Belangrijk: Voor het goed functioneren van nrc.nl maken wij gebruik van cookies (meer informatie).
Hiervoor hebben wij wel eerst je toestemming nodig. Klik op de groene knop als je hiermee akkoord gaat.

Niemand steekt zijn nek uit voor de rechtspraak

Het komt bij een academische toespraak maar zelden voor dat mijn vingers gaan jeuken. Dat je mouwen zich vanzelf opstropen. Maar bij de oratie van de Tilburgse jurist Maurits Barendrecht die gasthoogleraar wordt in Den Haag, was dat toch het geval.

Het rechtsbedrijf in nood kan politiek nog geen zandkorrel verplaatsen

De rechtspraak loopt de komende jaren vast, schreef ik hier vorige week. Bij ongewijzigd beleid stijgt het aantal zaken de komende jaren van 1.9 miljoen naar 2.4 miljoen. Overigens komt er een draconische verhoging van de griffierechten aan. Veel burgers ontdekken na 1 juli dat hun geschil over een rekening, vergunning, bekeuring, aanslag of echtscheiding niet onder de vijfhonderd à duizend euro ‘vastrecht’ opgelost kan worden. Dan moet de eigen advocaat ook nog betaald worden. De deur naar de rechter klapt dus dicht. Conflicten los je zelf maar op, is de boodschap. Ook die met de overheid.

Intern groeit de boosheid van de rechters. Op de minister, die de recht zoekende burger behandelt als een vervuiler die moet betalen. Op een kabinet, dat het tekort afwentelt op lagere overheden, ondernemers en belangengroepen die veel procederen, ook namens anderen. En boosheid op de Tweede Kamer, waar de fracties onderling een soort Russisch roulette spelen met het regeerakkoord. Wie Het Akkoord het eerst openbreekt, is de klos en moet er politiek zwaar voor betalen.

Niemand steekt er zijn nek uit voor de rechtspraak. Dat heeft geen publiek gezicht, geen machtige achterban en kan qualitate qua weinig lawaai maken. Protesteren in toga heeft risico’s. Zie de recente vertoning op het Haagse Plein, waar de Orde van Advocaten een strijkje in toga liet spelen. En de minister goedmoedig langs kuierde om een malle grote sleutel aan te nemen. Inderdaad, van de ‘toegang’ tot de rechtspraak. Politiek is er nog geen zandkorrel mee verplaatst.

De rechtspraak voelt zich sluitpost, terwijl de verstandhouding met de politiek al niet zo best is. Op een deftig symposium begin september over ‘omgangsvormen tussen politici en rechters’ bleven alle parlementariërs weg. De oude vergaderzaal aan Binnenhof 1a vulde zich slechts met rechters. Alleen senator Klaas de Vries, van de organisatie, en de ex-rechters Recourt en Quik-Schuijt, overstappers naar de Tweede en de Eerste Kamer, kwamen luisteren. Het vacuüm rondom de rechtspraak had niet beter geïllustreerd kunnen worden.

Rechters beseffen dat het onderwerp ‘griffierechten’ het politiek en publicitair aflegt. Neem de ophef over het persoonsgebonden budget. Daar horen tenminste rolstoelen bij, met echte slachtoffers. Toegang tot de rechter is helaas net zo’n sexy thema als toegang tot de kaakchirurg. Als het zover is hoopt de burger dat de behandelstoel er staat, maar tot dat moment steekt hij toch liever de kop in het zand.

Ook de irritatie over minister Opstelten groeit. Als de Colijn van deze dagen beweert hij almaar dat ‘onder mijn gezag’ de rechtspraak toegankelijk zal blijven voor iedereen.

En op welke manier? Met een compensatieregeling waar 60 procent van de Nederlanders voor in aanmerking zal komen. Zal straks heel modaal Nederland subsidie krijgen om de rechter te mogen spreken? Is dat niet een beetje maf? Wordt er een nieuwe Dienst Toeslagen opgericht om duizenden loonstroken te controleren? Om de aanvragen toe te kennen, achteraf te betwisten en dan terug te vorderen? Het is in ieder geval weer een nieuwe bron van rechtszaken. Procederen over subsidies die procederen met subsidies mogelijk moet maken. Kafka maal het Droste effect, maar dan in het echt.

