Belangrijk: Voor het goed functioneren van nrc.nl maken wij gebruik van cookies (meer informatie).
Hiervoor hebben wij wel eerst je toestemming nodig. Klik op de groene knop als je hiermee akkoord gaat.

De Uitspraak: Mag de rechter de wet opzij schuiven omdat de straf anders te laag wordt?

Mag de rechter de wet opzij schuiven omdat die ‘niet aan de burger is uit te leggen’? En een hogere straf geven dan het wettelijke maximum? Met commentaar van NJB medewerkers Theo de Roos, hoogleraar strafrecht in Tilburg, de advocaten Jan Boksem, bijzonder hoogleraar verdediging in strafzaken, Wim en Hans Anker uit Leeuwarden en de advocate Klasien Versteeg uit Rotterdam.

De Zaak. Een zogeheten ‘cold case’ uit 1996, die in 2007 werd opgelost door een DNA treffer. Een bekende dader werd achteraf gelinkt aan een serie onopgeloste verkrachtingen in Amsterdam. De man zit al in de gevangenis – hij is recent veroordeeld wegens een viertal seksuele misdrijven, waarbij diefstal, geweld, poging tot doodslag, maar ook gijzeling van drie slachtoffers werd gepleegd. De zaak uit 1996 betrof een twaalftal vrij gruwelijke verkrachtingen met geweld, waarbij de dader sporen had achtergelaten. De rechtbank verklaart nu de meeste feiten alsnog bewezen.

Wat eiste de officier? Die vraagt TBS en (slechts) vier jaar en drie maanden gevangenisstraf.

Waarom is dit een kwestie? Dit draait om de lage celstraf waartoe de officier van justitie door de wet wordt verplicht. De verdachte was namelijk al veroordeeld tot 15 jaar en 9 maanden. De wet verbiedt het stapelen van straftermijnen, bijvoorbeeld van oudere en nieuwe zaken. In de wet staat dat bij samenloop van strafbare feiten nooit meer opgelegd kan worden dan de duur van de straf voor het zwaarste delict, verhoogd met een derde. In deze zaak zou de absolute maximumstraf twintig jaar zijn (gijzeling levert 15 jaar op, plus één derde is 20). Aangezien er daarvan al 15 jaar en 9 maanden zijn opgelegd, dankzij de andere, recente zaken, mag de officier niet meer eisen dan het restant van 4 jaar en 3 maanden. Deze verdacht zit aan zijn wettelijke ‘strafplafond’.

Wat zegt de rechtbank? Dat een TBS veroordeling niet kan omdat niet meer overtuigend kan worden vastgesteld of de verdachte destijds onvoldoende toerekeningsvatbaar was. Alle feiten worden hem gewoon toegerekend. En dus blijft er alleen een gewone celstraf over. Maar de rechtbank vindt het wettelijk maximum te weinig. Op zichzelf vindt de rechter de samenloopregel rechtvaardig. Berechting moet ‘evenredig’ zijn. Voorkomen moet worden dat Justitie feiten apart gaat vervolgen omdat dat meer straf oplevert. Daarom zegt de wet terecht dat alles zoveel mogelijk in één keer moet worden beoordeeld. De rechter moet een ‘totaaloordeel’ kunnen geven. De straf moet op maat zijn. Het optellen van straffen zoals dat in andere landen wel gebeurd, tot soms honderd(en) jaren betekent weinig.

Maar valt vervolging in een cold case wel onder de beperkingen van de samenloop? Het OM wist niet eens dat de dader al in huis was. Deze vervolging kon pas in 2007 ingezet worden. Daar lijkt de wetgever nooit rekening mee te hebben gehouden. Zo slaat „evenredigheid door in onevenredigheid en leidt tot een straf die niet meer uit te leggen is aan de samenleving.” De wetgever had rekening moeten houden met de nieuwe technieken. Daders mogen van die lacune niet profiteren. Behalve het publiek zouden ook de slachtoffers een lage straf niet begrijpen.

Dus de rechter geeft een hogere straf dan wettelijk mogelijk?

Ja, tien jaar cel. Bovenop de huidige straf. Ook moet de dader ruim 21000 euro schade vergoeden.

Lees hier de uitspraak (LJ BT7651) en hier het persbericht van de rechtbank Amsterdam.

Reageren? Nuanceren en argumenteren verplicht. Volledige naamsvermelding.

