijn-als-peter-r-stopt.html ). De Vries heeft al jaren lak een gerechtelijke uitspraken de wet.
Toch hebben beide zich publiekelijk tot een bewonderaar verklaart van de gedragingen en programma Peter R de Vries. Sterker nog Bolhaar verklaarde de methodieken van Peter R de Vries zelf tot voorbeeld van justitie.
Het bredere publiek /Het Volk krijgt daarmee een signaal dat het negeren van een gerechtelijke uitspraak een geoorloofde gedragingen is n.b. door justitie zijnde de staande Magistratuur , een onderdeel van de Rechtbank.

Zie ook in deze o.a.: http://demaffiajournalist.blogspot.com/2012/02/onderzoeksjournalistiek-uit-duckstad.html

Reinier Bakels

Het grote publiek snapt niets van “De Juridische Methode”. Ik kan daarvan meepraten, want tot ik (op latere leeftijd) rechten ging studeren snapte ik er – terugkijkend – ook weinig van. het is merkwaardig dat je een gymasiumopleiding kunt afmaken zonder ook maar enige juridische kennis op te doen. Iedereen zou op school wat juridische kennis moeten opdoen.

Neem het proces-Wilders. Wat daarover niet aan onzin is gedebiteerd, zelfs in de serieuze pers. En dat een inhoudelijk zeer middelmatige show-advocaat als Moszkowicz als “topadvocaat” wordt aangeduid is ook een veeg teken. hij bevestigt het vooroordeel dat een “strafpleiter” er is om de veroordeling van verdachten te hinderen.

De pers leeft van incidenten, in haar jacht op kijk- en oplagecijfers. Inclusief NRCH. Wie vertelt het publiek dat dat er ook nog civiele rechtspraak is, die eigenlijk veel belangrijker is dan de strafrechtspraak? En waar de échte topadvocaten actief zijn?

Rechters kunnen vooral bijdragen door duidelijker te communiceren. Nederlandse arresten en vonnissen zijn bijna onleesbaar. Zelfs Duitser rechters schrijven veel duidelijker. En hebben geen koudwatervrees om een arrest in een paar regels (“Leitsatz”) samen te vatten.

Sander van der Linden

Taxatiefouten en inschattingsproblemen, ze zijn aan de orde van de dag. Ik lees zojuist over een Haagse kantonrechter die bepaalde dat godsdienstige regels boven de wet staan.

“„De religieuze plicht weegt zwaarder dan de plicht om te voldoen aan de wettelijke voorschriften in Nederland”, aldus persrechter Elkerbout. Deze principiële uitspraak kan grote gevolgen hebben voor andere religies. „Bijvoorbeeld voor het boerkaverbod. Het zou zo maar kunnen zijn dat moslima’s met deze uitspraak in de hand stellen dat zij de wet niet overtreden omdat de boerka een godsdienstige verplichting is”, stelt professor Herman Loonstein.”

Dat hiermee een vrijbrief is gegeven voor iedereen die meent dat zijn geloof in een vermeent opperwezen reden is om niet aan de wet te voldoen, is blijkbaar niet doorgedrongen tot deze magistraat. Ik ben erg benieuwd hoe zich dit verder gaat ontwikkelen. Als we toestaan dat religies de wet gaan bepalen kunnen we onze wetboeken meteen bij het oudvuil zetten.

Theo Nieuwenhuizen

In het familierecht nemen rechters stelselmatig, in de overgrote meerderheid dus,de beslissing om bij echtscheiding de vader uit het leven van zijn kinderen te bannen. Zijn hulpdiensten, de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdzorg, koken de zaak voor, dwz zetten die vader reeds in de hoek waar de klappen gaan vallen. Hierbij nodigen ze moeder stilletjes uit meer en meer dwars te gaan liggen. De rechter meent dat ie er ook niets aan kan doen en fungeert als beul. Dit alles om blindelings het principe “moeders wil is wet” uit te voeren.

Laatst nog zo’n geval. Kinderen wonen bij vader, willen daar ook blijven. Neen, zegt de rechter, ik pas het klemcriterium toe, ze moeten naar moeder. Dit mag men niet “lukraak” noemen, het was een gelegenheidsargument voor de “enige” oplossing: kinderen naar moeder. Al decennia lang, ook in 2012.

Onze familierechtspraak is uit het stenen tijdperk, die schade doet aan de kinderen, de vaders en, jawel, de moeders ook. Wanneer schrijft het NRC daarover?
Stichting Ouders zonder Omgang

a.zecha

“Het” “gezag” van “de” “rechter” bladdert af.
Waar gaat “het” over? is m.i. een vraag waarvan de beantwoording meer klaarheid kan brengen over wat er “afbladdert”.

Het denken in en het leven met abstracties staan tegenover leven en denken met bestaande en waarneembare feitelijkheden is een antwoord dat m.i. meer duidelijkheid kan verschaffen en ver-dwalen kan belemmeren.

Korter geformuleerd: leven en denken met imago’s en ficties staan m.i tegenover leven en denken met waarneembare werkelijkheden.

Beide leef- en denkwerelden hebben hun eigen fundamentalisten, wiens leven zin ontleent aan strijd en krijg.
a.zecha

Liesbeth Hemrica

Ik heb de uitspraak van de kantonrechter gelezen. De zaak is een sprekend voorbeeld is van de inflexibiliteit van de arbeidsmarkt, waar de werknemer (man, hoog salaris) met een vast dienstverband, maximaal wordt beschermd. De rechter past enkel de wet toe, maar het valt mij wel op dat dit soort zaken doorgaans alleen spelen bij werknemers met een hoger inkomen, die zich een advocaat kunnen veroorloven die er grondig werk van maakt. De meeste rechtsbescherming (in dit geval financiel: een jaar doorbetaald salaris inclusief bonus, rente, wettelijke verhoging en blijkbaar de dwangsom, en er komt vast en zeker nog meer) wordt genoten door degenen die het kan betalen. Ik vermoed dat IBM na de op nonactiefstelling een jaar geleden een royale gouden handdruk heeft aangeboden, die door betreffende werknemer is afgewezen omdat na kort geding opheffing van op nonactiefstelling (slaagt meestal) de onderhandelingspositie sterk is verbeterd en de ontslagvergoeding navenant hoger wordt. Immers, dan heeft de werkgever geen enkele machtspositie meer, hij is knock out. Daar staat tegenover dat de board van ondernemingen vaak uit grote ego’s bestaat die geen enkele tegenspraak dulden, wiens woord wet is en die met geld onredelijk of kort door de bocht handelen afkopen. Zo komt een gouden handdruk meestal tot stand.

Het lijkt er op dat hier sprake is geweest van hanengevechten. Wie is de sterkste, wie is het eerst bij de rechter, wie houdt het het langste vol. De werknemer heeft glansrijk gewonnen. Van een wezenlijke schending van rechten (vanuit moreel perspectief) kun je in zo’n geval eigenlijk niet spreken, al geef ik de werknemer groot gelijk dat hij het zo heeft aangepakt. Hier wordt het spel “wie is hier nu eigenlijk de baas” gespeeld, op het laatst doet tegen wil en dank zelfs de rechter daar aan mee.

De rechter heeft naar mijn mening nog steeds zeer veel gezag, maar het zou goed zijn als hij de kans krijgt zich meer over werkelijk onrecht te buigen. Die kans wordt helaas kleiner met de nieuwe wet kostendekkende griffierechten. Daardoor wordt voor de gewone man en vrouw de toegang tot het recht fors bemoeilijkt en dat tast de rechtsstaat pas echt aan. Op de rechtsstaat en niets anders is het gezag van de rechter gebaseerd.

Liesbeth Hemrica (advocaat arbeidsrecht)

Alfred Mol

De rechters die ik ken van tennis, hockey, golf, die zijn in de omgang best aardige mensen.
Echter als ervaringsdeskundige (met 31 jaar procederen mbt IE zaken) moet ik zeggen, dat ik in NL maar weinig correcte en onbevooroordeelde rechters (tw Bondam en prof. Brinkhof) heb meegemaakt.
Er zijn rechters die bewust een verkeerde voorstelling van zaken geven of alleen maar de pleitnotities van een partij lijken te lezen. Hierbij tel ik oa mr EJ Numann en mr JHPJ Willems. In dat geval ben je gedwongen in appel te gaan (en om daar jaren aan het lijntje te worden gehouden).
Er zijn ook rechters zoals mr Dil-Stork, die je beletten te spreken en doen voorkomen, dat zij wel weten hoe de vork in de steel zit. Zo beval KG rechter mr Dil-Stork mijn aanhouding voor gijzeling. Via KG en spoedappel kon er (na 128 dagen) een einde aan de gijzeling gemaakt worden. Vervolgens was het noodzakelijk om via een bodemprocedure aantetonen, dat de gijzeling steeds onrechtmatig was geweest. In eerste instantie probeerde de rechtbank mijn eis aftewijzen, maar bij appel werd beslist, dat de gijzeling “ab initio” onrechtmatig is geweest. Kortom, KG rechter mr Dil-Stork is zich te buiten gegaan aan machtsmisbruik…. Bepaald geen reden om vertrouwen in de rechtspraak te krijgen….

En weer andere rechters zoals bij Hof Den Haag tw voorzitter mevr. mr Fasseur-van Santen slagen erin met allerlei trucs de procedure onnodig jarenlang te rekken. Uiteraard gepoogd via KG rechter en wraking het Hof tot meer spoed aantezetten, maar (zoals te verwachten) voelen zowel KG rechter als wrakingscommissie er weinig voor om het Gerechtshof te veroordelen. De conclusie is, dat een wrakingscommissie van hetzelfde Hof, natuurlijk niet onpartijdig is. Het is wel makkelijk, maar niet zinvol.
Het gevolg was, dat het dan nodig was om bij het Europees Hof obv Art. 13 een procedure te entameren. Hierop is de Staat der Nederlanden dan veroordeeld, dat de rechtsgang in NL onnodig lang duurt. Dit bewijst dan dat de KG rechter en ook de wrakingscommissie eea niet correct hebben willen beoordelen.

Kortom, als ervaringsdeskundige zie ik geen reden voor vertrouwen in NL rechters.

Veronica Cramer

Gezag bladdert altijd af wanneer het niet wordt toegepast.
Wanneer een persoon die het gezag moet toepassen bv een rechter er de hand mee licht, vindt een verdachte waarschijnlijk dat dat voor haar/hem ook mogelijk moet zijn.
Gezag begint thuis en het maakt niet uit of de kinderen hun ouders Truus en Gijs noemen. Het maakt wel uit dat de kinderen de limieten kennen die acceptabel zijn voor hun gedrag.
Het: “doen wat ik zeg” heb ik altijd doen vergezellen van uitleg.
Wanneer daarvoor geen tijd was, beloofde ik het voor later.
Mijn straffen waren niet handtastelijk en zeldzaam.
Het afpakken van Ipods, tv tijd etc. helpen niet. Ze gaan dan gezag cq. Truus en Gijs haten. Zolang je opvoeder bent moet je daar voorzichtig mee zijn.
Ik geloof meer in onderhandelen vooral omdat dat in de rest van het leven van een mens dat ook steeds nodig blijkt.
U moet eens Monopolie gaan spelen met een kleinkind van 9 jaar.
Dan wordt U veel duidelijk.

Anton Ehren

Wat mij betreft dreigt — gezien veel van zijn beschouwingen tot voor kort: helaas — het gezag van onze R&B-redacteur wat af te bladderen. V.w.b. schoffering van de rechterlijke macht weet hij met kennelijke moeite slechts 2 zaken te noemen. Terwijl, om maar twee voorbeelden te noemen, niet alleen onwillige ouders maar ook de uitvoerende macht uitspraken van kinderrechters aan de lopende band feitelijk aan zijn laars lapt, resp. leden van de wetgevende macht er geen been in zien om rechterlijke uitspraken aan de lopende band te bekritiseren — ene Wilders zelfs in conditionele zin toen er nog helemaal geen uitspraak was.
Tegen deze achtergrond, in combinatie met het feit dat de uitvoerende macht in samenwerking met de wetgevende macht de toegang tot de civiele rechter voor eenvoudige burgers financieel vrijwel ontoegankelijk dreigt te maken, rijst de vraag in hoeverre gezagsverlies van de rechterlijke macht aan het gedrag van de rechterlijke macht zelf kan worden toegeschreven…

Peter Hoopman

Een stap verdergaand in het hol van de leeuw, waar overgens ikzelf uiteraard ook deel van uit maak!? ;-)

Zijn de politiek, de media, justitie en het individu nog wel deel van de samenleving?

Even een abstracte filosofische invalshoek: Stel dat we het zouden moeten doen met wat er is!? Hoe zouden journalisten, politici, rechters en individuen dan de werkelijkheid waarnemen en hoe zou dan onze economische communicatie evolueren?

Vandaag maakt een deel van de samenleving winst, draag een deel af, waardoor andere in staat zijn om iets te kopen dat theoretisch abstract nog niet geproduceerd is!?

Vanuit deze abstracte waarneming is het dan ook logisch dat het een keer fout loopt en er dus een (wereldwijde)crisis ontstaat. Zonder de oorzaak voor die crisis weg te nemen, zal die crisis zichzelf dus versterken.

De rechter en ikzelf ook maken deel uit van dit systeem, het is dus logisch dat ons gezag meer en meer ondermijnt wordt, ook dat van media en politiek om dat we er chronisch omheen breien.

Paul Kirchhoff

Door zich nadrukkelijk met het aura van onfeilbaarheid te omringen, door de enorme hindernissen die er bestaan om een zaak voor cassatie te kunnen voordragen maar vooral door het gebrek aan transparantie bij de motivering van vonnissen heeft de Nederlandse rechtsspraak een onmetelijke afstand gecreeerd tot de burger.

Dat staat los van een aantal flagrante blunders die in zaken tot verkeerde vonnissen heeft geleid.
Alleen een actievere rol van de zittende magistratuur tijdens het proces kan in die situatie verbetering in brengen.

johan van schaik

De dokter mag dan aan “gezag” verloren hebben, maar ziek blijft wel ziek. Net zo als een vonnis een vonnis blijft, ook als blijkt dat er in tweede lezing een wat zwaarder middel moet worden ingezet, of dat rechters, net als dokters, pastoors en andere mensen, ook wel eens de fout ingaan.

Het tanen van de kracht van de rechtspraak is dan ook meer een gevolg van de steeds grotere invloed van de politiek en het bestuur op de rechtspraak. En van het overhevelen van taken die des rechters behoren te zijn, naar andere sectoren. Het begon met de Mulder-beschikkingen, waarmee de politiek de rechter naar de achtergrond schoof, en het is inmiddels zover gekomen dat door het bemoeilijken van de toegang tot de rechter, door het verheerlijken van geschillencommissies die feitelijk alleen maar de eigen beroepsgroep of branche beschermen en waar de burger naar zijn recht kan fluiten, door de toename van bestuurlijke boetes, en door het steeds openlijker – door politiek en bestuur – negeren of naar eigen hand zetten van verdragsbepalingen, dat de rechtelijke macht aan kracht heeft ingeboet.

Ziek is ondertussen ziek gebleven, en ook onrecht blijft onrecht. En net zo als de zieke vroeger nog wel naar een huisarts kon die 24 uur per dag bereikbaar was, maar zich nu moet behelpen met een huisarts die als poortwachter optreedt, en alleen nog maar optreedt – in kantoortijden – als kaartjesknipper voor toegang tot de echte zorg in het tweede echelon, zo heeft de politiek ook de onrechtbeheersing steeds meer aan de rechterlijke macht weten te ontfutselen, zonder daar een behoorlijk gezaghebbend alternatief voor te bieden. Erger nog: zonder ook maar énig werkelijk alternatief daarvoor te bieden. Nog even wachten dus, en de burger bestrijdt het onrecht weer helemaal zelf.