Nee, dan Maurits Barendrecht. Die was de troost van de week. Barendrecht is hoogleraar aansprakelijkheidsrecht in Tilburg en onconventioneel denker. Hij hield zijn intreerede als gasthoogleraar rule of law bij het Haagse instituut voor de internationalisering van het recht, HILL. Donderdag stond het bekort in deze krant. Hij kijkt naar rechtspraak als een antropoloog naar de pygmeeën. Rechters zijn conflictoplossers die bijzondere prestaties kunnen leveren. Mits je eerst alle regels opzij durft te zetten. Wat toch een grappig pleidooi is voor een hoogleraar rule of law.

Op zijn website innovatingjustice.com verzamelt hij succesverhalen uit de hele wereld. Van de blotevoetenrechters uit Zuid-Amerika, tot de conflictmodule op eBay. Daar worden jaarlijks 60 miljoen geschillen door de klanten zelf opgelost. Binnen talloze fora worden geschillen opgelost, afgekocht, bemiddeld, uitonderhandeld, voorkomen of beslecht. Burgers ruilen vrij makkelijk de autonome rechter in voor iets dat werkt, weinig kost en snel is. Zo blijkt. En rechtbanken werken beter als je ze overstroomt met zaken. Dat deed de ruiten pas echt rinkelen.

Geplaatst in:
Staatsrecht
Lees meer over:
rechtersambt

36 reacties op 'Niemand steekt zijn nek uit voor de rechtspraak'

Ron Batten

Het is niet zo gek dat de verhoging van griffierechten niet tot volkswoede leidt. De meeste mensen hoeven nooit in hun leven naar de rechter. En als het al moet dan hebben ze daar een rechtsbijstandsverzekering voor. Tenslotte zijn de overige kosten van de rechtszaak doorgaans van dien aard dat de griffierechten, ook na verhoging, daarvan een verwaarloosbaar klein onderdeel uitmaken.
Het was dus flauwekul, dat protest. Daarom denk ik dat de rechterlijke macht zich door dit protest teveel met de politiek bemoeid heeft. Dat hadden de heren rechters beter niet kunnen doen.

a.zecha

Een aantal vaststellingen is hier mijns inziens op haar plaats.

Weinigen, (vooral) ook uit de academische wereld, steken hun hoofd boven het conformistisch maaiveld uit, wegens hun staats- en bedrijfsafhankelijke maatschappelijke inkomenspositie en/of hun persoonlijke geaardheid.
Sporadisch worden bij het bereiken van een “pensioensgerechtigde leeftijd” wel enige vrije en kritische geluiden gehoord over de staat waarin de Staat de Nederlanden.verkeert.

Bij de van lees- en kijkcijfers afhankelijke beursgenoteerde media durven weinigen het aan om voor de burgers belangrijke staatszaken openbaar “in de kijkert” te zetten.

“Spelen” zijn van oudsher goede vervangers van meer “inhoudelijk zaken” en in onze van een gezond medegevoel berooide maatschappij worden met emotionele substituanten van allerlei aard gemanipuleerd; ook in het parlement.

Het klein aantal onderzoeksjournalisten ( in Nederland op de site http://www.onjo.nl/ ), bieden mijns inziens nog te weinig staatsonafhankelijke tegenwicht aan onze in toenemende mate totalitair bestuurde democratische staat.

a.zecha

Michiel Jonker

Het betoog van Van Barendrecht om de trias politica maar een beetje opzij te zetten omdat die een beetje sleets geworden zou zijn, rammelde aan alle kanten.

Hij ging bijvoorbeeld uit van een doelstelling die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht (als onderdeel van de scheiding der drie machten) helemaal niet heeft. Die onafhankelijkheid is er niet om goed te kunnen bemiddelen in conflicten, maar om vrij te zijn van de druk van een machtige staat. De machtenscheiding moet worden gezien als voorwaardenscheppend, en ook niet meer dan dat.

Een groot probleem is dat te veel Nederlandse rechters te weinig (morele) ruggegraat hebben en te veel kuddegeest, waardoor ze van hun onafhankelijkheid geen effectief gebruik meer maken. Dit gebeurt met name ook in het bestuursrecht (waar overigens één van de hoogste rechtscolleges, de Raad van State, verregaand verweven is met politieke netwerken). Zo holt de Nederlandse rechterlijke macht zijn eigen onafhankelijkheid uit. Heel anders dan bepaalde onderzoeksrechters in bijvoorbeeld Italië en Frankrijk. Die vechten als leeuwen.

