Belangrijk: Voor het goed functioneren van nrc.nl maken wij gebruik van cookies (meer informatie).
Hiervoor hebben wij wel eerst je toestemming nodig. Klik op de groene knop als je hiermee akkoord gaat.

De Uitspraak: Is de TBS kliniek aansprakelijk als een patiënt zijn therapeut invalide slaat?

Is de TBS kliniek als werkgever aansprakelijk voor de schade als een therapeut invalide wordt geslagen door een patiënt? Met commentaar van NJB medewerkers Yvonne Waterman, specialist werkgeversaansprakelijkheid en Hanneke Bennaars, advocaat en docent arbeidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam.

De Zaak. Een sociotherapeut in een TBS-inrichting wordt door een patiënt vastgepakt en herhaaldelijk hard geslagen, onder meer op zijn hoofd. Door het letsel raakt de man arbeidsongeschikt, verliest zijn baan en komt in de WAO terecht. Hij eist van zijn werkgever een schadevergoeding van bijna drie ton.

Waarop is de eis gebaseerd? De therapeut beroept zich op art. 658 in boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Daarin staat dat de werkgever moet aantonen dat alle veiligheidsmaatregelen zijn getroffen die redelijkerwijs nodig waren om de schade door een arbeidsongeval te voorkomen. Hij vindt ook dat de kliniek hem had moeten verzekeren tegen dit soort ongelukken.

Deed de kliniek genoeg aan de veiligheid? Nee, zegt de therapeut. Zijn werk is structureel gevaarlijk. Hij werkt(e) met onberekenbare patiënten die agressief kunnen zijn. De kliniek moet dus een hoog veiligheidsniveau aanbieden. Daarbij gaat het om voorzorg, fysieke voorzieningen, tijdige informatie en juiste instructies aan het personeel. De therapeut vindt dat de uitbarsting van de patiënt te voorzien was en dat de kliniek tekort schoot. De rechtbank en het Hof vinden van niet. Net als de kliniek menen zij dat van deze patiënt geen concreet gevaar was te verwachten. Aan de zorgplicht van de werkgever is voldaan.

Maar de Hoge Raad ziet dat anders. Bij een werkgever die zulk gevaarlijk werk aanbiedt strekt de zorgplicht heel erg ver. Er kan ‘niet snel worden aangenomen’ dat een werkgever daaraan heeft voldaan. De plicht van de werkgever vormt geen absolute waarborg voor de werknemer, maar veel scheelt het niet, aldus de hoogste rechter. Dat deze therapeut geen ambtenaar is speelt hier ook mee. In andere TBS inrichtingen is dat vaak wel zo – en dié therapeuten hebben een eigen wettelijke voorziening. Daar betaalt de werkgever alles. ‘Uit een oogpunt van rechtsgelijkheid en billijkheid’ mogen er geen grote verschillen ontstaan. De kliniek moet dus betalen.

Zaak gesloten? Er wordt in de marge nog een discussie gesloten. Het gerechtshof, had de therapeut ook al gelijk gegeven, maar met een ander argument. En dat verwerpt de Hoge Raad expliciet. Het gerechtshof vond dat er bij klinieken met gevaarlijke patiënten een verzekeringsplicht geldt. Dat zou bij ‘goed werkgeverschap’ horen. Daarbij was als voorbeeld genomen de verzekeringsplicht die werkgevers hebben als ze hun personeel laten deelnemen aan het verkeer. Daar lopen ze immers ook vergelijkbaar onvoorzien gevaar, net als in een TBS kliniek.

Gaat de hoogste rechter hierin mee?

Nee, die vindt dat voor arbeidsongevallen op de werkplek zelf de werkgever een (zware) zorgplicht heeft om schade te voorkomen. Een verzekeringsplicht geldt alleen voor schade op plaatsen waar de werkgever maar beperkte invloed heeft. Dat is nu eenmaal het stelsel van de wet. Daar een verzekeringsplicht aannemen was, zo waarschuwde advocaat-generaal Spier, een ‘juridische revolutie’ geweest. Schade door bedrijfsongevallen die werkgevers niet redelijkerwijs met instructies of maatregelen kunnen voorkomen, zijn en blijven voor rekening van de werknemer.