En was het uiteindelijke doel van de rechtspraak niet juist de conflictbeheersing ?

c wildschut

Ik begrijp niet dat een kantonrechter niet al vanaf het begin een dwangsom oplegt ‘die de bedrijfsvoering zal raken’. Dat is toch het doel van de dwangsom? Van een stok achter de deur moet je wel weten dat ermee geslagen kan worden, anders doet ie niks.
Respect voor het gezag van een rechterlijke uitspraak (niet eens zozeer de rechter) hoort er te zijn, maar moet af en toe ook worden afgedwongen.

R. de goijer

Dhr Bakels schrijft onder 3 dat in proces Wilders het vooroordeel wordt bevestigd dat de advocaat een veroordeling probeert te hinderen. Dhr Bakels verwart vooroordeel met werkelijkheid. De studieboeken zien een algemeen belang waar de advocaat aan moet denken maar in de praktijk ziet de advocaat het als zijn taak om het hoogst haalbare voor zijn client uit het vuur te slepen. Hierbij is mits binnen de wet alles geoorloofd.
Voor de advocaat is de waarheid niet het belangrijkst maar het balang van de client. Voor het vinden van de waarheid zijn andere instanties zoals het OM en de rechter die de advocaat in zijn eenzijdig belang kunnen corrigeren.

Filip S.

@ Sander van der Linden,

Rechtszaken die de media halen moeten vaak met enige nauwkeurigheid bekeken worden. Helemaal als er stellige standpunten worden ingenomen door snelle twitteraars, niet zelden van politieke huize.

Als we dan uw aangehaalde zaak bekijken dan vallen er direct een aantal dingen op.
1) De kwestie van orthodoxe Joden is aan de orde geweest tijdens de parlementaire behandeling. Antwoord van de minister: dat lost zich op in de uitvoeringspraktijk
2) De orthodoxe jood had een (kleine) overtreding begaan, maar gaf de agent ter plaatse direct de gelegenheid om de ID bij hem thuis te bekijken. Tijdsverlies een klein uurtje, probleem van identificatie opgelost in de uitvoeringspraktijk, exact zoals de minister wenste.
3) Desondanks kwam er een transactievoorstel voor het niet dragen van de ID-kaart.
Dat werpt toch een iets ander licht op de zaak. Evenzo blijkt dan dat al te groteske conclusies (a la Mr. Loonstein) dan niet te trekken zijn omdat de zaak aan alle kanten wordt begrensd door haar eigen feiten.

Het OM denkt er nog steeds anders over en gaat nu in hoger beroep. Ik weet niet hoe u erover denkt, of het nog steeds zo’n vreemde uitspraak is of dat u de gedachtegang van de rechter (wellicht tot op zekere hoogte) kan verklaren. Dat bewijst ook de stellingname van #3 dat een zeker onbegrip voortkomt uit gebrek aan kennis, inzichten en heldere communicatie.

lyngbakken

@7. Liesbeth Hemrica
Wat mij betreft hele wijze woorden van u. Ik heb ook het vonnis gelezen, en het is inderdaad haantjes aan alle kanten (ook van de rechter: die zin over de rechtsstaat is wat mij betreft veel te opgeblazen). Dat is slecht voor het rechterlijk gezag.

Wat ik in de zaak zelf erg mis is het gewoon streven naar een oplossing door de rechter. De werknemer en de werkgever zijn overduidelijk op elkaar uitgekeken, en kunnen vanwege het wederzijds prestige in de toekomst ook niet meer samen. Dat dienstverband gaat echt eindigen, met of zonder de rechter, en ook na dit vonnis, hoewel dat de andere kant op wijst.

Ik zou zeggen: rechter, ga van dat feit uit (net zoals dat gebeurt bij echtscheidingen bijv), en heb het vervolgens alleen nog over de vraag wat de werkgever daar aan schadevergoeding bij moet doen. Stel dat vast als rechter, en laat het daarbij.
Nu zie ik de volgende (3e!) procedure over hetzelfde al weer komen.

Een werknemer die anderhalve ton verdient per jaar in een zelfstandige functie verdient ook wat mij betreft van de rechter minder bescherming dan degene die het met twintigduizend moet doen in een baan waarin hij vooral moet doen wat hem wordt gezegd. Degene met de hogere functie heeft in het algemeen ook meer kans op ander werk dan iemand met een lagere. Dat het werk dan lager wordt betaald (zoals mogelijk het geval was met het vervangend werk dat IBM hem aanbood) is wel reden voor een schadevergoeding voor het inkomensverlies, en misschien ook nog wat extra voor onzorgvuldig handelen van de werkgever, maar niet om te zeggen: houd in dienst.

Paul Kirchhoff

Johan van Schaik:

“De dokter mag dan aan “gezag” verloren hebben, maar ziek blijft wel ziek.”

Ik zou het willen omkeren hoe ziek moet je zijn om toestanden binnen de rechterlijke macht te accepteren zoals die zich bij de Chipsolzaak hebben voorgedaan?
Zeventien jaar procederen om vlak voor het einde van de procedure te worden geconfronteerd met een volstrekt onnodige vervanging van alle rechters die goed ingevoerd waren met deze complexe slepende kwestie.
Dat is aan niemand uit te leggen.
Dit soort excessen ondermijnt in ernstige mate het vertrouwen en het respect van burgers in de rechtsspraak

Michiel Jonker

Als je de combinatie van Nederlandse wetgeving, jurisprudentie, ingesleten gewoontes/denkpatronen van rechters en de individuele attitudes van rechters bekijkt als een samenhangend “systeem”, dan lijkt het erop dat er in dit systeem een aantal ernstige onevenwichtigheden zijn gegroeid, die vaak in het nadeel werken van rechtzoekenden van wie de belangen niet in een bekend straatje / platgetreden paadje passen. (Zie de voorbeelden die door andere reageerders hierboven zijn genoemd.)

Maar het allerergste blijft inderdaad, zoals hierboven ook al door anderen gezegd, de structurele onwil van veel Nederlandse rechters om hun uitspraken goed te motiveren. Daarmee leggen ze de bijl aan de wortel van hun eigen gezag.

Om dan met de vinger naar lastige, calculerende of oneerbiedige rechtszoekenden te gaan wijzen, is volkomen zinloos. Alleen de rechterlijke macht zèlf kan het voortouw nemen bij het herstellen van zijn eigen gezag. En dat lukt alleen als dat gezag niet direct of indirect wordt opgeëist, maar wordt terugverdiend door middel van goed gefundeerde en goed gemotiveerde rechterlijke uitspraken.

Net als vertrouwen, komt gezag te voet en gaat te paard. Er is dus voor rechters op dat punt veel werk aan de winkel. Ik vermoed dat het gezag op zijn vroegst pas hersteld zal worden als er bij de rechterlijke macht een generatiewisseling heeft plaatsgevonden, d.w.z. wanneer een groot aantal regenteske bolwerk-verdedigers zoals bijv. Erik van den Emster (voorzitter Raad v.d. Rechtspraak) het veld hebben geruimd om van hun kwalijk verdiende pensioen te gaan genieten.

Muskens

Dat respect voor de rechter en het openbaar ministerie is bij mij al lange tijd geleden zoek geraakt.
Een rechter die accepteert dat een officier van justitie een brief van een advocaat beweerdelijk niet heeft ontvangen.
Een rechter die zonder nader onderzoek accepteert dat twee politieagenten tegenstrijdige getuigenverklaringen afgeven
Een rechter die constateert dat er geen causaliteit is tussen uitgedeelde trappen van een politieagent en een spoedoperatie die op dezelfde dag moet plaatsvinden vanwege de ontstane verwondingen
Een openbaar ministerie dat geen genoegen neemt met de schriftelijke aangifte van strafbare feiten maar eist dat een aangever van deze strafbaar feit zijn aangifte opnieuw doet maar dan bij die instantie ( Koninklijke Marechaussee ) waar juist leden daarvan deze strafbare feiten hebben gepleegd en op grond van een weigering van aangever zulks te doen niet besluit tot vervolging, noch tot sepot daarmee de weg blokkerend tot een art 12 WvS procedure.
Een openbaar ministerie dat weigert vervolging in te stellen tegen zeker college van B&W wegens aantoonbaar plegen van valsheid in geschrifte en tegen zekere commissaris van Koningin wegens medeplichtigheid daaraan.
Moet ik nog doorgaan?
Voor mij is de rechtsstaat een hol begrip dat een lading moet dekken die er niet is.

Veronica Cramer

Aan Michiel Jonker.
Waaraan ontleent U de gedachte dat bij de generatiewisseling er bij de rechtelijke macht gezag van betere kwaliteit aan de balie zal komen?
Waar moet die ervaring vandaan komen?
Mocht U nog rechten studeren bekijk dan eens de Shafia zaak in
Canada. Zoek op nationalpost.com . Daar is geen woord Frans bij.

Michiel Jonker

@ 21. Veronica Cramer

Ik geef toe dat het niet meer dan een soort hoop is, bij gebrek aan beter. Daarom gebruikte ik de woorden “op zijn vroegst”. Hopelijk zijn er rechtenstudenten en rechters in opleiding die zich niet suf laten maken (mystificeren) door allerlei kromme gedachtenspinsels die tijdens hun opleiding aan hen worden voorgeschoteld.

Zelf heb ik alweer een jaar of twaalf geleden een opleiding bestuursrecht gevolgd. Destijds vroeg ik me af waarom er zoveel dingen waren die ik niet begreep. Inmiddels snap ik dat ik ze toen niet begreep omdat ze ook toen al niet logisch waren, maar meer een weerslag van (wild)gegroeide praktijken en attitudes (kuddegedrag in juridische kringen, vaak sterk beïnvloed door bestuurlijke wensen).

Ik vrees daarom dat u gelijk hebt als u bedoelt dat veel rechtenstudenten met een frisse, morele blik tijdens hun opleiding al op “natuurlijke” wijze weggeselecteerd worden doordat ze walgend overstappen naar een ander vak. Maar goed, als je niet meer op een jonge, frisse generatie zou kunnen hopen die het volhoudt en vervolgens dingen gaat veranderen, waarop dan nog wel? Bent u hoopvol? Zo ja, waar baseert u die hoop op?

Kees van Oosten

Hoe meer ik er over nadenk, hoe meer ik terugkom bij de vraag: “wat maakt eigenlijk dat een rechter onafhankelijk en onbevooroordeeld zou zijn?” Niet de toga die zij dragen. Ook niet de rechtenstudie, daar leer je helemaal niet om onafhankelijk te denken. Je leert er niet eens wat feiten zijn (het vak wetenschapsleer zit niet in het curriculum). Rechters zijn ook geen mensen van een hogere (onbevooroordeelde soort). Collegiale controle is er ook nauwelijks en uitspraken worden zo karig gemotiveerd dat iemand die de dossiers niet kent zich daar geen oordeel over kan vormen. Kortom, ik zou niet weten waarom wij moeten geloven in het onafhankelijke oordeel van de rechter.

lyngbakken

@23 Kees van Oosten
Onafhankelijk en onbevooroordeeld is niet het zelfde.
Geen rechter is onbevooroordeeld; het zijn allemaal mensen. Overigens: volgens mij zit in vrijwel elke rechtenstudie wel degelijk een vak/onderdeel wetenschapsleer. Probleem is veeleer dat dat niet genoeg is, onder meer omdat het is toegespitst op de wetenschapsleer van rechten, en niet van andere disciplines. Een breder vak kost te veel geld volgens Den Haag. Overigens krijgen rechters sedert de Schiedammer Parkmoord en andere missers wel bijscholing op dit vlak.
Onafhankelijk betekent vooral: onafhankelijk van de procespartijen. En dat lijkt in de Chipsholzaak mis te zijn gegaan, maar wordt onderzocht (en een strafzaak is gestart).

Michiel Jonker

@24. Lyngbakken

In reactie op @23 Kees van Oosten stelt u: “Onafhankelijk betekent vooral: onafhankelijk van de procespartijen.”

Nee, dat is slechts een minimale randvoorwaarde, maar is volstrekt niet voldoende. Een rechter die formeel onafhankelijk is, maar niet in staat tot onafhankelijk denken, komt nog steeds niet tot onafhankelijke oordelen.

Het verschuilen achter formele onafhankelijkheid is, na wat we in recente jaren hebben gezien, niet geloofwaardig meer. U wilt al die missers kennelijk, net als sommige van uw juridische confraters (bijv. Erik van den Emster van de Raad voor de Rechtspraak), nog steeds afdoen als “incidenten”.

In feite is er echter sprake van een scheefgegroeid “paradigma” (denkpatroon), bestaande uit scheefgegroeide percepties en dito attitudes van rechters, en daaruit voortkomende wangedrochtelijke redeneringen die meestal half vergoelijkend “juridische ficties” of “juridische constructies” worden genoemd.

Ja, in de Chipsholzaak wordt er nu iets onderzocht, en dat lijkt ook in de zaak-Baybasin te gaan gebeuren. Maar je ziet hier hetzelfde patroon als bijvoorbeeld in de zaak-Lucia de Berk of de Schiedammer Parkmoord: eerst probeert de gevestigde orde van OM en rechters uit alle macht te doen alsof er niets aan de hand is. Pas als er van buitenaf (wetenschappers, media, volhardende advocaten) ondanks hardnekkige tegenwerking materiaal is verzameld dat wijst op de waarschijnlijkheid van een hemeltergende misstand, ja dan is het juridische establishment uiteindelijk misschien toch bereid om een centimetertje op te schuiven.

Om vervolgens meteen te claimen dat het dankzij een goed functionerende rechterlijke macht is dat de zaak alsnog wordt onderzocht (zoals Van den Emster schaamteloos deed in de zaak-De Berk).

Het wordt tijd dat het rechterlijke establishment gaat inzien dat deze truc niet meer werkt. Een nieuwe attitude zal toch echt nodig zijn om het rechterlijke gezag te herstellen.

Het gaat namelijk niet alleen om die paar spectaculaire zaken waarin de waarheid na jaren strijd boven tafel wordt gebracht, maar vooral ook om de duizenden slecht-gemotiveerde, niet werkelijk onafhankelijke rechterlijke oordelen waarmee het rechtsgevoel van burgers wordt aangetast, zonder dat ze enige kans maken dat er ooit nog recht wordt gedaan.

lyngbakken

@ 25 Michiel Jonker

Ik ben het helemaal met je eens dat onafhankelijk veel meer aspecten heeft; ook nog beduidend meer dan wat jij schrijft overigens. Maar het ging mij er niet om om dat volledig in beeld proberen te brengen (en ik neem aan: jou ook niet).

Voor wat jou attitudeprobleem betreft: wat vind je nu van de scholingsprogramma´s die ik noem? Wat vind je van iets als de nieuwe zaaksbehandeling bij bestuursrechters in de rechtbanken waar ook een eerder blog van Folkert Jensma over sprak? Ook daar staat een attitudeverandering van de rechter centraal, die naar ik inmiddels van sommige rechters heb begrepen door rechters ook als een mentale switch of de door jou genoemde paradigmawijziging wordt gevoeld?
Daarmee zijn we er overigens natuurlijk nog lang niet. Veranderingen gebeuren niet met een big bang, maar stap voor stap. Dat maakt de eerste stappen echter niet minder, maar juist meer waardevol.

lyngbakken

@ Michiel Jonker
Je vindt nadere informatie over de nieuwe zaaksbehandeling bijvoorbeeld als je zoekt op de site http://www.prettigcontactmetdeoverheid.nl. Zo kun je daar bijvoorbeeld een uitvoerig interview vinden met twee bestuursrechters (Van Ettekoven en Verburg) over de nieuwe zaaksbehandeling in een pdf-bestand.
Die site laat op meerdere manieren zien dat het niet om incidenten, maar om iets structureels gaat. Daarbij richt dat structurele zich niet alleen tot de rechters, maar ook tot het openbare bestuur. Het is dus ook breed.