Geplaatst in:
Strafrecht
Lees meer over:
geweldpleging
openbaar ministerie
sexueel misbruik
veiligheid

15 reacties op 'De Uitspraak: Mag de rechter de wet opzij schuiven omdat de straf anders te laag wordt?'

NJB medewerker Theo de Roos, hoogleraar strafrecht in Tilburg

Dit vonnis is zeer opmerkelijk en gedurfd. Allereerst en vooral omdat de rechtbank een wettelijke regeling aan de kant schuift, en verder door de zeer uitvoerige strafmotivering. De zogenaamde samenloopregeling die het Nederlandse strafrecht kent wil onredelijke cumulatie van straffen voorkomen: wanneer vetschillende feiten gelijktijdig worden behandeld wordt het strafmaximum bij vrijheidsstraffen beperkt tot de maximumstraf gesteld op het zwaarste feit, vermeerderd met een derde. De wetgever heeft voor dit systeem gekozen omdat hij onbeperkte cumulatie, niet onbekend in andere strafstelsels, ongewenst vond. Begrijpelijk, want het oogt vreemd wanneer iemand tot 100 jaar of meer wordt veroordeeld. Daarbij moet wel worden aangetekend dat in die andere stelsels vaak de voor verschillende feiten opgelegde vrijheidsstraffen tegelijkertijd kunnen worden uitgezeten. Het netto effect is dan niet zoveel anders dan in ons systeem het geval is. De samenloopregeling geldt ook wanneer iemand terecht staat voor feiten die zijn gepleegd voordat hij voor een ander feit is veroordeeld. Het openbaar ministerie zou in ieder geval in theorie de mogelijkheid gehad hebben die feiten gelijktijdig met het nieuwe feit aan de rechter voor te leggen, zie artikel 63 Wetboek van strafrecht. Dit systeem kan er echter toe leiden dat er voor die oude feiten, wanneer die alsnog tot een vervolging en veroordeling leiden, weinig of geen ´ruimte´ om gevangenisstraf op te leggen overblijft. Dergelijke gevallen hebben zich al eerder voorgedaan. In een enkel geval resulteerde een dergelijke stand van zaken in een schuldigverklaring zonder strafoplegging.
De rechtbank te Amsterdam stelt deze regeling in de onderhavige zaak in feite buiten werking. Dat gaat ver, te ver waarschijnlijk, want de rechter moet zich aan de wet houden. Hier doet zich niet het geval voor dat de wet niet duidelijk is waardoor er ruimte is voor verschillende interpretaties. Het vonnis is daar ook heel openhartig over. Strikte toepassing van de geschetste regeling zou naar de opvatting van de rechtbank tot een onaanvaardbaar resultaat leiden. De wetgever heeft volgens de rechtbank nooit rekening gehouden met een situatie zoals in deze cold case zaak aan de orde is. Vier jaar en drie maanden gevangenisstraf voor een hele reeks bijzonder nare zedenmisdrijven die aanzienlijke psychische schade aan een aantal vrouwelijke slachtoffers hebben toegebracht, dat is een straf `die niet meer uit te leggen is aan de samenleving`. De officier van justitie had naast de gevangenisstraf van vier jaar en drie maanden ook tbs met dwangverpleging geeist, maar de rechtbank zag geen mogelijkheid die eis te volgen nu de verdachte had geweigerd aan een onderzoek naar zijn geestvermogens mee te werken. De rechtbank wijst ter rechtvaardiging van haar koene beslissing naar rechtsontwikkelingen in de Europese Unie en naar de gewijzigde houding in het strafrecht tegenover slachtoffers. `Onverkorte toepassing van artikel 63 valt in het onderhavige geval niet uit te leggen aan de samenleving in het algemeen en aan de slachtoffers in het bijzonder`. Terecht wijst de rechtbank erop dat het openbaar ministerie in deze zaak zelfs niet de theoretische mogelijkheid heeft gehad alle feiten gelijktijdig aan te brengen, omdat destijds, halverwege de jaren 90 van de vorige eeuw’, de technologie van het DNA onderzoek nog niet zover was dat het bewijs ervan geleverd had kunnen worden. De hamvraag lijkt mij nu te zijn of een dergelijke omstandigheid rechtvaardigt dat een op zich duidelijke wettelijke bepaling in feite wordt genegeerd. Ik denk van niet. De rechter moet niet op de stoel van de wetgever gaan zitten. Maar die wetgever zou aan de op zichzelf zinnige en sympathieke motivering van de rechtbank wel inspiratie kunnen ontlenen voor het ontwerpen van een nieuwe regeling waardoor onbevredigende uitkomsten zoals in deze zaak kunnen worden ondervangen.