Lees hier het persbericht van de Hoge Raad en de uitspraak (LJ BR5223)

Reageren? Nuanceren en argumenteren verplicht.Volledige naamsvermelding.

Geplaatst in:
Civiel recht
Lees meer over:
arbeidscontract
geweldpleging

7 reacties op 'De Uitspraak: Is de TBS kliniek aansprakelijk als een patiënt zijn therapeut invalide slaat?'

NJB medewerker en expert werkgersaansprakelijkheid Yvonne Waterman

Het werkgeversaansprakelijkheidsrecht: wetgever, dóe er eens wat aan

Stel je voor: tijdens je werk als socioloog in een TBS-kliniek wordt je zo zwaar in elkaar geslagen door een TBS-patiënt dat je de rest van je leven arbeidsongeschikt raakt. Naast een medische lijdensweg volgt ook een juridische lijdensweg: drie opeenvolgende gerechtelijke procedures, ruim acht jaar lang, om vast te stellen wie aansprakelijk is voor dit arbeidsongeval dat inherent was aan het werk en, onvermijdelijk, vroeg of laat een collega of jezelf zou treffen. Het trof jezelf. Dat is dubbel pech hebben.
Kun je nog van een behoorlijke rechtsgang spreken, wanneer het zolang duurt voordat er duidelijkheid wordt geboden over de inkomensschade?
Kun je nog van rechtszekerheid spreken, wanneer drie verschillende rechtsinstanties drie totaal verschillende uitspraken doen en de voorspelbaarheid van de uitspraak dus ver te zoeken is?
Kun je nog van rechtsgelijkheid spreken, wanneer zelfs de Hoge Raad zich in bochten moet wringen om een resultaat te bewerkstelligen waarbij een werknemer in een TBS-kliniek niet achter wordt gesteld bij een ambtenaar in dezelfde of een vergelijkbare TBS-kliniek, hoewel beiden slachtoffer van hetzelfde arbeid inherente risico kunnen worden? Waarom zou er überhaupt een verschil in rechtspositie tussen een werknemer en een ambtenaar moeten zijn?
Zulke vragen zijn schering en inslag bij menige uitspraak over arbeidsongevallen en beroepsziekten. Begint het werkgeversaansprakelijkheidsrecht dan onderhand niet, om in alledaagse termen te spreken, een soepzooitje te worden?

Waar was de inkomensonzekerheid en dat jarenlange moeizame procederen van de werknemer eigenlijk voor nodig? ILO-verdrag nr. 121, dat in 1966 door Nederland is geratificeerd, beoogt een duidelijke inkomensbescherming van werknemers die het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval, een beroepsziekte of een arbeidsgerelateerd verkeersongeval. De belangrijkste grond om te procederen is daarmee weggenomen en daarmee ook de onrust die zowel bij werknemer, werkgever als verzekeraar wordt gecreëerd. Alleen: in de WIA, waar die ILO-normen thuishoren in de nationale wetgeving, valt weinig van die ratificatie te merken. Het dedain waarmee staatssecretaris De Krom de verdragsverplichtingen naast zich neerlegt, is verbijstering wekkend. Ik vraag mij af of de normatieve bepalingen in dit verdrag niet een zekere mate van directe werking hebben en dus door de werknemer kunnen worden ingeroepen. En of de weigering van de staatssecretaris om het verdrag naar behoren toe te passen – wat effectief de invoering van de Extra Garantieregeling Beroepsrisico’s, een verplichte directe verzekering van werkgevers, een beroepsziektenlijst en nog een hele waslijst zou betekenen – niet als onrechtmatig jegens de beroepsbevolking kan worden gekwalificeerd. Die wordt daarmee rechten ontzegd die de overheid wel voor haar heeft binnengehaald.