Michiel Jonker

@ 26 en 27. lyngbakken

Je vraagt wat ik vind van “de nieuwe zaaksbehandeling” waarmee men pioniert in de bestuursrechtspraak. We hebben het daar eerder over gehad in Jensma’s blog “Niemand steekt zijn nek uit voor de rechtspraak” (1 oktober 2011). Jij legde toen een verband tussen de nieuwe zaaksbehandeling en het pleidooi van de kersverse gasthoogleraar “rule of law” Maurits Barendrecht, die er in zijn entree-rede meteen voor pleitte om de “rule of law” in onze rechtspraak maar een beetje weg te relativeren en rechtspraak te reduceren tot mediation. Dat vond jij ook wel een interessant idee, dat mooi spoorde met de nieuwe zaaksbehandeling.

Ik betoogde dat, als “de nieuwe zaaksbehandeling” een manier is om ervoor te zorgen dat de bestuursrechter zich minder hoeft aan te trekken van de wet, dat een heilloze weg is. Het echte probleem wordt volgens mij niet gevormd doordat bestuursrechters de wet volgen (deden ze dat maar consequent!), maar juist doordat ze te vaak meebuigen met de macht. Er is volgens mij een gedrags- en attitude-verandering bij bestuursrechters nodig, en waarschijnlijk ook bij veel andere rechters.

Nu pak jij de discussie weer op. Dit keer betoog jij dat “de nieuwe zaaksbehandeling” juist tot zo’n attitudeverandering zal leiden. Zou het?

Ik heb de door jou genoemde site http://www.prettigcontactmetdeoverheid.nl bekeken. De site is opgezet door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en gaat over de zogeheten “informele aanpak” in de manier waarop ambtenaren volgens het ministerie met burgers contact moeten gaan maken. De “nieuwe zaaksbehandeling” is de equivalent daarvan in de manier waarop het ministerie wil dat bestuursrechters met burgers omgaan.

De eerste zin van de uitleg over de “informele aanpak” gaat over “groei van vertrouwen”. De kerngedachte staat echter pas in de tweede zin: “De informele aanpak vergroot bovendien de aanvaardbaarheid van overheidsbesluiten, in het bijzonder wanneer deze negatief zijn.”

De “nieuwe zaaksbehandeling” wordt op de site als volgt beschreven:

“Na binnenkomst van het beroepschrift wordt een zaak vrij snel (ongeveer in de vierde of vijfde maand) op zitting geagendeerd. Die zitting benut de rechtbank om helder te krijgen wat partijen “echt” verdeeld houdt en wat nodig is om hun geschil te beslechten. Daarbij kan de aandacht uitgaan naar een eventueel achterliggend conflict, naar alternatieve oplossingen (bijv. een schikking of mediation), maar ook naar de vraag of nog aanvullende informatie of bewijsvoering nodig is om tot een uitspraak te kunnen komen.

De gedachte is dat door het vroege contact met en de actieve opstelling van de rechter, de kans op een snellere en definitieve oplossing van de zaak wordt vergroot. Die zitting zal in veel gevallen de enige zijn: als aan het einde van de zitting alles helder is, is het vaak het beste gewoon zo snel mogelijk uitspraak te doen. Maar ook kan een zaak worden geschikt en verder kan een beroep worden ingetrokken, omdat bepaalde vraagpunten zijn verhelderd of bepaalde problemen zijn weggenomen. Alleen voor die zaken die zich daarvoor lenen, wordt na de zitting extra tijd uitgetrokken voor een vervolgtraject.
Kernwoorden van de nieuwe zaakbehandeling zijn dus: (a) finaliteit, (b) snelheid, (c) maatwerk en alternatieve oplossingen en (d) “echt” conflict boven juridisch geschil.

Wat betekent de nieuwe zaaksbehandeling voor bestuursorganen?
De nieuwe zaaksbehandeling betekent dat bestuursorganen nog een kans krijgen om zo mogelijk op een niet juridische manier mee te werken aan een oplossing voor het conflict dat partijen hebben. Uiteraard moet die kans ook tijdens de bezwaarprocedure worden benut, maar de setting van de procedure bij de bestuursrechter biedt andere, nieuwe mogelijkheden om er uit te komen.” [einde citaat]

Mijn vraag aan jou is: waarom zou het bij de nieuwe zaaksbehandeling anders toegaan dan bij de bezwaarprocedure? Ook die was bedoeld om zaken informeler te kunnen afhandelen. Ook die was bedoeld om bestuursorganen een extra kans te geven om zaken op een niet-juridische manier te beslechten. Maar de bezwaarprocedure ontwikkelde zich sinds de invoering in de jaren negentig al snel tot een precies even gejuridiseeerde procedure als een beroep bij de rechter. “Onafhankelijke” bezwarencommissies gingen zich als rechters gedragen en toetsten alleen nog “marginaal”. De bezwaarprocedure werd gewoon een extra juridische horde die rechtzoekende burgers moesten zien te passeren alvorens ze toegang kregen tot de rechter.

Nu dreigt de rechter ZELF, als “nieuwe zaaksbehandelaar” die nog even niet zo scherp hoeft te kijken naar de wet, nòg weer een extra barricade te worden die de toegang tot echte rechtspraak verspert. Of erger nog, hij dreigt een nieuwe bron van willekeur te worden, die geïncorporeerd is in juist die unieke instantie die volledig in dienst zou moeten staan van onze bescherming tegen willekeur.

Ik heb ervaring met mediation en mediation-achtige overleg- en/of onderhandelingsprocessen. Machtsverhoudingen spelen in zulke processen een doorslaggevende rol, ook als de mediator “onafhankelijk” is of heet te zijn. In het bestuursrecht zijn de machtsverhoudingen tussen partijen per definitie zeer ongelijk.

Een extra risico vormt de “finaliteit” die men graag in de “nieuwe zaaksbehandeling” wil inbouwen. Straks mogen rechters informeel, losjes om de wet heen dansend, finale uitspraken doen. Zeg als burger dan maar dag tegen je rechtsbescherming! Of je moet in hoger beroep, tegen betaling van een inmiddels enorm verhoogd griffierecht dat voor de meeste mensen een onverantwoorde financiële aderlating betekent.

Kortom, ondanks het vrome wensdenken, lijkt de nieuwe zaaksbehandeling eerder de ultieme manier om de toegang van burgers tot eerlijke rechtspraak definitief onmogelijk te maken, èn om dat droeve feit ook nog eens aan het oog te onttrekken.

In een andere discussie noemde jij hypocrisie waarderend het “cement van de samenleving”. Nou, dan is de “nieuwe zaaksbehandeling” waarlijk het beton van de samenleving – het beton waar rechtzoekende burgers straks tegenaan lopen.

Bij eerlijke rechtspraak gaat het om de bescherming van rechten, en om het kiezen tussen en verzoenen van tegengestelde belangen, op basis van ethische normen die zijn vastgelegd in VOOR IEDEREEN KENBARE wetten en regels. Een echte rechter is in dat proces primair normgevend (hij hakt knopen door), en zijn normen ontlenen hun legitimiteit aan het feit dat ze zijn vastgelegd in DEMOCRATISCH TOT STAND GEKOMEN wetten.

Krijgen we straks pseudo-rechters die zich, los van wet- en regelgeving, vrij voelen om naar willekeur met alle opportune winden mee te waaien, vrij als vogels in hun “informele aanpak”?

Ik heb op de site van het ministerie ook nog gezocht met behulp van het door jou aangegeven trefwoord Ettekoven, en kreeg de bemoedigende mededeling: “Er zijn resultaten gevonden die aan uw zoekcriteria voldoen.” Welke resultaten dat waren, stond er niet bij. Misschien mocht ik die pas zien als ik mij daarvoor eerst registreerde, alvorens in te kunnen loggen. Kijk, zo maakt de site “prettigcontactmetdeoverheid” het contact met de overheid al meteen minder prettig. Typisch voor de overheid: de woorden en bedoelingen stroken al te vaak niet met de daden.

Als je graag een “nieuwe zaaksbehandeling” wil implementeren, dan moet je dat gewoon in de huidige bezwaarprocedure doen. Die is daar immers voor bedoeld. En dan moet je rechters erop laten TOEZIEN, door middel van serieuze rechterlijke toetsing, dat bezwarencommissies overheidsbesluiten weer serieus gaan toetsen op: 1. rechtmatigheid; 2. doelmatigheid (wat ze nu in de praktijk niet of nauwelijks doen, ook al zou het wel moeten); en 3. billijkheid (wat bezwarencommissies nu, gek genoeg, van de wetgever niet eens hoeven te doen).

lyngbakken

@ 28 Michiel Jonker.

Allereerst: het interview komt er via een internetzoekmachine bij mij direct uit op de combinatie van de door mij gegeven zoektermen.
Ik denk dat jij binnen de site hebt gezocht. Daar kun je het ook systematisch vinden via Home → Aan de slag → Nieuwe Zaaksbehandeling door de Bestuursrechter. Daar aan de rechterzijde onder document klikken op:
Nieuwe Zaaksbehandeling.pdf [2258.8 Kb]. Je hoeft dus niet in te loggen.

Ik kom terug op de eerdere discussie, omdat dit project ook poogt het afbladderend gezag van de rechter (onderwerp van de topic) tegen te gaan. Wat mij betreft dus gewoon on topic; in een draad die onder meer topics op dit blog ligt. De site had ik nog niet eerder genoemd, dus dat was nieuw.

Jij benadrukt het belang van de wet. Ik onderschrijf dat ook, maar realiseer me ook dat de wetten voor de burger formeel en praktisch wel kenbaar zijn (via internet), maar dat de burger toch op achterstand staat ten opzichte van het bestuur. Dat kent de wet uit dagelijkse ervaring, en is ermee vertrouwd. De juridische fictie dat iedereen geacht wordt de wet te kennen werkt vooral in het nadeel van de burger. Dat is voor mij een reden om tot verbetering proberen te komen.

Zoals ook blijkt uit het interview blijft een uitspraak volgens de wet gewoon mogelijk. Maar dat is niet meer automatisch de enige smaak.
Partijen wordt invloed gegeven op de manier van afdoening. Daarover wordt ook met hen overlegd. Ik zie niet wat daar mis mee is. Het gezag van de rechter tegenover partijen wordt daar juist door versterkt.

Als het traject dat van een uitspraak blijft, danst de rechter niet losjes om de wet heen, maar past hij gewoon de wet toe. Dat kan ook moeilijk anders. Maar dan niet de wet om de wet, maar de wet alleen voorzover dat relevant is voor het geschil tussen partijen.

Ook binnen het traject naar de uitspraak hebben partijen invloed. In de praktijk blijkt dat er bijvoorbeeld ertoe te leiden dat burgers, anders dan vroeger, door een aanhouding van de zaak de kans krijgen om alsnog met bewijs te komen waarvan ze eerst op zitting duidelijk wordt dat het voor hun zaak belangrijk was. In de uitspraak kan daar vervolgens over worden geoordeeld. Dit lijkt mij ook alleen maar winst voor de burger, en voor het gezag van de rechter.

Natuurlijk is de positie van een rechter een andere dan die van het bestuur. Maar de wijzigingen die de nieuwe zaaksbehandeling met zich brengt, lijken mij geen stand te kunnen houden als het bestuur de manier van werken niet wijzigt van de door jou beschreven rechtsmatigheidstoetsing naar een (door de wet ook uitdrukkelijk bedoelde) volledige heroverweging waarbij alle voor de burger belangrijke aspecten aan de orde komen. Dat geldt voor mij niet alleen in de beslissing op bezwaar, maar ook in het traject daarvoor.
Ik ben niet zo optimistisch om te denken dat alleen een klassieke rechtmatigheidscontrole door de rechter voldoende is om het bestuur bij de les te houden waar het die nieuwe manier van werken betreft. Dat heeft niet goed gewerkt en zal niet goed werken. De rechter zal daarom (binnen zijn in vergelijking met het bestuur beperktere taak) steeds concreet moeten laten zien hoe het wèl moet en kan. Juist door dat te doen zal hij ook aan gezag kunnen winnen bij het bestuur.