Het is mooi als mensen in staat zijn om conflicten buiten de rechter om op te lossen. Maar de rechter is er nu juist voor zaken waar dat niet lukt, en waar de staatsmacht moet worden ingezet om een redelijke oplossing af te dwingen. Het idee dat je “vrijwillige conflictbeslechting” kunt stimuleren door de positie van de rechter te ondermijnen en de toegang tot de rechter in veel gevallen onmogelijk te maken, is even dom als het idee dat je de orde op straat kunt stimuleren door het aantal surveillerende politieagenten drastisch te verminderen. Het enige wat je dan in de praktijk doet, is een machtsvacuum creëren, dat zal worden opgevuld door het recht van de sterkste.

Wat deze regering doet, is eigenlijk zeggen dat zelfs de “nachtwakerstaat” eigenlijk nog te veel verantwoordelijkheid op zich neemt. Deze regering denkt, of doet alsof zij denkt, dat een “nachtslaperstaat” goedkoper is. Dat is zij echter alleen voor een kleine elite die privé-bewaking en dure advocaten moeiteloos kan betalen. Alle anderen zullen hiervoor een hoge rekening betalen. Met name de PVV en het CDA verraden hiermee hun eigen kiezers.

Wetenschappelijke onderzoekers zouden alvast kunnen nadenken hoe je de verborgen kosten van de afbreuk van de rechtsstaat inzichtelijk en aantoonbaar kunt maken. Wie weet komt er over twintig jaar een bij voorbaat tandeloos onderzoekje van de senaat, analoog aan het onderzoekje naar “privatisering” dat nu plaats gaat vinden. Daar zouden wetenschappers niet op moeten wachten. Nog dit jaar zouden er allerlei “nulmetingen” kunnen worden gedaan.

Hopelijk komt het uiteindelijk niet zover en vinden er spoedig verkiezingen plaats, waarna de huidige, destructieve trend wordt teruggebogen. D.w.z. weer terug naar toegankelijk recht voor iedereen, en een nieuwe generatie van rechters met hart voor de maatschappij, waarmee ze ook bij de politiek het broodnodige respect afdwingen. Het volgende kabinet zal waarschijnlijk wel het puin van de onzalige PVV-VVD-CDA-combinatie moeten opruimen.

Kan iemand een boek schrijven: “De puinhopen van vier jaar bruin.”

mr. a.van sonsbeeck

De werklast bij de rechterlijke macht kan worden verminderd en de griffierechten kunnen worden beperkt wanneer op grotere schaal rechter-plaatsvervangers worden ingezet, zeker bij de minder gecompliceerde zaken. Zo zijn er in ons land naar mijn schatting enkele duizenden gepensioneerde vakjuristen die daarvoor geschikt zijn en van wie velen dit tegen een geringe vergoeding zouden willen doen. In andere landen gebeurt dit ook.
Ook bij andere publieke taken worden buitenstaanders ingezet, zoals de vrijwillige brandweer en reservisten/dienstplichtigen in tijd van oorlog. Ook wil Minister Opstelten meer vrijvilligers inzetten bij de politie.

Reinier Bakels

Er zou vooral veel meer differentiatie moeten komen in de griffietarieven. Als een commercieel bedrijf ervoor kiest om een concurrent niet op de markt maar via de rechter te bevechten en daarvoor enorme bedragen aan advocatenkosten wil maken, mag van mij een griffierecht worden gevraagd dat niet alleen kostendekkend maar zelfs winstgevend is. Waarom zou ik als belastingbetaler zo’n bedrijf moeten subsidiëren? En van de winst kunnen dan weer andere soorten zaken bekostigd worden.

Zo zijn er louche lieden die gebruik maken van het rechtssysteem voor “legale” afpersingsprakijken, zoals “domain name grabbers”, mala fide patenttrollen en mensen die te kwader trouw merken deponeren die die gebruiker van een merk vergeten is te registreren. Deze “ondernemers” verdienen een boterham door bereid te zijn tot een schikking voor een bedrag dat net iets lager ligt dan de kosten van een rechtszaak, en een veel snellere oplossing belooft dan een rechtszaak. In de VS, waar het aanvragen van octrooien goedkoper is dan hier, en het procederen veel duurder dan hier, zijn bijv. banken op deze manier afgeperst voor honderden miljoenen.

Als de griffierechten omhoog gaan dan gaat bij deze criminelen de vlag uit! Dan kunnen ook zij hun “tarieven” drastisch verhogen.