NJB medewerkers Jan Boksem, bijzonder hoogleraar verdediging in strafzaken, Wim en Hans Anker, advocaten te Leeuwarden

De Rechtbank Amsterdam wees op 14 oktober 2011 een opmerkelijk vonnis. De rechtbank overwoog dat zij zich in de zaak die aan haar was voorgelegd niet ge-bonden achtte aan het bepaalde in artikel 63 Sr. Het ging in die zaak om oude fei-ten uit 1996. De verdachte kwam eerst recentelijk in beeld in verband met enige tot dan toe onopgeloste verkrachtingen. Door DNA-hits kon de verdachte gelinkt worden aan die zaken.
Na 1996 werd verdachte in andere zaken veroordeeld tot onvoorwaardelijke ge-vangenisstraffen voor de duur van in totaal vijftien jaren en negen maanden.
Het Openbaar Ministerie vorderde in de zaak die leidde tot het vonnis van 14 ok-tober jl. een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar en drie maanden, zulks met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 57 Sr en 63 Sr. Dit was de maximale straf die (gelet op deze bepalingen) nog kon worden opgelegd.
De Rechtbank Amsterdam legde nochtans een gevangenisstraf op voor de duur van tien jaren. Door aldus te beslissen handelt de rechtbank naar onze mening in strijd met de wet.
Artikel 63 Sr is een theoretische samenloopbepaling die dient ter bescherming van de belangen van de verdachte. De samenloopbepalingen die voorschrijven dat bij samenloop slechts een beperkte cumulatie van straffen plaatsvindt, worden van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit artikel stond in 1886 al in ons Wetboek van Strafrecht en luidt thans als volgt: “Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.” De bepaling maakt geen onderscheid ten aanzien van de redenen waarom geen gelijktijdige berechting heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft de wet toe te passen en kan deze niet ter zijde stellen indien het resultaat van toepassing ervan haar in een concrete zaak niet bevalt.
Wat de Rechtbank Amsterdam nu doet gaat de rechtsvormende taak van de rech-ter te boven. De rechtbank had de eis van het Openbaar Ministerie kunnen volgen en in een overweging ten overvloede duidelijk kunnen maken hoe zij in deze zaak worstelde met de strikte en onverkorte toepassing van artikel 63 Sr. Langs die weg had de discussie vervolgens kunnen ontstaan.
De rechtbank noemt ook als argument om artikel 63 Sr buiten spel te zetten de gewijzigde houding in het strafrecht ten aanzien van slachtoffers. Zij gaat hiermee en hierdoor op de stoel van de wetgever zitten.
Al met al gaat het hier naar onze mening om een interessant doch onjuist vonnis.

NJB medewerker Klasien Versteeg, advocaat in Rotterdam

Uitleg aan de samenleving, maar dan anders.

De rechtbank Amsterdam is gezien haar vonnis van 14 oktober jl. van oordeel dat de wet opzij mag worden gezet. Dit is een brug te ver.

Ter motivering overweegt de rechtbank tweeërlei. Het hier toepasselijke art. 63 Sr. beoogt de verdachte volgens de rechtbank te beschermen tegen onbeperkte cumulatie van straffen ingeval het Openbaar Ministerie kiest voor ongelijktijdige berechting. In dit geval bestond die keuze niet. De feiten uit 1996 kwamen pas in 2007 aan het licht door een match van DNA van de verdachte met in de DNA-databank opgenomen DNA-profielen. Met een dergelijke situatie lijkt naar het oordeel van de rechtbank “(…) kijkend naar de totstandkoming van deze materie in de wet, nooit rekening (…) te zijn gehouden”. Mocht men art. 63 Sr. in een geval als deze onverkort toepassen, is de “op te leggen straf niet meer uit te leggen (…) aan de samenleving”. Dit is het tweede argument van de Rechtbank voor het terzijde schuiven van art. 63 Sr.