André Verburg

@ 26 en 27 lyngbakken en @ 28 Michiel Jonker.
In de reacties van lyngbakken en Michiel Jonker zie ik dat de Nieuwe Zaaksbehandeling van de bestuursrechter naar voren komt. Ook het artikel dat Bart Jan van Ettekoven en ik hierover schreven voor de pionierskrant van Prettig Contact met de Overheid komt aan bod. Ik vind dat fijn, want wij krijgen als rechters wel feedback over de Nieuwe Zaaksbehandeling van professionals, zoals advocaten, bestuursorganen en wetenschappers, maar zelden horen we van anderen hoe zij erover denken.
Ik wil wat zeggen over hoe die twee projecten zich tot elkaar verhouden en ik wil wat zeggen over de Nieuwe Zaaksbehandeling van de bestuursrechter.
De Nieuwe Zaaksbehandeling van de bestuursrechter is een project van de sectoren bestuursrecht van de 19 rechtbanken. In 2011 en 2012 gaan alle sectoren bestuursrecht over op deze nieuwe aanpak. Daaraan voorafgaand vonden in 2009 experimenten plaats bij vier rechtbanken. Prettig Contact met de Overheid is een project van het Ministerie van BZK, dat er op is gericht dat bestuursorganen in hun contacten met burgers anders omgaan met aanvragen, zienswijzen, klachten en bezwaren. Die twee projecten staan los van elkaar. Ieder zijn eigen verantwoordelijkheid. Maar inhoudelijk zijn er wel veel overeenkomsten. Dat is niet raar, want beide projecten zijn een reactie op dezelfde eisen van deze tijd. Mijn slogan op dit punt is “Niemand wil een boormachine, mensen willen een gat in de muur.” En dat geldt ook voor de kwesties waar deze twee projecten een antwoord op proberen te bieden. In mijn ogen willen mensen niet zo maar een formeel-correcte beslissing van een bestuursorgaan of een formeel-correcte uitspraak van een bestuursrechter, maar willen zij een oplossing van hun probleem. En soms kan dat probleem worden opgelost met zo’n beslissing of uitspraak, maar heel vaak ook niet. In dat laatste geval moet het volgens mij dáárover gaan: bent u wel geholpen met een besluit of uitspraak van mij?
Vanwege die inhoudelijke samenhang proberen we op individuele basis de projecten van de ander regelmatig een steuntje in de rug te geven. En dus schreven Bart Jan van Ettekoven en ik ook dat artikel in de krant van Prettig Contact met de Overheid. Eén prachtig effect was dat een gemeente naar aanleiding van dat artikel belde met BZK en zei “als de bestuursrechter dat gaan doen, dan wordt het hoog tijd dat wij dat zelf ook in bezwaar gaan doen.” Afgelopen woensdag, 7 maart 2012, organiseerden het Ministerie van BZK, rechtbank Utrecht en Universiteit Leiden een symposium naar aanleiding van het bezoek van Tom Tyler, één van de grootste onderzoekers op het vlak van procedurele rechtvaardigheid. Daar bleek dat ambtenaren in de Prettig-Contact-projecten en bestuursrechters met de Nieuwe Zaaksbehandeling vaak staan voor dezelfde problemen, moeten wennen aan de nieuwe aanpak, dezelfde soorten vaardigheden aan het leren zijn en kunnen leren van elkaars vondsten en oplossingen.
Michiel Jonker verwoordt prima wat het probleem is: de bezwaarprocedure is steeds meer een formeel-juridische toets geworden. Geen echte heroverweging, geen open staan voor een debat met de bezwaarmaker, geen informeel gesprek. En zo was het wel allemaal bedoeld. Volgens mij probeert Prettig Contact met de Overheid precies die negatieve kanten van de bezwaarprocedure weer weg te nemen. De verticale verhouding tussen burger en overheid is ook bij de bestuursrechter niet zo maar weg, zegt Michiel Jonker terecht. Ook ben ik met hem eens dat als de bestuursrechter met de Nieuwe Zaaksbehandeling te ver losgezongen raakt van een toets aan wetgeving en algemene beginselen van behoorlijk bestuur, willekeur op de loer zou liggen.
Daarom nog wat meer over de Nieuwe Zaaksbehandeling. Die nieuwe aanpak komt niet in de plaats van een “klassieke” uitspraak, maar is daar een aanvulling op. Zoals ik al zei, denk je als bestuursrechter regelmatig “ik kan wel een uitspraak doen, maar volgens mij is dat geen echte oplossing voor het probleem.” Daarom proberen we in de Nieuwe Zaaksbehandeling onze manieren van omgaan met een zaak te verbreden. In de eerste plaats vragen we nadrukkelijk door op het echte conflict achter het juridische geschil. Bouwzaken zijn soms verpakte burenruzies, zaken over vergunningen voor bedrijven zijn soms verpakte broodnijd, zaken over uitkeringen zijn soms verpakte klachten over de manier waarop iemand is behandeld, zaken over arbeidsongeschiktheidskeuringen zijn soms verpakte twijfels over de betrouwbaarheid van de keuringsarts, etc. Dan een formeel-juridische uitspraak doen, is vaak ongeveer even effectief als met een zaag proberen een spijker uit de muur te krijgen. In de tweede plaats proberen we in een reëel gesprek partijen naar elkaar te laten luisteren en kijken we of de zaak bijvoorbeeld in overleg kan worden geschikt. Of dat de zaak geschikt is voor mediation. Bij zo’n gesprek is het juridische kader meestal wel een kader, maar niet de kern. Wat misschien een prachtoplossing lijkt, is soms gewoon in strijd met de wet en dan is het in ieder geval voor het bestuursorgaan en de bestuursrechter een no go. Regelmatig blijken er ook juist wel nieuwe mogelijkheden te voorschijn te komen waar partijen nog niet aan hadden gedacht. Het was nog mooier geweest als ze daarvoor niet naar de bestuursrechter hadden hoeven gaan en dat al in bezwaar hadden opgelost, maar dat is geen reden om het dan maar niet bij de bestuursrechter te doen als die zaak daar eenmaal terecht is gekomen. In andere gevallen komt uit het gesprek naar voren dat één van de twee partijen nog iets moet bewijzen. De rechter geeft in de zitting daarom een voorlopig oordeel (“Ik moet zeggen dat uw tegenpartij op dit punt bewijzen …. heeft ingebracht en dat wat u daar tegenover stelt vermoedelijk niet genoeg is om dat bewijs te ontkrachten.”). Degene die dan nog wat moet bewijzen, kan de burger zijn, dat kan ook het bestuursorgaan zijn. Dan krijgt de procedure nog een verlenging. Als andere oplossingen niet werken, dan komt er alsnog een uitspraak. Sommigen zeggen wel dat hiermee de bestuursrechter meer gaat lijken op de civiele rechter die tijdens een comparitie ook dit soort aanpakken volgt. Belangrijk om vast te houden lijkt mij wel dat niemand bij de Nieuwe Zaaksbehandeling afstand hoeft te doen van zijn recht op een uitspraak, maar dat we wel eerst verkennen of dat nu een oplossing voor het probleem is.
Voorbeeld: een dubbelgehandicapt kind dat thuis bij zijn ouders woont, heeft een pgb voor kinderopvang. Zonder die kinderopvang kan het kind misschien niet langer thuisblijven wonen, omdat de ouders de zware zorgtaak dan niet volhouden. Voor zo’n pgb gelden verschillende eisen, bijvoorbeeld dat er een zorgcontract moet zijn tussen zorgnemer en verlener en dat er een boekhouding moet zijn van traceerbare betalingen. Aan die eisen is niet voldaan, zodat het zorgkantoor het pgb na afloop van het jaar op € 0,- heeft vastgesteld en het bedrag heeft teruggevorderd. In het gesprek op zitting tussen de vader van het kind en de gemachtigde van het zorgkantoor, raakt het zorgkantoor er van overtuigd dat (a) de betalingen in ieder geval waren gedaan en (b) de zorg werkelijk was verleend. Wat merkbaar hielp was dat de vader twee medewerkers van de kinderopvang had meegenomen naar de zitting. Na de zitting moesten nog een paar dingetjes worden uitgezocht en ter zitting werden daar afspraken over gemaakt. Kortom: wat er in de werkelijkheid was gebeurd, strookte prima met de doelen van de wet, maar de spelregels waren niet nageleefd. Wat Michiel Jonker in zijn laatste alinea bepleit, leidt in dit geval tot een keurige formeel-juridische uitspraak waarin het beroep van het kind ongegrond wordt verklaard en het gezin blijft zitten met een forse terugvordering. Ik ben blij dat in dit geval het zorgkantoor toen het eenmaal ervan overtuigd was dat wat er werkelijk was gebeurd deugde afzag van de terugvordering (daar was ook een wettelijke mogelijkheid voor) en het beroep vervolgens werd ingetrokken.
Natuurlijk, dit is een succesverhaal. Andere keren werk je je als bestuursrechter drie keer door je deodorant heen op zitting en bereik je niets, zodat je alsnog uitspraak moet doen. Terwijl je voelt dat die uitspraak het werkelijke probleem niet oplost. Maar ik ben blij dat met onze Nieuwe Zaaksbehandeling het doen van formeel-correcte uitspraken niet langer onze default setting is en wij dus ook meer en meer successen zoals in het voorbeeld bereiken. Een reële oplossing voor een reëel probleem.

Michiel Jonker

@ 29. Lyngbakken en @ 30. André Verburg

Jullie reacties stemmen mij hoopvol. Niet alleen vanwege de inhoud op zich (waarover straks meer), maar ook door de moeite die jullie nemen om werkelijk in te gaan op mijn argumenten. Dat geeft de burger moed! En daarmee vormen jullie reacties een illustratie van wat de Nieuwe Zaaksbehandeling idealiter KAN gaan bijdragen – mits er in de praktijk straks niet hetzelfde gebeurt als met de eveneens hooggestemde idealen die er waren bij invoering van de bezwaarprocedure.

Graag wil ik om te beginnen vaststellen dat we het in beginsel eens lijken te zijn over de aard van het probleem, en het in ieder geval eens zijn over de noodzaak van een verbetering ten opzichte van de huidige gang van zaken in bezwaar- en beroepsprocedures. De vraag is vervolgens: hoe valt zo’n verbetering daadwerkelijk te realiseren?

De laatste alinea in het betoog van Lyngbakken (“Ik ben niet zo optimistisch om te denken dat….”) onderschrijf ik volledig. Voor zover de Nieuwe Zaaksbehandeling een toename van realisme behelst in rechterlijk onderzoek, oordeelsvorming, keuze van een oplossing en de uiteindelijk motivering daarvan, vind ik dat een zeer goede zaak.

Waar ik jullie niets over hoor zeggen, is het risico dat er met de Nieuwe Zaaksbehandeling, ondanks de goede bedoelingen, in de praktijk hetzelfde zal gebeuren als met de bezwaarprocedure. Hoe wil je dat voorkomen? Goede bedoelingen alleen zijn dan niet genoeg.

Wat er bij de bezwaarprocedure gebeurde, was dat er vanuit bestuurlijke kringen druk werd uitgeoefend (informeel en via de media) op de rechterlijke macht en op ambtenaren en anderen die bezwaren behandelden en/of in bezwarencommissies zitting hadden. Ik herinner me een bijeenkomst in mijn eigen organisatie waar we moesten luisteren naar bestuurder Van Kemenade, die een tour door heel Nederland maakte waarin hij met veel aplomb verkondigde dat “de rechter niet op de stoel van de bestuurder moet gaan zitten” – inmiddels gevleugelde woorden, of eigenlijk: een cliché. Rechters en bezwarencommissies: terug in je (kleine) hok!

Dit heeft veel effect gehad, niet alleen op de ruimte die bezwarencommissies en bestuursrechters namen in hun toetsing en beoordeling van zaken, maar ook op hun mentaliteit en denkwijze. De denkbeelden van Van Kemenade c.s. zijn door een heleboel functionarissen met een verbluffende gedweeheid geïnternaliseerd.

Hoe gaan we, in een “liquid” bestuurlijk en rechterlijk circuit (om even vrij naar Zygmunt Bauman te verwijzen), ervoor zorgen dat dit niet opnieuw gebeurt? De executieve is de laatste jaren bepaald niet terughoudender geworden in haar pogingen de rechtspraak te beïnvloeden.

In reactie no. 30 geeft André Verburg het mooie voorbeeld van het teruggevorderde pgb (persoonsgebonden budget), waartegen de ouders van een dubbelgehandicapt kind in bezwaar en beroep gingen. Verburg schrijft dan: “Wat Michiel Jonker in zijn laatste alinea bepleit, leidt in dit geval tot een keurige formeel-juridische uitspraak waarin het beroep van het kind ongegrond wordt verklaard en het gezin blijft zitten met een forse terugvordering.”

Nee, wat ik bepleitte, had ertoe geleid dat de bezwarencommissie reeds in de bezwaarfase het zorgkantoor ertoe had gebracht in een reële dialoog te treden met de ouders. Daardoor was het niet eens tot een beroepszaak gekomen. Dat zou dus een nòg groter succesverhaal zijn geweest dan in dit voorbeeld nu al het geval was.

Met name een opname in de wet (de Awb) van een verplichting om in de bezwaarfase ook te toetsen op “billijkheid” (of een vergelijkbaar criterium), kan aan bezwarencommissies de slagkracht geven om bestuursorganen tot een reële dialoog met de wederpartij te brengen.

Vervolgens moet duidelijk worden dat de “marginale toetsing” door de rechter, in ieder geval ook een toetsing behelst òf de bezwarencommissie serieus heeft getoetst op rechtmatigheid, doelmatigheid èn (straks ook) billijkheid. Rechters moeten leren om onderscheid te maken tussen (a) een toets òf de bezwarencommissie überhaupt goed heeft getoetst. Dat moet een rechter gewoon doen; en (b) het nog eens inhoudelijk overdoen van die eerdere toets. Dat hoeft een rechter niet te doen, maar wat mij betreft voelt hij zich wel VRIJ om dat wel te doen als er aanleiding voor is, in het belang van efficiëntie (proces-economie) en de “finaliteit” die nu genoemd wordt als aspect van de Nieuwe Zaaksbehandeling.

Ik ben het met Verburg eens dat het doen van formeel-correcte uitspraken geen goede default-setting is. De enige goede default-setting is het doen van RECHT in de volste zin van het woord. Maar de formele correctheid van uitspraken is wel een essentieel vereiste voor het doen van zulk recht. Binnen de kaders van de (kenbare, democratisch totstandgekomen) wet moet naar een optimale oplossing worden gezocht. Als de wet geen ruimte biedt voor zo’n oplossing, dan zouden rechters de moed moeten hebben om dat expliciet te benoemen in een uitgebreide, en dus niet louter formele motivering. Dit biedt dan vervolgens de wetgever een handvat om desgewenst de wet aan te passen.

Op die manier blijft het nieuwe realisme van de rechter straks niet steken in incidentele uitspraken, maar krijgt een lovenswaardige precedentwerking. Pas dan is er echt sprake van een reële oplossing voor het huidige reële en structurele probleem.

Ik ben benieuwd om van Lyngbakken en Verburg te horen hoe dicht onze opvattingen elkaar nu genaderd zijn. Zit er nog licht tussen, of stralen ze een gezamenlijk licht uit?

Michiel Jonker

P.S. Een alternatief zou zijn om de bezwaarfase af te schaffen en burgers rechtstreeks toegang tot de bestuursrechter te bieden. Maar ik vrees dat een dergelijke optie geen kans maakt op voldoende steun onder (wetgevende en besturende) politici.

lyngbakken

@30-32 André Verburg en Michiel Jonker:

Fijn om te zien dat rechters niet alleen de krant lezen :), maar ook internet volgen en daar zelfs ook reageren. Ik heb er ook het nodige van geleerd, en onderschrijf de dank van Michiel Jonker!
En Michiel, de dank van jou geldt ook omgekeerd: jij komt met argumenten die mij weer dwingen tot nadenken.

Michiel: je geeft een mooie samenvatting van iets dat mij ook een kernpunt lijkt: toename van realisme bij de rechter. Dat lijkt mij overigens breed te gelden: vandaag lees ik net over een Brabantse burgemeester die naar aanleiding van een strafzaak weer een maatschappelijke stage voor de rechter bepleit. Lijkt mij nog niet zo´n gek idee. Het is ook al eerder geopperd voor Tweede Kamerleden, en die suggestie is in ieder geval door Diederik Samson persoonlijk serieus genomen. Wie weet wordt de wens van de Brabantse burgemeester nu ook voor rechters vervuld, en willen rechters daar ook in mee? Ik ben benieuwd of Andrë Verburg dat ook als een steun voor de nieuwe zaaksbehandeling zou zien.

Op dit blog is onder ¨De rechter is machteloos tegen de chicanerende staat¨ door mr. V. Wosten eerder gesteld dat er in Nederland twee hoofdrichtingen zijn in het bestuursrecht: die van Tjeenk Willink en die van Brenninkmeijer. Het daar geschetste verhaal van Tjeenk Willink past goed bij dat van Van Kemenade zoals door jou weergegeven. Het spreekt ook mij niet aan. Volgens mij is het niet meer van deze tijd.

De visie van Brenninkmeijer doet dat meer. In reactie op mr. Wosten heb ik ook nog gewezen op een derde optiek: die van de eisen die het Europese Hof in Straatsburg stelt voor goede rechtspraak (met bijvoorbeeld finale en snelle afdoening van zaken). Mij lijkt dat de nieuwe zaaksbehandeling wel goed bij die twee optieken past.

Andrë Verburg: ik heb ook prof. Tom Tyler eens even gegoogled. Wat ik in zijn publicaties interessant vindt is dat hij heel duidelijk laat zien dat het in de praktijk voor burgers om veel meer gaat dan alleen de juridische kwaliteit van beslissingen van de overheid. Dat lijkt mij een belangrijk iets om ons te realiseren, en de nieuwe zaaksbehandeling lijkt ook daar oog voor te hebben. Ik denk dat een bijscholing van de rechters en bestuurders op dit punt ook heel nuttig is, om de nieuwe zaaksbehandeling ook in de toekomst succes te laten hebben en houden.

Ten slotte: Michiel, je wijst op de wenselijkheid van het overslaan van de bezwaarprocedure. De Awb kent al enige tijd artikel 7.1a die dit met wederzijds goedvinden mogelijk maakt. Er kan dus al wat, maar wellicht weten burgers dat niet echt. Misschien is het een idee dat bestuursorganen ook ruchtbaarheid gaan geven aan deze mogelijkheid (bijvoorbeeld door het te vermelden bij de bezwaarclausule?).

lyngbakken

PS: Michiel, zoals ik al eerder schreef zijn wij het in de kern (van wat wij belangrijk vinden) eens. De verschillen zitten in de uitwerking.
Dat lijkt mij nog steeds het geval, maar dat is niet onoplosbaar (en houdt ons wakker).