Door een (omstreden) Europese richtlijn moet de verliezer in een proces over “intellectuele eigendom” tegenwoordig de volledige proceskosten betalen, en niet het symbolische bedrag dat overigens gebruikelijk is in civiele zaken. Nu is regelrechte piraterij en plagiaat niet goed te praten, maar bij veel van deze zaken ligt het veel subtieler. En ook hier kan de rechter misbruikt worden om concurrenten uit te schakelen. Amerikanen constateerden al lang geleden dat “if you can’t beat them, sue them!” En ook hier heeft zulke juridische oorlogsvoering meer effect naarmate de griffietarieven hoger zijn.

Barendrecht is een civilist. In het civiele recht staan burgers tegenover elkaar, niet de burger tegenover de staat. Hier zijn er alternatieve mogelijkheden tot geschillenbeslechting, en moet een gesubsidieerde rechtspraak bijvoorbeeld mediators geen oneerlijke concurrentie aandoen.

H.D. Gelderloos

Zie http://www.vsanadvocaten.nl/nieuwsartikel.asp?nummer=88, geredigeerd.

daniel edzes

rechters moeten juristen zijn die veel ervaring hebben en het kaf van het koren kunnen scheiden. de overheid profiteert vaak van kortzichtige rechters die meer naar de regeltjes dan naar de gevolgen kijken. zaken moeten op korte termijn behandeld worden. nu moet je een jaar wachten voordat er aandacht aan wordt besteed. als je bij een bakker zolang op een broodje moet wachten is de bakker snel failliet. rechtbanken moeten worden gereorganiseerd zodat ze weer boter bij de visch kunnen leveren.

Michiel Jonker

@5. Reinier Bakels (uw laatste alinea)
Ook in bestuursrechtzaken (dus niet civiel) worden de griffierechten drastisch verhoogd. Barendrecht beperkte zich in zijn betoog niet tot civiel recht.

Uw impliciete vergelijking van civiele rechtspraak met een commerciële bedrijvigheid vind ik misplaatst. Om toch even in die taal te spreken: er is geen sprake van “oneerlijke concurrentie door gesubsidieerde rechtspraak”, want rechters leveren een ander “product” dan mediators. Barendrecht vindt – grofweg – dat rechters min of meer het product van mediators moeten gaan leveren. Ja, als je dat zou subsidieren, dan krijg je inderdaad concurrentievervalsing. Dan kun je rechters net zo goed afschaffen.

Een civiele rechter dient echter nog steeds het publieke belang en stelt primair een norm. Een mediator is primair uit op overeenstemming tussen twee partijen, los van de vraag welke wensen van partijen het beste passen bij het publieke belang.

Met het publieke belang doel ik hier ook op, bijvoorbeeld, het belang dat contracten worden nageleefd, ter bevordering van het vertrouwen in de samenleving dat men zich door het afsluiten van een contract daadwerkelijk bescherming verwerft tegen allerlei malafide praktijken.

Mediators doen niet of nauwelijks iets om materiële machtsverschillen tussen verschillende partijen te reduceren tijdens hun begeleiding van een mediatie- en/of onderhandelingsproces. Zij zien die machtsverschillen als een gegeven. Rechters daarentegen laten zich als het goed is leiden door procedurele en materiële normen (zoals vastgelegd in wetten, regels en jurisprudentie), waaraan zij machtsverschillen tussen partijen ondergeschikt maken.

Michiel Jonker

@ 1. Ron Batten
In bestuursrechtzaken zijn advocaten niet verplicht. Daar maakt een verdrievouding van het griffierecht bijzonder veel uit, omdat de overheid op microniveau allerlei onrechtvaardige beslissingen kan nemen (en dat ook doet). Hierdoor worden mensen geraakt voor wie elke euro telt.

Wie gaat er bijvoorbeeld tegen een onterechte boete van 300 euro procederen als de griffierechten meer dan 500 euro bedragen? Wie gaat er nog procederen als een gemeente een onterechte vergunning verleent voor het omhakken van een monumentale boom voor je huis? Of voor het bouwwerk in de achtertuin van een buurman dat groter is dan de regels toestaan? Of tegen de vergunning voor een dance-festival dat zich elk jaar niet aan de geluidsnormen houdt? Wie gaat er nog procederen als een gemeente weigert informatie te verstrekken die volgens de Wet openbaarheid bestuur wel verstrekt zou moeten worden?