Aangaande het eerste argument geldt dat uit de wetsgeschiedenis op geen enkele wijze valt af te leiden dat de wetgever geen rekening zou hebben gehouden met het aan het licht komen van oude feiten (1). Het argument lijkt door de rechtbank ook slechts als opstapje te zijn gebruikt voor het tweede argument dat de rechtbank noemt: de uitleg aan de samenleving.
Volgens de rechtbank zou onverkorte toepassing van art. 63 Sr. leiden tot een straf die niet meer uit te leggen is (want: te laag) aan de samenleving in het algemeen en aan de slachtoffers in het bijzonder, reden waarom de rechtbank zich niet gebonden acht aan art. 63 Sr. Dit is niet alleen in strijd met het oordeel van de Hoge Raad tot nu toe aangaande de (onverkorte) toepassing van art. 63 Sr.(2), maar bovenal strijd met het legaliteitsbeginsel. Niet voor niets is dit beginsel in zowel het wetboek van strafrecht als strafvordering opgenomen. Het legaliteitsbeginsel houdt onder andere in dat de rechter niet op ‘de stoel van de wetgever’ mag gaan zitten. Hiermee wordt de burger beschermd tegen willekeur (3). Dat de rechtbank vraagtekens heeft bij toepassing van art. 63 Sr. in dit geval is nog enigszins begrijpelijk, bijvoorbeeld als men art. 43a Sr. beziet waarin wordt bepaald dat bij recidive juist een hogere straf kan worden opgelegd. Dat deze drie rechters echter eigenhandig met een beroep op het Gesundes Volksempfinden een strafrechtelijke bepaling niet toepassen, is niet alleen gevaarlijk (4), maar is ook niet de juiste route. Die route zou namelijk langs de wetgever moeten voeren. De rechtbank had de samenleving wel degelijk kunnen uitleggen graag een hogere straf te hebben willen opleggen, maar dat – gezien de wet – niet te kunnen (5). Dan waren er vast Kamervragen gesteld en had de rechtbank ook, en zelfs eerder, haar doel bereikt. Nu komen de Kamervragen wellicht pas na een arrest van Gerechtshof of Hoge Raad dat in deze zaak ongetwijfeld zal volgen.

——————

(1) Overigens is het argument van de rechtbank niet houdbaar: immers betekent het feit dat de DNA-databank van recente datum is, niet dat in 1886 geen cold cases werden opgelost. Met deze omstandigheid had ook de wetgever destijds rekening kunnen houden.
(2) HR 19 april 2005, NJ 2006, 10
(3) Vgl. art. 11 Wet Algemene Bepalingen: “De regter moet volgens de wet regt spreken: hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordeelen.”
(4) Met eenzelfde redenering (waarvan ik me bewust ben van het hellend vlak) zou een rechter (weer) de doodstraf kunnen opleggen.
(5) Overigens dient – ook in het geval helemaal geen straf meer kan worden opgelegd – een strafproces wel een redelijk doel: er wordt namelijk wel tijdens een openbare terechtzitting recht toegepast door het uitspreken van een schuldigverklaring. Het enkele ontbreken van een mogelijkheid tot strafoplegging heeft daarom nog niet tot gevolg dat het strafproces geen redelijk doel meer dient aldus de rechtbank ’s-Gravenhage, 14 oktober 2005, AU4399

Ton Timman

Stel dat het bewijs eerder, voor zijn proces, was opgedoken, dan was hij toch ook maar tot 20 jaar veroordeeld?

Wat is het verschil?

Niet de uitleg aan het publiek, lijkt mij, maar een (al dan niet officiële) functie van de straf: genoegdoening aan de slachtoffers. Die vrouwen, die in 1996 waren verkracht, hadden dan als het ware mee kunnen delen in de genoegdoening van die volle 20 jaar gevangenis.

Joyce Kaper

Ik heb een betoog over een strafzaak moeten schrijven voor mijn studie en ik heb hiervoor deze casus gekozen.
Mag ik voorstellen dat de rechter ook een beroep zou kunnen doen op art. 9a Sr “Indien de rechter dit raadzaam acht…kan hij in het vonnis bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.”? Is het niet aannemelijk dat als de rechter de mogelijkheid heeft om geen straf op te leggen dat het dan ook vice versa is indien het besluit redelijk en billijk is? Of is onze wet daar onweerlegbaar in?