Al ruim honderd jaar heeft het werkgeversaansprakelijkheidsrecht geen ingrijpende herziening gekend. Steeds maar weer moet de rechter op de stoel van de wetgever gaan zitten om met eigen bedenksels de boel te redden: omdat de wetgever het af laat weten. Het systeem loopt op dit soort incidentele oplossingen stuk: een verzekeringsplicht is bijvoorbeeld aardig jegens werknemers in het verkeer, maar wel unfair jegens werknemers in een TBS-kliniek, die dat voordeel niet hebben.

Wordt het niet hoog tijd dat de wetgever het werkgeversaansprakelijkheidsrecht grondig herziet en moderniseert? Zoals dit arrest illustreert, zou de invoering van een algemene verzekeringsplicht van werkgevers voor de arbeidsgerelateerde schade van werknemers een goede start kunnen zijn.

NJB medewerker, advocaat en docent arbeidsrecht Hanneke Bennaars

De Hoge Raad vindt dat een vergaande verzekeringsplicht voor arbeidsgerelateerde ongevallen niet past in het wettelijk stelsel. De vraag is vervolgens of het wettelijk stelsel toe is aan verandering.

Lijdt de werknemer schade in de uitoefening van zijn werk, dan is de werkgever daarvoor aansprakelijk tenzij hij aantoont dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Hoewel de regels omtrent de stelplicht en bewijslast in dit kader de werknemer vergaand tegemoetkomen, blijft staan dat werkgeversaansprakelijkheid op grond van 7:658 BW geen risicoaansprakelijkheid is. Er is niet beoogd een absolute waarborg tegen gevaar te scheppen. De werkgever moet een verwijt kunnen worden gemaakt van het onheil dat de werknemer is overkomen. Dit impliceert dat de werkgever wel zeggenschap gehad moet hebben over de situatie waarin het ongeval is gebeurd. De Hoge Raad heeft een aantal keer aansprakelijkheid aanvaard buiten de grenzen van 7:658 BW. Daar waren wel telkens bijzondere omstandigheden voor nodig. Het ging dan bijvoorbeeld om risicovolle personeelsuitjes, luchtvaartpersoneel dat tussen in de wachttijd tussen twee vluchten een ongeval overkwam en (werkgerelateerde) verkeersongevallen. In dat laatste geval vindt de Hoge Raad dat de werkgever een verzekeringsplicht heeft. In het arrest De Rooyse Wissel en het TNT-arrest, gewezen op dezelfde datum, gaat de Hoge Raad niet mee in een verdergaande verzekeringsplicht. De Hoge Raad stelt grenzen aan de rechtsvormende taak die hij met de verkeersongevallen arresten op zich had genomen.

De Hoge Raad overweegt dat de verzekeringsplicht niet verder strekt dan de eerder strikt omschreven gevallen (meerzijdige verkeersongevallen en eenzijdige verkeersongevallen van gemotoriseerd verkeer of fietsers). Hierbij merkt de Hoge Raad in het De Rooyse Wissel-arrest nog op dat het ongeval in die zaak niet plaatsvond op een plek waar de kliniek slechts beperkte zeggenschap had, maar gewoon op de arbeidsplaats zelf. De gewone aansprakelijkheidsregels kunnen dus hun werk doen. De werknemer krijgt in die zaak ook gelijk van de Hoge Raad op ‘klassieke gronden’. Anders dan het Hof vond de Hoge Raad dat de kliniek niet voldoende had gedaan om de schade te voorkomen en dus aansprakelijk was. Niet alleen de maatregelen met betrekking tot de concrete dreiging van deze patiënt waren van belang, ook de maatregelen tegen het algemene gevaar waren relevant en daarin was De Rooyse Wissel tekort geschoten.