De verhoging van griffierechten in het bestuursrecht maakt het voor de overheid veel makkelijker om het recht aan zijn laars te lappen en tegenover burgers een beetje te bluffen. Die neiging bestaat nu ook al sterk. De verhoging van griffierechten in het bestuursrecht neemt één van de laatste drempels weg om de overheid definitief te onttrekken aan elke controle door burgers. Dat leidt tot een arrogante, niet-aanspreekbare staat, die niet meer geremd wordt in zijn totalitaire neigingen.

We weten inmiddels allemaal dat een periodiek gekozen parlement alléén in de praktijk niet voldoet om een overheid bij de les te houden. Er zijn heel veel landen met parlementen waar burgers geen rechtszekerheid hebben, laat staan zeggenschap over hun regeringen. Voor veel mensen is het niet fijn wonen daar. Want zonder geld en relaties ben je daar niet veilig.

lyngbakken

Met Barendrecht denk ik ook dat de driehoeksverhouding tussen twee partijen en een bemiddelaar bij de gemiddelde burger vandaag de dag sterker tot de verbeelding spreekt dan die andere driehoeksverhouding: de trias politica.
Maar dat is misschien ook nooit echt anders geweest. De driehoeksverhouding tussen twee partijen en een bemiddelaar/rechter is immers waar het in de praktijk op neerkomt. De trias politica vormt meer een voorwaarde voor een goede afdoening in die verhouding. Dat is wellicht inderdaad meer voer voor juristen (zoals hij schrijft).
Die voorwaarde is aan het verdampen in zaken tussen burgers onderling, maar is nog steeds essentieel in die zaken waarin de overheid partij is. En dat zijn er nogal wat. Barendrecht noemt ze echter niet.
Ik zie de overheid ook niet akkoord gaan met een afdoening van dergelijke zaken door een derde die niet is gebonden aan de wet, een mogelijkheid die in zaken tussen burgers onderling wel wordt gebruikt.

Dat maakt overigens niet dat de ideeën van Barendrecht in dergelijke zaken geen waarde hebben.
Twan Tak omschreef onlangs zijn ervaring bij een hoger beroepsrechter in het bestuursrecht als een formulierencontrole die de burger over het hoofd ziet.
Sinds kort wordt bij de rechtbanken in het bestuursrecht gewerkt met het model van ¨De nieuwe zaaksbehandeling¨. Daarin komen zaken snel (binnen 3 maanden) op zitting en wordt vooral geprobeerd op menselijke maat een oplossing te vinden voor de wezenlijke problemen die vaak aan beide zijden achter het papier verstopt zitten. Ervaringen uit bijvoorbeeld mediation (ook genoemd door Barendrecht als alternatief) worden daarbij gebruikt. Partijen staan centraal, en niet de regels.
Wat mij betreft zou daarbij passen dat een overheidsbestuur dat zich te star en te bureaucratisch heeft opgesteld tegenover de burger de volledige kosten van de procedure bij de rechter zou moeten dragen, en niet de burger. Die overheid gedraagt zich als een vervuiler, niet de burger. Dat overheidsbestuur zou dan dus niet alleen de kosten van de burger moeten vergoeden, maar daarnaast ook de kosten van de rechtspraak. Dat lijkt mij een nuttige aanvulling van alle voorstellen voor een kostendekkend griffierecht, een aanvulling die bovendien recht doet aan de trias politica. Ik ben benieuwd wat Barendrecht daarvan vindt!

Ed van Steijn

Een van de belangrijkste kenmerken van een rechtsstaat zou toch moeten zijn dat burgers, ongeacht hun financiële positie toegang hebben tot het recht. Of beter nog, dat financiële overwegingen geen rol mogen spelen bij toegang tot het recht. Brandweer en politie beschermen lijf en goed zonder griffierecht en zonder aanzien des persoons. Waarom zou dat voor de rechter anders moeten zijn?

En als de redenering is dat – wat natuurlijk niet zo is – in civiele en bestuurlijke zaken partijen uit vrije wil naar de rechter stappen en er daarom voor moeten betalen, waarom dan alleen daar? Juist in strafrechterlijke zaken kiest iemand – de dader – voor het risico (jammer genoeg niet de zekerheid) om voor de rechter te komen. Ligt het dan niet (meer) voor de hand om veroordeelde daders te laten opdraaien voor de kosten van hun proces (en misschien ook nog de opsporing)? Is dat ook overwogen, als het er om gaat de kosten van rechtspleging te verhalen?

c wildschut

Kan iemand minister Opstelten (en de overigen onder de Haagse kaasstolp) op de bijdragen van Michiel Jonker wijzen? Ik sluit me er in ieder geval van harte bij aan.

w. van suijlekom

ik las in le monde een paar weken geleden over de ophef in frankrijk over het feit dat er 35 euro zal worden geheven alvorens men zijn/haar geschil aan de rechter kan voorleggen. “het recht moet voor iedereen vrij toegankelijk zijn!”