A. Eriks

De rechter is er m.i. om de wet toe te passen. De wetten zijn ooit ingevoerd om willekeur te voorkomen. Uiteraard kunnen er dan beslissingen worden genomen die “moeilijk uit te leggen zijn’, maar dat is een gevolg van het feit dat ook een goed afgewogen wetsartikel nooit alle gevallen kan omspannen.

Ernstig in deze zaak vind ik dat de rechter zich niet meer aan de wet houdt, waardoor er willekeur ontstaat. Waarom dan niet gelijk de doodstraf opleggen, ook al mag dat niet volgens de wet?

Nog ernstiger vind ik dat de rechter laat meespelen dat het niet uit te leggen is aan de samenleving. Als dat wordt meegewogen, kunnen we beter het wetboek en rechters afschaffen en weer ouderwets naar het volksgericht gaan.

Aan mij en vele anderen is het wel uit te leggen. Dit vonnis kan wellicht wel leiden tot discussie en mogelijk tot aanpassing van dit wetsartikel. Ik sluit mij dan ook helemaal aan bij reactie 3.

Nu dreigt willekeur, waardoor mijn vertrouwen in de rechtstaat pas echt wordt geschaad.

a.zecha

Indien de aantallen decibels die in media en partijpolitieke gremia worden afgegeven de strafmaat van de Nederlandse rechters gaan bepalen en niet de wet …………..,
indien de aantallen decibels die in media en partijpolitieke gremia worden afgegeven de Nederlandse wetten gaan bepalen …………..,
dan is er wederom een trend naar een neonationalistische media en partijpolitieke justitie en rechtspraak in eigentijdse kleding.
Mobiliseerbare onderbuikgevoelens waren “hot” in de jaren dertig en gedurende de “koude oorlog” van de vorige eeuw, maar ook nu.
a.zecha

Ed van Steijn

Ik vind het moeilijk om inhoudelijk te reageren, ik ben geen jurist. Maar naar aanleiding van het artikel, plaats ik toch een paar opmerkingen.
1) Het zou toch handig zijn, als de krant (en niet alleen in deze rubriek) er een gewoonte van maakt om – als het gaat over wettelijke bepaling – een concrete verwijzing op te nemen naar die bepaling(en).
2) Ik moest nu zoeken en kwam dit http://www.wetboek-online.nl/jurisprudentie/ljnAO8335.html tegen. Wederom, ik ben geen jurist, dus ik zou graag horen of hier eenzelfde geval voorligt en hoe de uitspraak moet worden geïnterpreteerd.
3) Artikel 63 Sr noemt ook overtredingen. Dan kun je op grond daarvan je verkeersboetes dus ook onder ‘samenloop’ laten vallen……

R. de goijer

Ik gooi even een stok in het hoenderhok
Misschien moeten wij bij de analyse een stapje terug in de vervolging
Misschien is er hier ook een taak voor het OM. Ook zij kunnen natuurlijk een rekenformule toepassen en besluiten om op basis van het opportuniteitsbeginsel de zaak wel of niet voor de rechter te brengen. Nu wordt de rechter voor het blok gezet door een een nalaten van de wetgever.Hebben de nabestaanden en de samenleving genoeg aan een formele schuldigverklaring en weegt dit op tegen de verwachtingen die bij de nabestaanden en samenleving leeft dat er echt straf wordt uitgezeten. Worden de nabestaanden onnodig weer opgezadeld met valse hoop en herleefde emoties. Dat is een twistpunt

Jo Jansen

Dus het maakt niet uit of je 1 iemand verkracht en/of ontvoert of 16? Ik snap wel dat die rechter de straf niet mag opstapelen, maar misschien moet de wet dan maar gewijzigd worden. Ik zou de man niet graag tegenkomen over 15 jaar.

Reinier Bakels

Nulla poena sine lege. Geen straf zonder wet. Natuurlijk, die regel belet primair dat *feiten* worden bestraft die niet tevoren expliciet door de wetgever strafbaar zijn gesteld (art. 7 EVRM). Maar diezelfde bepaling zegt ook “Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.” Zoals overal formuleert het EVRM ook zorgvuldig de uitzonderingen. Maar hier betreft die slechts oorlogsmisdadigers etc. die niet strafbaar waren volgens de wetten van de regimes waaronder zij opereerden (nazi’s en zo). Kortom, als de de straf in casu niet worden verlaagd in beroep of cassatie heeft deze verdachte een kansrijke zaak voor het EHRM.