André Verburg

@ 31 en 32 Michiel Jonker en @ 33 en 34 lyngbakken

Met Michiel Jonker en lyngbakken denk ik dat wij drieën het grotendeels eens zijn over de analyse van wat het probleem is met de bezwaarprocedure en de beroepsprocedure, zoals die zich de afgelopen jaren hebben ontwikkeld. Ook de doelen en waarden die bezwaarprocedures en beroepsprocedures moeten dienen, laten tussen ons drieën geen grote verschillen zien. Zoals lyngbakken terecht zegt in reactie 34 zitten de verschillen in de instrumenten. Ik versta daaronder, de middelen die we inzetten, maar ook de manier waarop we naar die zaken kijken (de manier van toetsen of beoordelen).

Maar eerst vraagt reactie 32 van Michiel Jonker om een reactie: het afschaffen van de bezwaarprocedure en directe toegang tot de bestuursrechter. In de eerste plaats ben ik er nooit zo snel voor te porren om een procedure waarin problemen naar voren komen, dan maar meteen af te schaffen. Ik ben meer van de change by care dan van de change by rule. Ik zou dus liever proberen de bezwaarprocedure te verbeteren, dan deze af te schaffen. Zoals gezegd bereikt het BZK-project Prettig Contact met de Overheid mooie dingen op dit vlak. En inmiddels werken al 220 bestuursorganen, hetzij nog in kleine pionierstrajecten, hetzij al stevig verankerd in de werkprocessen, met de informele aanpak. Recent is er veel onderzoek gedaan naar de opvattingen van burgers over de bezwaarprocedure. Zie http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2011/07/15/beleving-burgers-in-bezwaar.html. Er zijn onderzoeken van De Waard en Herweijer en nog enkele andere onderzoeken. Kern van de uitkomsten: burgers geven de formele bezwaarprocedure (samen met de klachtprocedure) een lage waardering (TNO-NIPO-onderzoek 2009 in opdracht van het Ministerie van BZK: het “rapportcijfer” is een 4,8) en de informele aanpak een hoge waardering (Onderzoek van Van der Velden, Koetsenruijter & Euwema 2010: het “rapportcijfer” is een 7,2). Als bezwaarmakers de keuze krijgen, kiest ook zestig procent voor de informele aanpak. Eén van de belangrijke dingen blijkt te zijn dat sommige formeel als bezwaar ingestoken procedures eigenlijk gaan om andere dingen dan een beslissing op bezwaar: het is een bejegeningsklacht, een behoefte aan een reële uitleg of een wens om een keer serieus gehoord te worden (procedurele rechtvaardigheid).
Verder is het natuurlijk geen doel op zichzelf om de zaak helder bij de bestuursrechter te krijgen, maar ik moet zeggen dat in zaken waarin er wel een bezwaarprocedure is geweest, de zaak vaak veel helderder is “doorgeprocedeerd” dan in zaken zonder een bezwaarprocedure. Als rechter kan je dan beter te pakken krijgen waar het nu precies om draait en daarmee beter recht doen aan de zaak.
Bovendien kan de burger nu ook al verzoeken de bezwaarprocedure over te slaan, zoals lyngbakken in reactie 33 terecht zegt (artikel 7:1a Awb) en daarvan wordt niet veel gebruik gemaakt. Dus het lijkt niet echt in een behoefte te voorzien.
Ten slotte op dit punt, vanuit praktisch perspectief: ik houd er rekening mee dat de verhoging van de griffierechten er gaat komen. Eerder schreef ik hierover een opinie in een vaktijdschrift, ook samen met Bart Jan van Ettekoven (“Uurtje, factuurtje: rekeningrijden bij de bestuursrechter. Over kostendekkende griffierechten”, «JBplus» 2011, p. 142-157). En dan heb ik toch liever wel een bezwaarprocedure dan niet. Om dan burgers maar direct op kosten te jagen in een beroepsprocedure lijkt mij geen oplossing.

Dan de vraag of bepaalde zaken reëel aan de orde zouden moeten komen in beroep, met de Nieuwe Zaaksbehandeling, of in bezwaar, het liefst met de informele aanpak. In reactie 31 gaat Michiel Jonker in op mijn voorbeeld van het pgb. Tussen haakjes: na alle media-aandacht van de afgelopen maanden, dacht ik dat ik de term “pgb” zo kon gebruiken, maar waarschijnlijk terecht zegt hij er even bij wat dat is: een persoonsgebonden budget. Ik zei in reactie 30 “Wat Michiel Jonker in zijn laatste alinea bepleit, leidt in dit geval tot een keurige formeel-juridische uitspraak waarin het beroep van het kind ongegrond wordt verklaard en het gezin blijft zitten met een forse terugvordering.” Hij reageert in reactie 31 dat dit al in de bezwaarfase in een reële dialoog zou moeten worden opgelost. Toegegeven, ik schrijf hier vanuit twee rollen. (1) Als deelnemer aan dit debat, deel ik volledig dat dit soort zaken veel beter in bezwaar zou kunnen worden opgelost dan in beroep (vandaar ook mijn blijheid in reactie 30 over die reactie van dat bestuursorgaan op het artikel van Van Ettekoven en mij: als bestuursrechters dit gaan doen, dan moeten wij het in bezwaar ook hoognodig gaan doen). Anders dan bij het onderwerp griffierechten, ben ik bij het onderwerp goede bezwaarprocedures de eerste om toe te juichen dat er minder zaken bij de bestuursrechter terecht komen. (2) Maar als bestuursrechter heb ik het te doen met de zaken zoals ik die op mijn bord krijg. Per definitie is het dan niet gelukt om er in bezwaar op een goede manier uit te komen. En die tweede positie die ik hier bedoel (ik heb het als bestuursrechter te doen met de zaken die ik op mijn bord krijg), vind ik op twee manieren belangrijk. De eerste is heel eenvoudig de feitelijke gang van zaken: dat dossier komt op mijn bureau en los van de vraag aan wie dat ligt, ik kan er nu als rechter iets aan proberen te doen. De normatieve opvatting dat dat eigenlijk al in bezwaar had moeten gebeuren, helpt niet bij het simpele feit dat dat dossier op mijn bureau is beland en gaat mij niet afhouden van een poging nu te proberen tot een reële oplossing te komen. De tweede is meer ethisch van aard. In mijn ogen is the agreement to disagree essentieel. Partijen in een bezwaarfase weten dat als zij er niet in bezwaar uitkomen, altijd de rechter om een oordeel kan worden gevraagd. Juist die wetenschap dat ze niet met de rug tegen de muur staan, maakt hopelijk dat zij in bezwaar vrijer kunnen bewegen en zoeken naar alternatieven, maar ook kunnen vasthouden aan dat waarvoor zij staan. Het spel in bezwaar blijft eerlijk, als je weet dat je naar de rechter kunt. Vanwege dit punt, kijk ik heel feitelijk, en niet verwijtend, aan tegen zaken die bij ons binnenkomen. Bijna nooit zal ik tegen (een van de) partijen zeggen “Hadden jullie dat nou niet in bezwaar kunnen regelen?”. Bottomline is dat ik als bestuursrechter het te doen heb met wat ik aan zaken krijg. Ik zal in beroep als ik een zaak voor mijn neus krijg (feitelijk), niet een reële oplossing uit de weg gaan, omdat ik van mening ben (normatief) dat dit beter in bezwaar had kunnen worden geregeld.

Het moeilijkste punt is de beoordelingswijze of toetsingswijze van de bestuursrechter. Ook ik moest, net als lyngbakken in reactie 33, denken aan de blog van Jensma van 4 februari jl. (“Ook de rechter is machteloos tegen chicanerende staat”). In het laatste stuk van die blog gaat Jensma trouwens met instemming in op de Nieuwe Zaaksbehandeling. Daarover heb ik ook nog wat om in dit debat te delen, maar dat moet ik nog wat preciezer overdenken. Toegegeven, een cliffhanger op het spannendste punt, maar dat moet dan maar. Eerst vraagt de Nieuwe Zaaksbehandeling in de praktijk mijn aandacht: mijn zitting van morgen.

Michiel Jonker

@ 35. Lyngbakken

Bedankt voor je vriendelijke woorden. Maar noch door jou, noch door rechter André Verburg is tot nog toe ingegaan op mijn vraag: hoe zorgen we ervoor dat bestuursrechters zich niet opnieuw de wet laten voorschrijven door de uitvoerende macht?

Deze vraag valt mijns inziens toe te spitsen in de vorm van twee subvragen:

(1) Hoe kan ervoor worden gezorgd dat de mentaliteit van bestuursrechters na de introductie van de nieuwe zaaksbehandeling niet opnieuw “verbestuurlijkt”? Hoe komen we tot een gezonde rechtscultuur in het bestuursrecht?

(2) Hoe kan ervoor worden gezorgd dat bestuursrechters die de nieuwe zaaksbehandeling straks goed in praktijk brengenn, niet worden teruggefloten door de sterk met de uitvoerende macht verbonden Raad van State?

Ik vrees dat rechter Verburg, ondanks zijn bovenstaande bijdrage aan onze discussie, het niet aan zal durven om op deze twee punten krachtige ideeën naar voren te brengen. Immers, hij moet denken aan het onderhouden van goede relaties binnen de rechterlijke macht – niet alleen omwille van zijn eigen loopbaan, maar ook om ervoor te zorgen dat de nieuwe zaaksbehandeling niet onmogelijk wordt gemaakt of volledig wordt uitgehold door “the powers that be”.

Maar juist dergelijk “niet aandurven” van bestuursrechters raakt ook de kern van het probleem. Het is een vicieuze cirkel.

Zelf denk ik aan de volgende antwoorden op mijn twee vragen:

Ad (1): Er zijn manieren denkbaar om de media uit te nodigen tot het spelen van een constructieve rol als het gaat om het bij de les houden van bestuursrechters (en bezwarencommissies). Je zou bijvoorbeeld een jaarlijkse “Twan Tak Award” kunnen uitdelen aan de vijf slechtste bestuursrechtelijke uitspraken, met een jury waarin bestuursrechtwetenschappers, leken, de Nationale Ombudsman en journalisten als Jensma zitting hebben. En in combinatie daarmee een “Tjeenk Willink Award” voor de vijf best gemotiveerde bestuursrechtelijke uitspraken. De presentatie moet groot op TV (en achteraf gratis op internet), met een presentator van formaat die humor en inhoudelijke scherpte verenigt. (Ik zou het zelf graag willen doen, maar dan moet ik wel eerst een cursus volgen…) Uiteraard worden betrokken partijen, dan wel hun advocaten, uitgenodigd om in de zaal aanwezig te zijn en te vertellen hoe zij de procedure en de uitspraak hebben beleefd.

Ad (2): De formele èn informele splitsing van de Raad van State in een adviserend en een rechtsprekend orgaan moet nu eindelijk worden doorgezet. Dubbelfuncties, zoals nu gangbaar, moeten uit den boze worden.

Wat vind jij van mijn beide voorstellen?

Michiel Jonker

@ 35. André Verburg (reactie no. 35 was ten tijde van mijn voorafgaande bijdrage nog niet zichtbaar op dit blog). Puntsgewijs:

(1) De mogelijkheid om de bezwaarprocedure af te schaffen was in mijn ogen niet meer dan een theoretische mogelijkheid die even moest worden genoemd. Toch besteed jij er relatief veel aandacht aan. Misschien is dat terecht. Want waarom zou men een extra procedure moeten invoeren en handhaven, als die in de praktijk niet goed functioneert?

Jouw argument “liever change by care dan change by rule” snijdt om twee redenen geen hout. (1) Pas anderhalf decennium geleden is de bezwaarprocedure “by rule” ingevoerd. Waarom zouden we niet krachtig mogen snijden in slecht functionerende procedures? Jouw houding leidt ertoe dat onze bureaucratie alleen maar verder zou mogen groeien en niet zou mogen afnemen.(2) Het is best mogelijk de bezwaarprocedure “with care” af te schaffen. Bijvoorbeeld door dit te combineren met de invoering van de nieuwe zaaksbehandeling in beroepsprocedures, èn een deel van het geld dat gemeenten op de afschaffing van de bezwaarprocedure besparen, over te hevelen naar de rechterlijke macht ten behoeve van capaciteitsuitbreiding.

Natuurlijk gaat dat niet gebeuren – leer mij onze pappenheimers kennen. Elke institutie zit als een draak op zijn geldstromen, zijn bevoegdheden en zijn macht. Ik zeg alleen maar dat het kan, als we het willen. En dat het ons in totaal uiteindelijk geld zou kunnen besparen.

Je argument over “bejegening” snijdt ook geen hout. Waarom zouden burgers in een bezwaarprocedure beter bejegend kunnen worden dan in een beroepsprocedure? Omdat rechters nu eenmaal horken zijn? Jij bent dat alvast niet.

Dan schrijf je: “Verder is het natuurlijk geen doel op zichzelf om de zaak helder bij de bestuursrechter te krijgen, maar ik moet zeggen dat in zaken waarin er wel een bezwaarprocedure is geweest, de zaak vaak veel helderder is “doorgeprocedeerd” dan in zaken zonder een bezwaarprocedure. Als rechter kan je dan beter te pakken krijgen waar het nu precies om draait en daarmee beter recht doen aan de zaak.”

Helaas, in de praktijk bestaat dat helder “doorprocederen” er vaak uit dat bestuursorganen de gelegenheid krijgen gebreken in hun besluiten waar de burger terecht naar wijst, kosmetisch te repareren voordat de zaak bij de rechter komt. Bijvoorbeeld door alsnog nieuwe motieven aan te voeren op grond waarvan het besluit zou zijn genomen (herschrijven van de geschiedenis). Na deze “verheldering” is het voor bestuursrechters des te gemakkelijker het beroep van de burger ongegrond te verklaren.

Ook houden bestuursorganen in de bezwaarprocedure vaak tot op het laatst informatie achter of presenteren die niet helder, waardoor de burger op het verkeerde been wordt gezet. De nieuwe zaaksbehandeling in beroepsprocedures kan dat straks misschien compenseren, maar dat is geen argument voor het nut van de bezwaarprocedure.

Dat burgers weinig gebruik maken van de mogelijkheid om te verzoeken om de bezwaarprocedure over te slaan (artikel 7:1a Awb), beschouw jij ten onrechte als een aanwijzing dat daar kennelijk weinig behoefte aan is. Ik hoop dat je als rechter zorgvuldiger redeneert. Het is (zoals Lyngbakken ook al aangaf) goed mogelijk dat burgers niet op de hoogte zijn van deze mogelijkheid; ook is het mogelijk dat de weinigen die er wel van op de hoogte zijn, het op voorhand onwaarschijnlijk achten dat het bestuursorgaan ermee zal instemmen, en dus niet de moeite nemen erom te verzoeken. Immmers, de bezwaarprocedure werkt nu veelal in het “voordeel” (instrumenteel, op de korte termijn) van bestuursorganen.

Je argument met betrekking tot het “naar verwachting voldongen feit” van verhoogde griffierechten vind ik kwalijk. Hiermee laat jij je als bestuursrechter eigenlijk voor het karretje van onze huidige uitvoerende macht (de regering) spannen. Dat is nu precies de houding waar rechtzoekende burgers zoveel last van hebben. Als de bezwaarprocedure zijn bestaansrecht moet ontlenen aan het feit dat echte rechtspraak onbetaalbaar is gemaakt, dan is er van onze rechtsstaat weinig over.