Michiel Jonker

@ 10. lyngbakken

U schrijft dat Barendrechts gedachten serieuze overweging verdienen. Dan zegt u het volgende:

“Twan Tak omschreef onlangs zijn ervaring bij een hoger beroepsrechter in het bestuursrecht als een formulierencontrole die de burger over het hoofd ziet.
Sinds kort wordt bij de rechtbanken in het bestuursrecht gewerkt met het model van ¨De nieuwe zaaksbehandeling¨. Daarin komen zaken snel (binnen 3 maanden) op zitting en wordt vooral geprobeerd op menselijke maat een oplossing te vinden voor de wezenlijke problemen die vaak aan beide zijden achter het papier verstopt zitten. Ervaringen uit bijvoorbeeld mediation (ook genoemd door Barendrecht als alternatief) worden daarbij gebruikt. Partijen staan centraal, en niet de regels.”

Het is natuurlijk hard nodig dat een rechter over de rand van zijn formulieren kijkt, en verder dan zijn neus lang is. En dat de rechter ook de werktijd krijgt om dat zonder onnodige vertraging te doen.

Maar zulke rechtspraak zou nog steeds moeten plaatsvinden binnen het kader dat de regels stellen. Er zijn dan twee mogelijkheden: (1) De regels laten de rechter voldoende interpretatieruimte om tot een constructieve oplossing te komen; (2) De regels laten daarvoor niet voldoende ruimte.

In het eerste geval is er geen wezenlijke spanning tussen het belang van partijen en de naleving van regels. Wel vereist dit intelligentie en een tegelijk scherpe en ruime blik van de rechter. Het lijkt veel rechters daarbij te ontbreken aan morele “Bildung” en aan basiskennis van logica, of althans aan respect voor ethiek en logica. Misschien zijn die in juridische opleidingen een beetje ondergesneeuwd geraakt.

Ook in het tweede geval zal de rechter de regels moeten blijven volgen. Maar wel zou een rechter dan in zijn motivering expliciet moeten aangeven dat hij zijn uitspraak moreel niet rechtvaardig vindt, maar dat de regels hem in dit concrete geval geen andere keus laten (en waarom). Dat schept duidelijkheid, waar de wetgever vervolgens iets mee kan.

Wat je nu in de praktijk van het bestuursrecht vaak ziet, is dat de regels, zoals ook Twan Tak heeft aangegeven, ongunstig zijn voor de burger: een soort procedurele hordenloop waarbij elke kleine “fout” de burger fataal is, terwijl de overheid overal mee wegkomt, zo niet meteen, dan toch door middel van “reparatie” in (hoger) beroep. En in plaats van daaraan enig tegenwicht te bieden, gaan veel bestuursrechters mee in dit ongelijke krachtenveld en maken het nòg een beetje ongelijker, door middel van “bestuursvriendelijke” interpretaties.

Anderzijds zie je rechters die hun motiveringen bouwen op niet-rechtstatelijke vaagheden. Een saillant voorbeeld daarvan was het rechterlijke oordeel dat “het politieke klimaat” bepaalde beledigende uitspraken toch geoorloofd zou maken. Dit zei de rechter in de zaak-Wilders. Later werd dit door ten minste één (politie-)rechter nagevolgd in een zaak over de uitspraken van een lokale politicus. Wilders reageerde laconiek op deze uitspraak, zoals een uit de kluiten gewassen schooljongen die merkt dat de meester hem niet durft aan te pakken. (Nadat dat de vorige meester zichzelf klunzig knock-out heeft geslagen.)

Gemeenschappelijk aan het onderschoffelen van burgers en het angsthazerig ontzien van politici, is dat rechters buigen voor / meebuigen met politieke macht. Maar daarvoor zijn ze niet aangesteld. Daarvoor is de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht niet bedoeld.