De zinsnede “niet uit te leggen aan de samenleving en de slachtoffers” klinkt bedenkelijk populistisch. Natuurlijk, de rechter dient zich bewust te zijn in een maatschappelijke context te opereren, maar iets wat riekt naar een beroep op het Gezonde Volksgevoel is absoluut uit den boze. Laten we niet vergeten dat mensenrechtenverdragen tot stand zijn gekomen o.a. in reactie op een regime dat zich graag op het gesundes Volksempfinden beriep (een fictie waarmee je alle kanten uit kunt).

Een rechter die zegt dat iets “niet uit te leggen is” geeft zichzelf een brevet van onvermogen. Het is nu juist de taak van de rechter om uit te leggen waarom de wet WEL gevolgd moet worden.

Meer fundamenteel gezien is de strafmaat een irrationele grootheid. Waar “de juridische methode” juist rationele oordelen beoogt, en daar bijvoorbeeld in het aansprakelijkheidsrecht aardig in slaagt, is elke strafmaat een slag in de lucht. Je kunt hooguit een rationele rangschikking maken: moord is erger dan diefstal dus rechtvaardigt een hogere straf. Maar hoe lang moet de boef zitten? Hier wreekt zich ook dat de doelen van het strafrecht voor een deel aanwijsbaar illusoir zijn. Dat geldt met name voor de “generieke preventie”, die afschrikkende werking van het vooruitzicht van straf. Onderzoek heeft al lang aangetoond dat vooral *hogere* straffen de kans op misdaden niet verkleinen. De enige reden die eigenlijk overblijft voor straf is het vergeldingsidee: het idee dat de staat moet straffen namens burgers teneinde eigenrichting te voorkomen. Dat doel geeft nauwelijks houvast. Voor slachtoffers is de straf altijd te laag (meneer Eerdmans!), maar het is een *christelijk* beginsel dat ook aan de belangen van de dader gedacht wordt.

Populisten die voor “hardere straffen” pleiten ontkennen in feite onze christelijke cultuur en neigen bedenkelijk naar de islam!

M. van Alem

Alhoewel het artikel van Jensma daar niets over vermeldt, is het gezien de vergaande consequenties van dit vonnis zeer waarschijnlijk dat de advocaat van de in deze zaak betrokken verdachte hoger beroep heeft ingesteld. Mogelijk dat er daarna nog cassatie volgt bij de Hoge Raad. Begrijpelijk dat de geachte collega juristen reageren op het opmerkelijke vonnis van de rechtbank, maar wellicht is hun commentaar wat prematuur.

Martin van de Wardt-Olde Riekerin

Wat de rechter hier doet is inderdaad het vertrouwen in de rechtsstaat schenden, zoals hierboven al een paar maal is aangegeven.

Moet ik als burger mij nu tot mijn volksvertegenwoordiging wenden als ik het niet eens ben met de strafmaat, of kan ik beter aanschuiven bij een etentje met magistraten?

De rechterlijke macht moet haar plaats kennen als ze niet zeer snel aan invloed wil inboeten.

Martin van de Wardt-Olde Riekerin

Oh, en nog even over de overwegingen; als de rechtbank dan al iets had willen doen dan had ze ook kunnen concluderen dat weliswaar niet meer kan worden vastgesteld of de verdachte toendertijd ontoerekeningsvatbaar was, maar dat de bedoeling van de TBS-maatregel ligt in het voorkomen van zulk gedrag in de toekomst. Verder redenerend zou de rechtbank daarop alsnog kunnen concluderen dat de huidige psychische toestand van de verdachte een TBS-maatregel rechtvaardigt. En als dat niet zo is, dan heeft stapelen ook helemaal geen zin.

Eisso Post

De rechtsstaat wordt gesloopt in de populistische waan van de dag. Wie tegen de staat in beroep wil gaan moet dat zelf betalen, een parlementslid van een gedoogpartij (die dus feitelijke de regering in stand houdt) kan voor ‘perspolitie’ pleiten en later net doen of het een grapje was, en een rechter tracht de wet te overtreden om mensen te plezieren die denken dat de wereld steeds veiliger wordt met steeds zwaardere straffen. Het zijn allemaal afzonderlijk kleine dingetjes, maar als dat een paar jaar zo doorgaat worden we op een ochtend wakker en merken we dat willekeur gewoon is geworden en dat het te laat is om er nog iets tegen te doen. Help!