(2) Je gaat in op het voorbeeld van de procedure van die ouders tegen de terugvordering van hun pgb. Ook hier maak je een denkfout. Eigenlijk zeg je hier dat, omdat jij nu eenmaal een rechter bent (jouw “tweede positie”), jij het belang van een optimale oplossing voor beide rechtzoekende partijen (ouders en zorgkantoor) even wat minder relevant vindt dan de vraag hoe jij zelf als rechter een second-best (tweede-keus-) oplossing kunt bewerkstelligen. Dat is geen vraaggerichte manier van denken, maar een aanbodgerichte. “Ik verkoop beroepsrechtspraak, en daarom vind ik een oplossing in een beroepsprocedure interessanter dan een oplossing die al in een eerdere fase wordt bereikt.” Oftewel: “Wij van WC-eend adviseren WC-eend”.

Natuurlijk, als een dossier eenmaal op jouw bureau ligt, probeer je dat zo goed mogelijk te behandelen. Maar het ging hier over mijn standpunt dat de nieuwe zaaksbehandeling in de bezwaarprocedure zou moeten worden geïmplementeerd, en dat de rechter daarop zou moeten TOEZIEN.

Je komt vervolgens met een “ethisch” argument. Je schrijft: “Het spel in bezwaar blijft eerlijk, als je weet dat je naar de rechter kunt. Vanwege dit punt, kijk ik heel feitelijk, en niet verwijtend, aan tegen zaken die bij ons binnenkomen. Bijna nooit zal ik tegen (een van de) partijen zeggen “Hadden jullie dat nou niet in bezwaar kunnen regelen?”.”

Wat jammer. In jouw pgb-voorbeeld was het juist goed geweest om dit als rechter tegen het zorgkantoor te zeggen. Bijvoorbeeld zo: “Waarom nemen jullie die twee toch al overbelaste ouders pas serieus nu ze jullie, met veel extra moeite en het risico van hoge kosten, voor de rechter hebben gesleept? Waarom zijn jullie niet meteen een reële dialoog met deze burgers aangegaan?”

Als de advocaat van het zorgkantoor dan eerlijk zou antwoorden, zou hij zeggen: “Omdat mijn cliënt dacht dat hij er wel mee weg zou komen, vanwege het feit dat die ouders het toch wel zouden opgeven omdat ze het te druk hadden met hun dubbelgehandicapte kind. Wij hadden alle tijd en ik word gewoon betaald uit belastinggeld.”

Als het jou echt om ethiek gaat, dan lijkt het me belangrijk dat jij het cynisme (verborgen achter een o zo fatsoenlijk poker face) waarmee veel bestuursorganen burgers kapot-procederen op kosten van de belastingbetaler, als bestuursrechter klip en klaar gaat benoemen.

Want in de meeste bezwaarprocedures gaat het er, in tegenstelling tot wat jij beweert, helemaal niet eerlijk aan toe. Bestuursorganen stellen in hun bezwaar- en beroepszaken bijna nooit het algemeen belang voorop, maar vrijwel altijd het korte-termijn-belang van het “in de procedure gelijk krijgen” door de eigen organisatie. Zelfs als iedereen via de media al weet dat die organisatie eigenlijk een rotstreek heeft geflikt waarvan burgers het slachtoffer dreigen te worden of al geworden zijn.

Bestuursrechters zullen hun gezag “op straat” alleen terugkrijgen als ze onfatsoenlijk gedrag van bestuursorganen, inclusief het onnodig rekken van procedures, ook als zodanig durven te benoemen.

lyngbakken

@35 André Verburg en 36 Michiel Jonker

Michiel: jij schrijft nu dat vooral voorkomen moet worden dat de bestuursrechter zich weer de wet laat voorschrijven door de uitvoerende macht.
Persoonlijk voel ik me veel meer aangesproken door het doel dat je eerder formuleerde: hoe krijgen we het zover dat de rechter op zitting weer RECHT doet in de breedste zin van het woord. Deze doelstelling vind ik positiever en stimulerender dan de ¨voorkom¨-doelstelling. Ik vraag me ook af wat de burger nu heeft aan die voorkomdoelstelling. Heb je dan niet binnen de kortste keren weer veel formele vernietigingen waar de burger uiteindelijk weinig mee opschiet?

Mijn keuze ligt dus dichter bij die van André Verburg: change by care, en niet change by rule. Zoals ik al eerder schreef geloof ik ook niet zo sterk in de kracht van regels pur sang; inbedding ervan en een bepaalde cultuur om ermee om te gaan zijn minstens zo belangrijk; net als het op het netvlies houden van het doel dat zij moeten dienen. Volgens mij is een van de problemen van juristen dat zij geneigd zijn zich te veel blind te staren op regels pur sang, dat dan tot ongeluk van de buitenwereld.

Garanties bestaan niet in het leven, en dat geldt ook hier. Ik kan jou begrijpelijke vraag daarom ook niet voorzien van een voor jou wenselijk antwoord.
Ik zou bovendien ook geen rechter wìllen die wel even zegt hoe het bestuur moet opereren. Een dergelijke rechter zit vrees ik snel in een ivoren toren van het eigen gelijk op grond van de wet,
Ook hier geldt voor mij: die tijd hebben we gehad. Een dergelijke oplossing zou volgens mij daarom ook praktisch niet werken.

Wat mij betreft moeten rechters vooral goed luisteren naar wat er speelt, en daar iets mee doen. In dat kader kun je ook mijn opmerking over de maatschappelijke stages plaatsen.
Juist als je een luisterende rechter wilt, is er geen simpele oplossing vooraf. Die hangt dan immers af van dat waar partijen mee komen.

Een Twan Tak-award vind ik een leuk idee, maar ik vraag me wel af of Twan Tak er blij mee zou zijn als dat een soort ¨Razzie¨ (tegenhanger van de Oscars) zou worden. Hij zou vast jaloers worden op Tjeenk Willink.
Het idee om goed in kaart te krijgen wat goede en niet goede uitspraken zijn vanuit de burger bezien spreekt me op zich overigens wel aan. Ik weet uit eigen ervaring hoe moeilijk bestuursrechtelijke uitspraken soms te lezen zijn. Ik vraag me ook af of rechters daar wel echt aandacht voor hebben, en als prijzen daarbij helpen, lijkt me dat prima, maar op zich niet genoeg. Juristen schrijven en praten uit zichzelf vaak ingewikkeld. Prijzen zijn dan niet genoeg, er moet meer gebeuren. André Verburg: hoe zie jij dat?

Michiel: op dit blog heb ik al eerder geschreven een voorstander te zijn van de door jou bepleite splitsing bij de Raad van State. Ik onderschrijf dat dus, maar ik weet ook dat dat al vele jaren wordt bepleit door mensen met meer invloed en gezag dan bescheiden blogschrijvers. Dat is dus een kwestie van lange adem, waarbij Straatsburg misschien weer nodig is (na het Procola-arrest). Hier zie je wat mij betreft ook weer duidelijk dat er geen snelle magische oplossing is.

André Verburg: ik heb meteen jouw link opgeslagen, en ik zie tot mijn vreugde dat er breed naar de bezwarenprocedure is gekeken. In veel gevallen lijkt een informele oplossing goed, snel, bevredigend voor de burger en ook nog eens goedkoper. Dat lijken mij in ons land krachtige argumenten (vooral de laatste :).

Ik begrijp je verhaal over de rollen nog niet. Waarom zou een uitspraak van de rechter in je pgb-voorbeeld formeel-correct moeten zijn? Doel je daar op de eis van een schriftelijk contract? Zo ja, welk praktisch belang was er nu nog gediend met het vasthouden aan de eis van het formele contract? Als ik het goed begrijp inhoudelijk geen enkel. Zou een rechter daar niet overheen kunnen stappen als blijkt dat het doel van de wet op zich inhoudelijk helemaal is bereikt en zo´n budget voor ouders essentieel is? Is dat doel van de wet dan niet beslissend?

Tot slot: ik ben benieuwd naar je cliff-hanger!

Michiel Jonker

@ 38. Lyngbakken

Je creëert een kunstmatige, onnodige en onjuiste tegenstelling tussen de twee doelen die ik noemde. Het hoofddoel van een goede rechter is en blijft mijns inziens: “RECHT doen in de volste zin van het woord”. Een goede bestuursrechter leidt daarvan onder andere het ook zeer essentiële doel af, dat hij zich niet de wet moet laten voorschrijven door de uitvoerende macht. Immers, als hij dat wel laat gebeuren, is hij geen onpartijdige rechter meer in disputen tussen burgers en de uitvoerende macht (bestuursorganen).

De werking (het effect) van een formele vernietiging van een besluit van een bestuursorgaan hangt in sterke mate af van de motivering die de bestuursrechter erbij geeft. Formele vernietiging van onjuiste bestuursbesluiten is in alle opzichten prima, zolang de rechter die vernietiging maar goed motiveert.

Jij lijkt graag een bestuursrechter te willen die alleen maar een beetje met woorden masseert, maar niet zijn tanden durft te laten zien. Een beetje pappen en nathouden. Het is echter niet of-of, zoals jij suggereert, maar en-en: zowel goed motiveren, als formeel de juiste uitspraak doen om aan deze motivering een juridisch bindende kracht te geven.

Rechters zijn er om juridisch bindende uitspraken te doen. Dat is het verschil tussen enerzijds een rechter en anderzijds een bezwarencommissie of een ombudsman.

Als jij onder “change by care” verstaat dat we het idee van bindende rechterlijke uitspraken maar een beetje moeten loslaten, dan praat je eigenlijk over “change by chaos”. Ik vermoed dat dit niet is wat rechter André Verburg hiermee bedoelde, maar ben benieuwd wat hij daar zelf over zegt. Het respecteren van regels is, anders dan jij suggereert, helemaal niet hetzelfde als “zich blindstaren op regels”. Weer zo’n onzuivere suggestie. We moeten geen bestuursrechters krijgen die zich als flower power hippies gaan gedragen en tegen de burger zeggen: “Just relax, man! Take a beer or a smoke… Have a bit of trust. The sun is shining, government is cool…”

Nee, garanties bestaan inderdaad niet in het leven. Maar wat wil je hiermee zeggen? Heb ik het over garanties gehad? Nee toch? Nou dan.

Ik denk dat Twan Tak juist verguld zou zijn als zijn kritische blik op de bestuursrechtspraak met zo’n Award verankerd wordt in de publieke belangstelling. Er is niks mis met een kritische attitude. Natuurlijk zijn dergelijke prijzen niet “genoeg”. Het gaat erom dat ze bestuursrechters stimuleren om wèl genoeg te doen. Heb jij nog andere, wellicht meer effectieve ideeën?

En nee, natuurlijk is er geen “magische oplossing”. Het ergert me dat je impliciet suggereert dat ik daarop doel. In de praktijk wil een meerderheid van onze huidige politici de Raad van State niet splitsen: deze politici vinden het wel prettig dat er in Nederland geen echt onafhankelijke bestuursrechtspraak is.

Er moet dus politiek geknokt worden voor de onafhankelijkheid van onze bestuursrechtspraak. Dat wil zeggen: voor het herstel van onze rechtsstaat.

Bij de eerstvolgende verkiezingen zal ik dus heel goed kijken naar de standpunten van de politieke partijen over de Raad van State – en naar het “ontbreken” van duidelijke standpunten daarover. Elke partij die op dit punt geen stelling neemt, zegt eigenlijk dat hij geen onafhankelijke bestuursrechtspraak wil.

lyngbakken

@ 39 Michiel Jonker,

Michiel, de dingen die jij leest in mijn blog schrijf ik niet en bedoel ik evenmin.
Wat mij betreft blaf je tegen een verkeerde boom.

Ik zie zich verder een mogelijke herhaling aftekenen van eerdere blogs. Dat heeft geen zin, en daar heb ik bovendien geen zin in. Daarom laat ik het hierbij.

Michiel Jonker

@ 40. Lyngbakken

Jammer dat je meteen weer wegduikt als het voor jou lastig wordt. Waarom maak je niet specifiek wat je dan wèl bedoelt? Inderdaad, dit is een herhaling van het patroon in eerdere blogs. Ken je het bekende spreekwoord? “Blaffende honden bijten niet.” Je hoeft niet zo bang voor mij te zijn. En jij bent toch geen boom? Je kunt ook in beweging komen, als de inhoud van de discussie dat vereist.

Je demonstreert hiermee een probleem dat burgers ook vaak tegenkomen in het contact met overheden en hun juristen: die zijn vaak niet werkelijk aanspreekbaar en niet bereid hun positie bij te stellen, ook niet als daar inhoudelijk wel aanleiding voor is. En als ze daarop dan kritiek krijgen, verwijten ze de criticaster een verkeerde toon, of een gebrek aan gevoel voor “verhoudingen”, of een overdaad aan woorden, of juist een gebrek aan onderbouwing, etc., zonder op de inhoud in te gaan.

Het zou mooi zijn als jij zelf ook de andere cultuur gaat belichamen waarvan je hoopt en verwacht dat de nieuwe zaaksbehandeling die met zich mee gaat brengen.

Wat rechter André Verburg betreft, hij heeft het naar ik aanneem druk. Of hij nog bereid zal zijn te reageren op mijn reactie @37 (al was het bijvoorbeeld maar om te zeggen dat hij het ermee eens is), daar begin ik aan te twijfelen – maar misschien is mijn twijfel voorbarig.

lyngbakken

@39 Michiel Jonker

Michiel: ik heb nog wel een nieuwe bijdrage van een ander (Brenninkmeijer) te melden: zie http://njblog.nl/2010/02/15/de-instrumentele-rechter/.

lyngbakken

En dan ook: http://njblog.nl/2011/04/18/de-instrumentele-rechter-2/.
Hoe kijk je tegen deze 2 blogs aan?

lyngbakken

@41 Michiel Jonker

Michiel, waarom zou ik bang voor jou zijn?

Als je bedoelt dat de toon van je laatste blog niet erg vriendelijk en uitnodigend was, ben ik dat met je eens. Maar dat was niet de eerste keer. Daar ben ik wel aan gewend, hoewel ik nog steeds niet begrijp waar het goed voor is. Waarom doe je dat eigenlijk? In andere blogs van je zie ik dat je dat helemaal niet nodig hebt.

Het gaat en ging mij erom dat we in herhaling vervallen, en dat is volgens mij zinloos.
En ik ben gelukkig ook niet verplicht om daar dan toch in mee te gaan.

Maar ik heb het bij die vaststelling niet gelaten: ik heb vrijdag nog 2 blogs met verwijzingen naar andere blogs geplaatst op dit forum, met een verzoek om reactie.

Ten slotte: ik heb niet de behoefte om het helemaal eens met jou te worden. Wat ik wel graag wil is dat we elkaar over en weer nieuwe inzichten geven. Ik hoop dat beide punten ook voor jou gelden.

Michiel Jonker

@ 42. en @43. Lyngbakken

Bedankt voor de attendering en de links naar de artikelen. Ik heb ze gelezen. In het eerste artikel (15-2-2010) wijst Brenninkmeijer terecht op de funeste gevolgen van de inperking van de beoordelingsvrijheid van de bestuursrechter, waardoor die steeds meer wordt gereduceerd tot een soort uitvoeringsinstrument van de wetgever, die zich op zijn beurt weer geheel lijkt te voegen naar het perspectief van de uitvoerende macht. Daardoor dreigt uiteindelijk ook de rechter te worden gereduceerd tot een onderdeel van de uitvoerende macht, namelijk tot een ambtenaar die het stempel “rechtsgeldig” onder de besluiten van bestuurders mag zetten.