Er is dus sprake van een gedragsprobleem bij rechters. Dat zou moeten worden aangepakt. Daartoe kunnen rechterlijke instanties zelf het initiatief nemen. Bijvoorbeeld – als ik even hardop denk – door middel van het invoeren van een verplichting voor rechters tot deelname aan een “openbaar bijscholingsprogramma Rechtstoepassing”, waarin ze les krijgen van ethici en logici. Dit in bijzijn van leken die mogen meedoen aan de dialoog, naar aanleiding van geanonimiseerde casuïstiek. Een soort periodieke inenting tegen de ivoren-toren-ziekte en tegen het risico van rechterlijke lafheid.

Er is geen gebrek aan casuïstiek. Ook niet aan geïnteresseerde leken die bereid zijn het gezonde verstand te vertegenwoordigen.

Niek Heering

Met o.a. #3 Roelof Jonker ergerde ik me er erg aan dat Maurits Barendrecht de Trias Politica van Montesquieu uit de tijd vond. Hij weet daar vanuit zijn specialisatie ook niets van: het gaat om de staatsinrichting en dus het staatsrecht. Komend als advocaat uit een groot commercieel kantoor legde hij zich toe op nieuwe doelmatiger en goedkopere geschiloplossing-procedures dan wij nu hebben, en werd hierin hoogleraar in Tilburg; prima! Maar dan heeft hij het over één pijler van de trias politica: de rechtsprekende, en dat geeft hem dus geen enkel recht als niet-deskundige over de twee andere te oreren. Het is hem blijkbaar in de bol geslagen: slechte verkoop van zijn op eigen gebied frisse gedachten. Treurig dat Folkert Jensma aan dit kokerzien meedoet.

yf meurs

Niet voor iedere procedure heb je een jurist nodig en kan een hoop administratieve rompslomp achterwege blijven. Ook zijn er fiscale voordelen voor bepaalde procedures die de gemaakte kosten weer een beetje kunnen opheffen. Desalniettemin is het absoluut een feit dat de toetsing op regels en de uitvoeringsvoorschriften, de gegrondheid voor procedures etc. zo abominabel is dat de toename van het aantal zaken de afgelopen 10 jaar niet zo verwonderlijk is. Vooral overheidsorganisaties zelf hebben de rechter vaak bezocht om op onorthodoxe wijze bij de gerechtelijke macht ´oplossingen´ af te dwingen. Deze overheidsorganisaties hebben de neiging om te rapporteren naar een besluit, waardoor rationele overwegingen achterwege blijven. Helaas blijkt de gerechtelijke macht hierin niet opgevoed en is het des te ingewikkelder voor het individu om zich te verdedigen tegen deze overheid die hierdoor volledig voorbij gaat aan eerlijke procesvoering en de fundamentele rechten van het individu. De oorspronkelijkheid van de wet is ooit ontstaan doordat woorden zijn gedefinieerd die daarbij een associatie hebben verankerd, die onze ´gewoontes´ verklaren en dus ook de interpretaties van de wet en het gebruik van de wet aan grenzen legt. Helaas heeft het ministerie van justitie (misschien doordat ze veel vertakkingen hebben) zelf de neiging tot collaboratie, een samenwerking die de onafhankelijkheid en dus ook toetsing laat verbleken, en deze grenzen schromelijk geschonden.

RJM Cremers

Zoals ik via een ingezonden mededeling in de editie van afgelopen donderdag al mocht opmerken zijn de griffierechten inmiddels al aanzienlijk verhoogd, in elk geval in civiele kantonzaken. Ik wil hieronder even een idee geven over wat voor een bedragen en belangen we het dan hebben.

De bulk van de civiele zaken in Nederland betreft incassovorderingen, veelal aangebracht door procespartijen die grote aantallen zaken in de aanbieding hebben (denk aan 10.000 op jaarbasis of meer). Alleen de ziektekostenverzekeraars hebben al 500.000 wanbetalers die uiteindelijk zijn ondergebracht bij het CVZ, om maar een voorbeeld te noemen.

Wanneer ik met een hele natte vinger ga rekenen, kom ik voor wat betreft het aantal civiele kantonzaken in het arrondissement Den Bosch uit op om en nabij 30.000 zaken per jaar. Voor deze zaken betaalt de eisende partij een griffierecht van 106 euro bij vorderingen tot 500 euro en vanaf 1 juli 2011 426 euro voor vorderingen van meer dan 500 euro (voordien 280 euro, nu dus met 50% verhoogd).