De uitspraak past als gezegd binnen het wettelijk stelsel. Daarmee is niet gezegd dat een verdergaande verzekeringsplicht onwenselijk is. Juist bij gevaarlijke beroepen kan de zorgplicht van de werkgever niet alles oplossen. Stel dat de kliniek De Rooyse Wissel geen enkel verwijt had kunnen worden gemaakt. Dan was de werknemer blijven zitten met de schade. Dit is niet goed te rijmen met de verzekeringsplicht voor verkeersongevallen. Een collega die op de fiets een werkgerelateerde boodschap doet en ten val komt, zou wel een beroep kunnen doen op de verzekeringsplicht. Dat is een onbevredigende uitkomst. Het is juist bij gevaarlijke beroepen niet wenselijk dat dan de rekening bij de werknemer komt te liggen. Het algemene uitgangspunt dat ieder zijn eigen schade draagt, lijkt hier niet passend Een verzekeringsplicht voor al het werkgerelateerde onheil naast de bestaande werkgeversaansprakelijkheid zou te ver gaan, maar voor gevaarlijke beroepen zou het wel degelijk voorzien in een behoefte.

mr.dr. Y.R.K. Waterman

@2
Zeker zou een verzekeringsplicht voorzien in de behoefte van werknemers die vanwege hun werk ernstige schade hebben opgelopen en volgens de ‘normale’ regels van het spel die zelf moeten dragen, wat gevoelsmatig iets onredelijks en onbevredigends heeft. Dat ben ik met je eens. Maar je kunt, lijkt mij, niet een nieuw stelsel bepleiten dat van twee uitgangspunten – wel of geen absolute zorgplicht – niet kan kiezen en dan maar allebei kiest: voor sommige werknemers wél een verzekeringplicht en voor anderen niet. Bovendien: wie moet dan bepalen wat een gevaarlijk beroep is? Welke criteria hanteer je daar voor? (Operator zijn bij werkgever X is misschien veel gevaarlijker dan hetzelfde beroep uitoefenen bij werkgever Y, omdat het arbobeleid tussen X en Y verschilt.)
Beoordeel je een ‘gevaarlijk beroep’ vooraf of (vanwege het verwezenlijkte risico) achteraf? Zijn dan, vanuit een praktische visie, niet alle beroepsbeoefeningen die achteraf aanleiding geven tot een geschil over schadevergoeding gevaarlijk – en waar blijft het onderscheid dan? Of stel dat je vooraf beoordeelt, laat je dan niet menig slachtoffer van een zgn. ‘ongevaarlijk’ beroep in de kou staan? Waar is de rechtsgelijkheid dan te zoeken?

Het lijkt mij dat onderscheid maken naar beroepen slechts tot voer voor advocaten leidt; terwijl een goed stelsel als kenmerk zou moeten hebben dat het rust op de werkvloer en in de rechtszaal brengt. Een algemene verzekeringsplicht zou dat aspect juist met zich brengen: en dat is een belangrijke reden om te bepleiten dat de wetgever een nieuwe koers kiest.

Paul Kirchhoff

“De therapeut vindt dat de uitbarsting van de patiënt te voorzien was en dat de kliniek tekort schoot. De rechtbank en het Hof vinden van niet. Net als de kliniek menen zij dat van deze patiënt geen concreet gevaar was te verwachten. Aan de zorgplicht van de werkgever is voldaan.”

Wat een arrogante opstelling van de rechtbank en het Hof.
TBS wordt opgelegd aan personen waarvan na onderzoek is komen vast te staan dat ze opnieuw in staat zijn tot het plegen van ernstige geweldsdelicten.
Steeds weer blijkt dat ook uitbehandelde plegers van geweldsmisdrijven opnieuw in de fout gaan.
Niet zelden gebeurt dat tijdens een proefverlof.
Deze categorie daders is vaak in staat hun behandelaren om de tuin te leiden.
Dat gegeven moet voldoende zijn om het slachtoffer van deze TBSer volledig schadeloos te stellen.

John Janssen

Quote:”De rechtbank en het Hof vinden van niet. Net als de kliniek menen zij dat van deze patiënt geen concreet gevaar was te verwachten. Aan de zorgplicht van de werkgever is voldaan.”