Aan het einde van dit eerste artikel trekt Brenninkmeijer mijns inziens de juiste conclusie: “Rechtspraak heeft een intrinsieke waarde die voor doorsnee burgers essentieel is: een rechter wikt en weegt en maakt keuzes. De notie rechtspraak is uiteindelijk verbonden met rechtvaardigheid. De rechter die slechts spreekbuis van de wet is, wordt door de burgers in zijn specifieke rol niet goed herkend. Ook tussen overheid en burger geldt als belangrijke afweging dat wat partijen over en weer in redelijkheid van elkaar mogen verwachten. De wetgever mag die afweging niet instrumenteel wegsnijden.”

Brenninkmeijer richt zijn kritiek dus op de wetgever, die geen oog meer lijkt te hebben voor het wezenlijke belang van serieuze, ethische rechtspraak voor het functioneren van onze staat en onze samenleving.

Voor de discussie tussen jou en mij is het relevant dat Brenninkmeijer terecht aangeeft dat de rechter niet “SLECHTS” een spreekbuis van de wet moet zijn. Anders dan jij in verschillende discussies deed, suggereert Brenninkmeijer NIET dat de rechter moet kunnen afwijken van de wet. Brenninkmeijer legt de oorzaak van dit onderdeel van het probleem waar die thuishoort, namelijk bij de wetgever. Hij vraagt rechters NIET om iets op te lossen dat door de wetgever moet worden opgelost.

Een ANDER onderdeel van het probleem is de attitude van rechters zelf bij de manier waarop ze gebruik maken van de beoordelingsvrijheid die de wetgever hun nog wel heeft gelaten.

In het tweede artikel (18-4-2011) stipt Brenninkmeijer dit tweede onderdeel van het probleem wel aan, maar gaat er niet diep op in. Hij focust opnieuw op het belang van beoordelingsvrijheid.

In de praktijk van de rechtspraak is er sprake van een wisselwerking tussen drie factoren:
- beoordelingsvrijheid van de rechter (bepaald door de wetgever);
- attitude van de rechter (bepaald door de rechter);
- de roep van burgers om rechtvaardige oordelen van rechters.

Jij lijkt van mening te zijn dat het doel van rechtvaardigheid een bijzonder middel heiligt, namelijk dat de rechter op de stoel van de wetgever gaat zitten, al dan niet vermomd als mediator. Ik denk dat als rechters dit zouden proberen, het een boemerang-effect zou hebben waardoor we uiteindelijk nog veel verder van huis zouden zijn. Dan zou de wetgever namelijk een terechte aanleiding krijgen om rechters in een keurslijf te dwingen. Het is dus goed als rechters niet in deze val trappen.

Tegelijk lijken rechters de verantwoordelijkheid voor sub-optimale uitspraken soms op de wetgever te willen schuiven, in gevallen waarin de oorzaak vooral hun eigen gebrek aan durf is om maximaal gebruik te maken van hun resterende beoordelingsvrijheid.

De kracht van een rechter zit in zijn mogelijkheid om zijn uitspraken te motiveren. Als hij, omwille van rechtvaardigheid, een uitspraak doet waarmee hij de grens van zijn beoordelingsvrijheid nadert, kan hij in zijn motivering aangeven waarom hij dat doet, waarom dat nodig is, waar hij de grens van zijn beoordelingsvrijheid ziet, en waarom. Ook heeft een rechter de vrijheid om in zijn motivering aan te geven dat een wet hem verplicht een uitspraak te doen die de ethische toets der kritiek niet kan doorstaan. Dat zal de wetgever hem vaak niet in dank afnemen, maar daarvoor hebben wij nu juist de rechterlijke onafhankelijkheid en baanzekerheid.

Wat we in Nederland echter in het bestuursrecht zien, zijn rechters die zich samen met de wetgever en de uitvoerende macht achter een regenteske façade verschuilen en dan doen alsof er, ondanks evident onrechtvaardige en slecht gemotiveerde bestuurlijke besluiten, eigenlijk niets aan de hand is. Op die manier degraderen bestuursrechters zichzelf tot loopjongens van het bestuur. Of ze identiciferen zich zelfs met het bestuur, zoals bijvoorbeeld de heren(/dames?) die er geen been in zien dubbelfuncties te vervullen in de Raad van State: rechtsprekend en ondertussen het bestuur adviserend over wetgeving.

Er zou in de bestuursrechtspraak een meer “Socratische” cultuur moeten komen, maar dan wel één waarin een serieuze wisseling van redelijke argumenten en het delen van feitenkennis de centrale plaats inneemt die in een open maatschappij mag worden verwacht. (Dus niet alleen het soort gewiekste retoriek waarin Socrates óók een meester was – als we Plato’s weerslag moeten geloven.)

Om die reden ben ik zo fel op twee dingen die ik in jouw manier van debatteren telkens zie terugkomen:
- je doet veel vage, suggestieve uitspraken die meer lijken op de taal van een spindoctor dan op die van een waarheidszoeker;
- je breekt de discussie af als je geen argumenten meer lijkt te hebben, waarbij je doet alsof mijn felle toon (“geblaf”) het jou onmogelijk maakt een constructieve discussie te voeren.

Dat is dezelfde manier van argumenteren die ik ook in bestuursrechtelijke procedures vaak heb gezien – van de kant van het bestuur, en vervolgens braaf gevolgd door bestuursrechters.

Burgers beginnen door te krijgen dat die non-communicatie en die warrige manier van argumenteren geen teken is van superieure kennis van het recht, maar gewoon een manier om ze af te schepen. De keizer heeft geen kleren aan.

Voor het gezag van rechters zijn goede motiveringen minstens even essentieel als kleren dat zijn voor het gezag van een keizer – op de wat langere duur.

André Verburg

@ lyngbakken 33 en Michiel Jonker 31, 37, 41
De discussie naar aanleiding van dit blog begint, als ik het goed zie, ten einde te lopen. Van mij volgt hier de laatste posting in dit debat. Omdat ik deze week drie zittingen had, kwam ik helaas niet toe aan een eerdere reactie. En de komende tijd ziet er niet veel rustiger uit. Zo kom ik wel erg achter de ontwikkeling van zo’n debat aan hollen. Daarom maak ik de keuze nog op een paar specifieke dingen te reageren; dat is het maximale wat ik nu kan bijdragen. Maar toen ik er eenmaal voor ging zitten, had ik uiteindelijk toch 2.500 woorden.

En in deze laatste bijdrage los ik een belofte in die ik deed in reactie 35 om nog iets te zeggen over de toetsingswijze van de bestuursrechter. Dat gaat wat mij betreft ook over de harde kanten van het bestuursrecht. En niet zo zeer over onwillige bestuursorganen die de burger dwars zitten. In mijn praktijk als bestuursrechter zie ik wel eens bestuursorganen die aan het begin hebben gekozen voor een bepaalde uitkomst en het komt wel eens voor dat zij tamelijk star vasthouden aan die gekozen uitkomst, maar veel vaker zie ik bestuursorganen die naar beste vermogen proberen hun opgedragen wettelijke taak uit te voeren. En die taak brengt vaak mee dat zij de brenger van het slechte nieuws zijn. Dat de bejaarde man die een steeds slechter zicht heeft niet langer een rijbewijs mag hebben, dat de nieuwe woningbouwlocatie hier toch moet komen als je alle belangen afweegt, dat onvoldoende zekerheid bestaat over het al of niet samenleven van deze mevrouw om haar verantwoord een bijstandsuitkering toe te kennen, dat de volwassen man die in zijn jeugd een paar rare dingen deed, zeker sinds “Alphen”, geen wapenvergunning gaat krijgen, etc. Dat zijn allemaal beoordelingen aan de hand van wettelijke regels die zijn gesteld in het algemeen belang. In de meeste van deze voorbeelden speelt trouwens geen belangenafweging, dus met “marginale toetsing” van de bestuursrechter (waartegen Michiel Jonker zich in de huidige vorm van die toetsing lijkt te keren als ik het goed lees in reactie 31) heeft het niet te maken.

Ik herinner mij goed een aantal zaken die op grond van wat er in beroep was aangevoerd (de bestuursrechter mag en moet alleen beslissen op de beroepsgronden die de burger aanvoert) volstrekt kansloos waren, terwijl er dan toch een gemachtigde van het bestuursorgaan binnenstapt in de zittingszaal die zegt “ik heb bij de voorbereiding van deze zaak een fout van ons ontdekt en dat is wel niet in beroep aangevoerd, maar ik trek het besluit in en we gaan er nog eens naar kijken”. Dat zijn bestuursorganen die zo goed mogelijk willen zorgen dat de mensen die volgens de wet recht hebben op bijvoorbeeld een uitkering die ook krijgen én dat mensen die daar geen recht op hebben die ook niet krijgen. Michiel Jonker mag dan zeggen dat dat er al in bezwaar had moeten worden uitgevist (normatief), maar als het (feitelijk) pas in beroep aan het licht komt, vind ik dat een prima en integere manier van besturen.

Zoals ik bestuursorganen met verschillende houdingen zie, zo zie ik in mijn werk ook verschillen tussen burgers die in beroep komen. Sommigen zijn gewoon zeurkousen, sommige zijn verwende burgers, maar verreweg de meesten komen op voor een verdedigbaar standpunt in wat zij zien als hun recht. Al die verschillende attitudes en bedoelingen van bestuursorganen en burgers geven mij geen aanleiding om het bestuursprocesrecht in te richten vanuit één perspectief, een negatief denkbeeld over bestuursorganen (vergelijk reactie 37).

Zowel Michiel Jonker in reactie 31 als lyngbakken in reactie 33 heeft het over Van Kemenade. Maar dan hebben we het over 1997 (het rapport “Bestuur in geding”). In zekere zin invloedrijk geweest, ja zeker, maar het gaat eigenlijk terug op een veel langere traditie. Als focuspunt zie ik veel eerder de brochure van A.A.H. Struycken “Administratie of rechter: beschouwingen over de moderne rechtstaatsgedachte naar aanleiding van de aanhangige ontwerpen tot regeling der administratieve rechtspraak” (Arnhem: Gouda Quint 1910). De wetsontwerpen waarop hij reageert, zijn de voorstellen die Minister van Justitie Loeff deed in 1905 om de bestuursrechtspraak, kort gezegd, onder te brengen bij de gewone rechtspraak. Struycken betoogde dat veel gebreken beter binnen het bestuur dan door de rechter kunnen worden gerepareerd. Dat pleidooi van Struycken is lange tijd leidend geweest voor het denken over bestuursrechtspraak. Mede daardoor hebben wij, even over de duim bezien, pas in 1994 (met de Awb) het algemene bestuursrecht gekregen, zoals de Fransen dat al in 1873 hebben geregeld. Ons bestuursrecht is op hoofdlijnen geïnspireerd door het Franse en het Duitse bestuursrecht, maar op dit punt vaart de Nederlandse traditie een eigen koers. Wij kennen in Nederland een traditie dat de bestuursrechter voorzichtig moet zijn om in te grijpen in de bevoegdheid van het bestuur. Ook ik heb een enorme hekel aan het cliché dat de bestuursrechter niet op de stoel van het bestuur moet gaan zitten (sterker: artikel 8:72 van de Awb zegt mij nu juist dat ik onder omstandigheden wel op die stoel moet gaan zitten als ik kom tot een vernietiging van het bestreden besluit), maar ik snap de grondgedachte ervan wel. Vaak wordt deze Nederlandse traditie in verband gebracht met het droge-voeten-argument. In ons deel van Europa waren de waterschappen de eerste bestuursorganen (en dus lange tijd ons oriëntatiepunt voor het denken over openbaar bestuur) en voor iedereen was duidelijk dat zij zorgden voor veilige dijken en droge voeten. Die waterschappen moet je dan niet te veel voor de voeten lopen, zou de gedachte zijn (later meer over dit argument hedentendage). Nu is dat allemaal traditie en dus niet meer per se overtuigend voor de huidige tijd, maar het is wel de traditie waaruit het bestuursprocesrecht voortkomt. Een traditie waar Struycken in 1910 en Van Kemenade in 1997 bij aansloten.

Rechters zijn er over het algemeen niet om revolutionair iets anders te gaan doen dan ze voorheen deden. Dat heeft veel te maken met rechtszekerheid. En dus gaat verandering meestal in kleine stapjes. En dan is trouwens de Nieuwe Zaaksbehandeling van de bestuursrechter meer dan zo’n kleine stap. Zaken die we voorheen met een uitspraak afdeden, worden nu soms geschikt. En ik zeg niet dat schikken altijd zaligmakend is; de ene keer zijn mensen dan blij met de uitkomst, de andere keer komt het niet verder dan dat ze iets minder ontevreden zijn dan aan het begin. Ook de finale geschilbeslechting, die is opgepakt in de Nieuwe Zaaksbehandeling, gaat stappen verder dan enige jaren geleden mogelijk was. Ook al betekent het niet dat we ineens iedereen helemaal blij kunnen maken. Het werk van de bestuursrechter gaat niet over tevredenheid (iemand zijn zin geven), maar over rechtvaardigheid. En wat rechtvaardig is, wordt steeds minder, maar nog steeds mede beïnvloed door die lange traditie over de taakverdeling tussen rechter en bestuur.

En ik moet zeggen dat ik die traditie ook niet zo maar 1-2-3 afwijs. Als bestuursrechter heb ik maar één taak: rechtsbescherming bieden aan de burger. Het bestuur kan eenzijdige rechtshandelingen verrichten, dat wil zeggen: besluiten nemen. Daarmee kan het bestuur zelf “kiezen” of het een vergunning, subsidie of uitkering wel of niet verleent of intrekt (dat “kiezen” staat tussen aanhalingstekens, omdat de wet het bestuursorgaan in veel gevallen geen enkele ruimte laat). Het bestuur heeft daarom geen rechter nodig om te besluiten wat het nodig vindt. Dus de bestuursrechter heeft een eenzijdige taak: rechtsbescherming bieden aan de burger. Maar het geven van een oordeel in een zaak is natuurlijk niet eenzijdig. Ik heb het werk van de bestuursrechter altijd ervaren als een kwestie van koorddansen. En zoals dat gaat met koorddansen: te veel naar links of te veel naar rechts verdient beide geen aanbeveling. Aan de ene kant van het koord geef je als bestuursrechter de burger te gemakkelijk zijn zin. Dan komt het algemene belang dat het bestuursorgaan moet dienen in het gedrang. Aan de andere kant van het koord denk je te gemakkelijk mee met het bestuursorgaan en komt de rechtsbescherming van de burger in het gedrang. Hoe dan ook, die Nederlandse traditie is er; die stem je niet zo maar om alsof het een piano is.

Zoals Allan Lind (naast de al genoemde Tom Tyler de andere inspirerende grootheid op het vlak van procedurele rechtvaardigheid) die in januari in Nederland was op uitnodiging van het Ministerie van BZK, het uitdrukte: je moet zoeken naar het snijpunt tussen het algemene belang en het persoonlijke belang. Daar voel ik mij prima thuis bij: de overheid heeft niet een consument te bevredigen in al zijn denkbare behoeften, de overheid moet haar taak, die de wetgever haar heeft opgedragen, uitoefenen met een zo gunstig mogelijke uitkomst voor en positieve bejegening van de burger.

Ik wil ter illustratie drie voorbeelden noemen (waarvan de eerste in de herhaling).