Dit zijn van die onbegrijpenlijke uitspraken, die geen hout snijden maar je wel vaak tegenkomt in uitspraken van rechters.
Waarom heeft iemand TBS gekregen? omdat de persoon een gevaar is voor de samenleving, dus van de patient was wel degelijk een concreet gevaar te verwachten.

Ik kan me zeker vinden in de vragen die mw. Waterman steld, de procedures zijn inderdaad veel te langdradig en nemen een te groot deel van een mensen leven in beslag, 8 jaar voor een procedure is 1/10 deel van iemands leven, van een behoorlijke rechtsgang is dan geen sprake meer. De wetgever denkt te makelijk over procedures, terwijl die op een mens wel degelijk zeer ingrijpend zijn en in veel gevallen zeer depressief makend. Ook m.b.t. vedragen heeft mw. Waterman gelijk, niet alleen bij het ILO verdrag wordt het verdrag wel getekend maar niet in wetgeving omgezet, maar zelfs bij de mensen rechten kom je het tegen. En als ik dan zie waar ministers en staatssecretarissen zig mee bezig houden dan heb ik toch wel ernstige bedenkingen bij hun capabiliteit voor hun functie. De werkelijke discussie over behoorlijk recht kom je in dit soort forums tegen en het is droevig te noemen dat het de regering koud laat of het recht het algemeen belang nog wel dient, maar rechters zijn daar even goed debet aan, alhoewel het bemoedigend is dat ze nu eindelijk eens opstaan omdat de bereikbaarheid van het recht in het geding is.

Arthur van Dok, advocaat

In de procedure is wel betoogd dat een TBS-patient altijd delictgevaarlijk is. Anders zit ie namelijk niet in de TBS, want het criterium daarvoor is recidive/delictgevaarlijkheid. Toch wordt dat niet door de kantonrechter, rechtbank en ook Hoge Raad overgenomen. Er moet een “specifieke” gevaarlijkheid zijn. Terwijl het werken in een TBS-kliniek voor mensen die rechtstreeks met TBS-ers in aanraking komen altijd gevaarlijk kan zijn. Dit dek je denk ik alleen helemaal af met een verzekering die zowel een 7:658 BW (zorgplicht) -als een 7:611BW (goed werkgeverschap) dekking biedt. Als deze TBS-instelling inderdaad niet nalatig zou zijn geweest in het treffen van voorzorgsmaatregelen, dan was deze medewerker met lege handen blijven staan volgens de HR. Art 7:611-dekking voor deze situaties is immers volgens de HR in dit soort situaties (geen verkeerssituatie) niet van toepassing en dat lijkt toch onbevredigend te blijven voor de medewerker die ooit in die situatie terecht zal komen dat de werkgever alles goed heeft gedaan en er toch een TBS-er uitflipt…..

Paul Kirchhoff

Ik heb ernstige twijfels over het gehanteerde jurididsche begrip “specifiek gevaar”.
De vaststelling dat een veroordeelde een specifiek gevaar oplevert moet gedaan worden door psychologen, psychiaters en gedragswetenschappers die tot nu toe niet in staat zijn geweest met enige nauwkeurigheid te voorspellen wat een TBSer zal gaan doen in de vrije maatschappij.
De fatale ontsporing van een recidivist in Luik is voor een deel te wijten aan de onjuiste beoordeling door een gedragstherapeut die verklaard heeft dat de dader van deze aanslag geen gevaar meer vormt voor de samenleving.
De gevolgen van die inschatingsfout zijn inmiddels bekend:
zes doden en 122 gewonden.

Ik vertrouw meer op het gezonde verstand en de statistiek voor een terughoudend beleid bij het terugplaatsen in de samenleving van daders die ernstige geweldsdelicten hebben begaan.
Terugplaatsing alleen onder voldoende toezicht waarbij de betrokkene dient te accepteren dat het toezicht ingrijpende gevolgen heeft voor zijn privacy.