1. Het voorbeeld van het pgb voor het dubbelgehandicapte kind (aan het einde van reactie 30 van mij). Uit een oogpunt van budgetbeheersing (dat mij prima lijkt voor het algemene belang) kan ik heel goed leven met de genoemde spelregels: de zorgontvanger (het kind) moet een zorgcontract met de zorgverlener (de kinderopvang) overleggen en hij moet aantonen dat hij werkelijk ter hoogte van het budget betalingen heeft verricht aan de zorgverlener. Waarom zou de belastingbetaler betalen voor deze zorg als dát niet is geregeld? De ontvangers van het budget, feitelijk de ouders van het kind, moeten zich verdiepen in die spelregels en als zij dat niet doen, kost dat punten. Dat is niet ten gunste van het zorgkantoor, dat is vanwege het algemene belang. En het algemene belang is altijd de achtergrond waartegen ik als bestuursrechter moet beslissen. Dus als ik uitspraak moet doen, verliest het kind (verliezen de ouders) waarschijnlijk de zaak, omdat zij zich niet aan de spelregels hebben gehouden. Juist daarom is het in mijn ogen goed dat we niet meer puur op een uitspraak aansturen, maar ook kijken naar het werkelijke conflict en de achterliggende belangen. Zo kwam die zaak tot een voor iedereen bevredigende oplossing. In reactie op lyngbakken in reactie 38 zeg ik nog dat de spelregels voor een pgb (zorgcontract en feitelijke betalingen) voor iedereen gelden. Hoe zou ik kunnen zeggen dat ze ineens niet voor deze mensen gelden als we het eisen van alle anderen die een pgb ontvangen? Ik moet niet alleen naar de bedoeling van de wet kijken, maar ook naar de wettelijke spelregels. Die laatste zijn er niet voor niets. Als ik die spelregels in dit concrete geval zou afwijzen, zou ik ze eigenlijk in zijn algemeenheid afwijzen.
2. Stel dat de rijksoverheid besluit om de dijken in Nederland te verhogen in verband met de dreigende klimaatveranderingen. Een milieuorganisatie komt hiertegen (vanwege de directe schade aan het milieu in de omgeving van de dijken) in beroep met als argument dat die klimaatverandering niet is aangetoond. Stel dat de rijksoverheid het bewijs niet rond krijgt. De rechter is er dus niet van overtuigd dat er een dreigende klimaatverandering is. Zou de bestuursrechter dan moeten oordelen dat de dijkverhoging niet door mag gaan? Hier komt het droge-voeten-argument weer tevoorschijn. Op zo’n punt heb ik er geen moeite mee dat de bestuursrechter enige voorzichtigheid heeft en niet zegt dat de dijkverhoging niet door mag gaan, maar zegt dat het bestuur nog een keer moet uitleggen waarom die dijkverhoging er zou moeten komen. Uiteindelijk gaat het bestuur en niet de bestuursrechter over de zandzakken. Dat is geen kwestie van marginale toetsing, maar veel meer van taakverdeling. We zien trouwens de laatste jaren een tendens dat de bestuursrechter één keer, twee keer, maar geen derde keer zo’n kans biedt aan het bestuursorgaan. Zie de toepassing van een soort “three strikes and you’re out”-regel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 april 2010, op http://www.rechtspraak.nl te vinden onder LJN: BM0231 (kapvergunning Onderbanken en Awacs-vliegtuigen).
3. Een gezin vraagt bijzondere bijstand aan voor een kinderbed voor één van de kinderen. De jongen is 12 en groeit uit zijn bed. De gemeente weigert de bijzondere bijstand. Twee jaar geleden is al bijzondere bijstand toegekend voor een bed voor zijn vier jaar oudere broer; het bed dat toen vrijkwam, had maar moeten worden opgespaard voor die jongen van 12. De behoefte aan een bed voor die jongen is heel reëel en als dat oude bed er niet meer is, kan het niet worden teruggetoverd. Toch is de vraag of de gemeente dan maar moet opdraaien voor de kosten van het nieuwe bed. Uiteindelijk moet de gemeente met een beperkt budget 100.000 dingen bekostigen in het kader van de algemene en bijzondere bijstand. Niet de rechter, maar de gemeente is de budgetverantwoordelijke. Wat de bestuursrechter van deze ene zaak vindt, is belangrijk, maar de budgetkeuzes liggen niet op de tafel van de rechter. Enig respect voor de keuzes van de gemeente, lijkt mij dus op zijn plaats. Dat respect is niet zonder slag of stoot doorslaggevend, maar wat de rechter als goede keuze ziet in deze ene zaak, kan ook niet zonder slag of stoot aan de gemeente worden opgedrongen. Overigens heeft ook dat laatste weinig te maken met “marginale toetsing”. In schattenderwijs 85 procent van de zaken bij de bestuursrechter speelt geen marginale toetsing.

Ik heb geprobeerd drie spanningsvelden te laten zien. Spanningsvelden tussen het algemene belang en het persoonlijke belang. De bestuursrechter heeft aan “billijkheid” als richtsnoer voor de ene voor zijn neus liggende zaak onvoldoende steun om tot een keuze te komen. Het algemene belang dreigt dan volgens mij ten onrechte naar de achtergrond te verdwijnen. Of we moeten proberen dat algemene belang ook in de keuze te betrekken. Dat is moeilijk genoeg en soms laat de wet de rechter daar bijna geen of helemaal geen ruimte in. En zonder dat ik nu wil zeggen dat de Nieuwe Zaaksbehandeling zaligmakend is, denk ik wel dat die aanpak een goede kans biedt om alle belangen, dus ook het algemene belang, op tafel te krijgen. Lyngbakken noemt daar terecht in reactie 33 het punt van Tom Tyler (bijvoorbeeld in Why People Obey the Law). Als het algemene belang over het voetlicht komt, begrijpen veel mensen waarom zij niet zo maar datgene kunnen krijgen waarop zij eerst hebben ingezet.

Bestuursrecht heeft volgens mij per definitie harde kanten. Het gaat er niet om dat iedereen maar krijgt wat hij wil (zaterdag las ik bijvoorbeeld in NRC Handelsblad dat de subsidieaanvragen voor de podiumkunsten 2,2 keer zo veel zijn als het budget). Het gaat er om dat mensen rechtvaardig worden bejegend en behandeld (procedurele rechtvaardigheid) en krijgen waarop zij recht hebben (verdelende rechtvaardigheid). Geen consumenttevredenheid, maar rechtvaardigheid. Dát is waar de Nieuwe Zaaksbehandeling op inzet.

Zoals gezegd is dit mijn laatste bijdrage aan dit debat. De bestuursrechter is geen superman of superwoman die (in vrije verwijzing naar Ischa Meijer) “alles goed zal maken”. De bestuursrechter is een professional die in het zware spanningsveld tussen algemeen belang en persoonlijk belang én in een gezonde verdeling van verantwoordelijkheden tussen bestuur en rechter, opereert om een rechtvaardige beslissing te nemen. Ruimte om in die beslissing al deze aspecten tegen elkaar af te wegen, laat de wet in veel gevallen niet aan (het bestuur en) de rechter. En als er wel een kleinere of grotere ruimte is, wordt de vraag wat nu precies rechtvaardig is, beantwoord met een caleidoscoop aan samenstellende delen: van een lange Nederlandse traditie tot aan debatten in de Tweede Kamer, op universiteiten, in raadkamer bij de rechtbanken en op internet bijvoorbeeld.

lyngbakken

@ Michiel Jonker:

Ik geloof niet in DE waarheid. Ik geloof wel in het zoeken naar verbetering.
Ik herken mij verder niet in jouw beeld van het doen van vage, suggestieve uitspraken. Volgens mij ben ik behoorlijk concreet.
De felheid van jouw toon zie ik feitelijk niet alleen in reactie op bijdragen van mij, maar ook op bijdragen van anderen.
Ik denk daarom niet dat het zozeer met suggestieve bijdragen van mijn kant verband houdt, maar dat het meer zegt over jouw stijl.
Volgens mij weet jij dat overigens ook wel van jezelf. Je hebt daar meer dan eens een opmerking over gemaakt op dit blog, waarbij je reacties van anderen op opmerkingen van jou beschreef.

Mij is meerdere malen opgevallen dat een relativerende toon of opmerking van mijn kant jouw gram wekt.
Ik denk dat ik mindere geharnast sta in dit onderwerp dan jij. Heb jij je wel eens afgevraagd of jouw felheid niet ook daar verband mee zou kunnen houden?
En voor alle duidelijkheid: daarmee suggereer ik niet dat er voor jouw opstelling geen goede redenen kunnen zijn; alleen dat die niet voor anderen (waaronder mijzelf) hoeven te gelden.

Tot slot: ik stop niet met reageren vanwege de felle toon, maar omdat we inhoudelijk komen bij stations waar we eerder zijn geweest en waar ik niks nieuws te melden heb.
Michiel: als je felle toon leidend was, had ik wel vaker een blogwisseling gestopt dan ik heb gedaan, en dat had ik dat er bovendien als reden gewoon bij gezet. Ik zal niet verbergen dat die toon soms onprettig is, maar wanneer de kwaliteit van je argumentatie daarvoor compenseert, weegt dat laatste voor mij het zwaarst.

Michiel Jonker

@ 46. André Verburg

In een rechtszaal heeft de rechter het laatste woord. Hier op internet is dat open, en daarom durf ik, ondanks je aankondiging dat het jouw laatste bijdrage was, daar toch op te reageren.

Jij schetst een vriendelijk beeld van het gedrag van bestuursorganen in bezwaar- en beroepsprocedures, waarbij je vooral gewetensvol, flexibel gedrag ziet. In de zaken die ik heb meegemaakt, zag ik iets anders. Wij hebben dus, elk op basis van eigen ervaringen en waarnemingen, een heel verschillend beeld van hoe het gedrag er in de praktijk meestal uitziet.

De meeste (bestuurs)rechters zullen het waarschijnlijk met jou eens zijn. Maar veel burgers zullen het eerder met mij eens zijn (zie bijvoorbeeld de reacties op dit forum). Zou dit komen doordat burgers “het niet zo goed begrijpen”, hetgeen dan aanleiding moet zijn om “het nog eens goed aan ze uit te leggen”? Dit zou de traditionele, regenteske, paternalistische manier zijn om als overheid met dergelijke percepties van burgers om te gaan.

Jij schrijft: “Wij kennen in Nederland een traditie dat de bestuursrechter voorzichtig moet zijn om in te grijpen in de bevoegdheid van het bestuur. (…) Nu is dat allemaal traditie en dus niet meer per se overtuigend voor de huidige tijd, maar het is wel de traditie waaruit het bestuursprocesrecht voortkomt. (…) Rechters zijn er over het algemeen niet om revolutionair iets anders te gaan doen dan ze voorheen deden. Dat heeft veel te maken met rechtszekerheid. En dus gaat verandering meestal in kleine stapjes.”

Ik denk dat je hier drie dingen door elkaar haalt: (1) rechtszekerheid voor het bestuur, waar Nederlandse rechters traditioneel voorzichtig en zelfs eerbiedig mee omgaan; (2) rechtszekerheid voor burgers, die in het Nederlandse bestuursrecht traditioneel wat is ondergesneeuwd, of eigenlijk, om in onze traditie te blijven: onder water gezet; en (3) rechtszekerheid als gevolg van een trage aanpassing van wetgeving en rechtspraktijk.

Je suggereert dat (3) bijdraagt aan (2), terwijl het mijns inziens op dit moment juist andersom is: (3) belemmert (2). Ik wil best van je aannemen dat er in Nederland een eerbiedwaardige traditie is van rechts-ONzekerheid voor de burgers. Maar dat lijkt me geen argument om die traditie dan maar te handhaven.

Natuurlijk begrijp ik dat een langjarige traditie in de praktijk niet makkelijk te veranderen valt. Maar juist daarom zijn er mensen, inclusief rechters, nodig die zeggen: we gaan dat toch doen, en wel zo snel mogelijk. De wereld is nog nooit verbeterd doordat mensen vasthielden aan verouderde, contra-productief geworden tradities.

Naar aanleiding van het pgb-voorbeeld schrijf je: “Michiel Jonker mag dan zeggen dat dat er al in bezwaar had moeten worden uitgevist (normatief), maar als het (feitelijk) pas in beroep aan het licht komt, vind ik dat een prima en integere manier van besturen.”

Dat ben ik niet met je eens. Er is in de besluitvormingsfase en in de bezwaarprocedure een inspanningsplicht voor het bestuursorgaan om alle belangen zorgvuldig te wegen. Dit impliceert ook dat het bestuursorgaan moet onderzoeken welke belangen er zijn. Niet alleen de belangen van de eigen organisatie of bestuurders (vaak verward met “het algemeen belang”), maar ook de belangen van de betrokken burgers. Bestuurlijke desinteresse in alles wat niet in het eigen straatje past, is niet “prima en integer”.

Ik herinner me een zaak waarin een bestuursorgaan (een grote gemeente) een bezwaar tegen een geluidsoverlast veroorzakend muziekfestival niet-ontvankelijk verklaarde, omdat bezwaarde niet belanghebbend zou zijn. Immers, bezwaarde woonde niet binnen zichtafstand van het festival. Zichtafstand? Ja, je leest het goed. Het betoog van bezwaarde dat het hier niet ging om licht, maar om geluid, vermocht noch het bestuursorgaan, noch de bezwarencommissie te vermurwen. Het argument van bezwaarde dat kleine kinderen in het voorafgaande jaar wakker waren geworden van het geluid, kon volgens het bestuursorgaan en de bezwarencommissie niet waar zijn omdat de woning niet binnen een voldoende hoge “geluidscontour” viel. Pas toen bezwaarde vervolgens wees op het feit dat de geluidscontouren ter plaatse van zijn woning nog nooit in kaart waren gebracht, gaf het bestuursorgaan haastje repje opdracht voor een extra onderzoek (althans, een computer-simulatie).

Dit is een typerende attitude van bestuursorganen: niks gewetensvol, niks bereidheid om het echt uit te zoeken, maar gewoon glashard bluffen totdat het echt niet meer kan.

(In beroep werd het bestuursorgaan alsnog gecorrigeerd, maar toen was het festival al voorbij. Het procesbelang was gelegen in het voornemen het festival in de toekomst te herhalen. Anders zou ook het beroep van de bewoner niet-ontvankelijk zijn verklaard. Tijdens het beroep moest de gemeente toegeven dat de daadwerkelijke geluidsproductie in voorgaande jaren niet was bewaakt door de vergunningverlener, en mogelijk hoger was geweest dan toegestaan, waardoor de theoretische, door de computer geprojecteerde geluidscontouren weinig feitelijke betekenis hadden. Dit bleek de kernoorzaak van het probleem te zijn. In de bezwaarfase had de gemeente hierover gezwegen.)

Is zo’n harde, bluffende, juridiserende attitude van veel bestuursorganen nu echt ongemerkt voorbijgegaan aan jou als ervaren bestuursrechter?

Ander voorbeeld uit eigen ervaring. Naar aanleiding van een bezwaar van bewoners tegen een bestemmingsplanwijziging die in strijd is met gedane toezeggingen, knipt een gemeente de betreffende locatie uit het bestemmingsplan, zodat zij niet hoeft in te gaan op de inhoud van het bezwaar (dit is onder gemeenten een gebruikelijke praktijk). De betreffende locatie komt hierdoor in een juridisch limbo terecht. De Raad van State oordeelt vervolgens dat een geheel vrijblijvende intentie van de gemeente omtrent de toekomst van deze locatie “voldoende rechtszekerheid” biedt aan de bewoners. Bewoners concluderen dat “geen rechtszekerheid” in de ogen van de RvS kennelijk “voldoende” is.

Dit is hoe het Nederlandse bestuursrecht in de praktijk vaak functioneert. En dan heb ik het, net als jij, nog niet eens over de effecten van “marginale toetsing” door de bestuursrechter.