Van deze zaken wordt naar schatting 75-80% bij verstek afgedaan (22.500 tot 24.000 zaken). In die zaken voert een gedaagde geen verweer, doorgaans omdat deze geen ander verweer heeft dan dat hij of zij niet in staat is om te betalen. Dat leidt tot een veroordelend vonnis, waarbij de gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, waaronder het door de eisende partij betaalde griffierecht. Dat komt zo dus indirect voor rekening van de gedaagde, ongeacht of die verweer wil voeren of niet.

Hoe de precieze verhouding ligt tussen zaken met een belang van meer en een belang van minder dan 500 euro, weet ik niet, maar uitgaande van een verhouding 75:25 leveren deze verstekzaken alleen in het arrondissement Den Bosch op jaarbasis grof geschat een bedrag van tussen de 7,75 en 8,3 miljoen euro aan griffierechten op. Nederland kent (nog) 19 arrondissementen en Den Bosch is groter dan gemiddeld, maar wanneer je deze bedragen conservatief omrekent naar een landelijk bedrag door ze met 15 te vermenigvuldigen, kom je op jaarbasis uit op een bedrag van ergens tussen de 115 en 125 miljoen euro. Dat bedrag wordt door de eisende partijen, die het hebben moeten betalen, via de proceskostenveroordeling teruggehaald bij de gedaagden, die doorgaans toch al niet in staat waren om de hoofdsommen te betalen. Aldus laat de Staat zich indirect voor 115 tot 125 miljoen euro per jaar financieren door mensen die voor een belangrijk deel al in betalingsonmacht verkeren.

Wanneer er door bezuinigingen in de zorg enkele tientallen miljoenen worden weggehaald bij chronisch zieken, staat Nederland op zijn achterste benen. Wanneer justitie echter door een sluipende verhoging van griffierechten tientallen miljoenen extra indirect ten laste brengt van de meest kwetsbare groepen in onze samenleving, hoor je niemand…

Michiel Jonker

@15. Niek Heering
Heb ik iets gemist? Volgens mij toonde Folkert Jensma zich juist zeer kritisch over het betoog van Barendrecht. Sarcastisch zelfs, wanneer Jensma het heeft over “de troost van de week”.

lyngbakken

@14. Michiel Jonker

Ik begrijp u samengevat als volgt: kern van het probleem zit´em in de wijze van omgaan met de regels door de bestuursrechter; regels waarbinnen de bestuursrechter altijd moet werken. Kennelijk vormt de nieuwe werkwijze van de rechtbanken voor u een onvoldoende aanpak van dat probleem; als ik het goed begrijp omdat u vindt dat het probleem met name zit in een verkeerde regeltoepassing.

Inderdaad is de nieuwe werkwijze (voorzover ik die heb begrepen) niet direct gericht op regeltoepassing door de rechter, maar juist op het op een andere manier komen tot een oplossing van het geschil.

Die aanpak lijkt mij echter nog niet zo gek. In het recht, en dus ook in het bestuursrecht, zijn regels niet zaligmakend. Regels zijn niet meer dan hulpmiddelen tot rechtvaardigheid. En dan zijn ze ook nog gebrekkig (want mensenwerk): ze bijten elkaar met de regelmaat van de klok. Regels bieden dus veel minder vastigheid dan je op het eerste gezicht zou denken.

Advocaten vertalen het praktische probleem van hun cliënt in een juridisch verhaal en doen dan een beroep op juridische regels. Rechters doen dat ook, net als het openbaar bestuur. Daarmee verschralen ze echter allen onontkoombaar het probleem van de cliënt/de burger tot alleen een juridische dimensie. De uitkomst is dan voorstelbaar en voorspelbaar: de cliënt/burger voelt zich niet gehoord of gezien, en ook dan hebben we de door Twan Tak beschreven blinddoek (of zoals anderen zullen zeggen: de oogkleppen van de jurist).
Regels zijn niet alleen onzeker, ze zijn ook ¨armoedig¨. De door u gesuggereerde cursus verandert daar niets aan.

Regels hebben niet alleen nadelen, ze brengen ook structuur in een chaos aan gegevens. Ik zou dus niet willen bepleiten om alle regels overboord te gooien, maar wel om er op een andere manier mee om te gaan.
Naast formele regels zijn er ook materiële regels. Zou een groter accent op de materiële regels in plaats van op de formele regels al niet verschil maken? Dat kan, en daar ligt m.i. iig ruimte voor interpretatie binnen de ruimte van de regels (zoals u terecht constateert).

Formele regels worden vaak gehanteerd als blokkade voor een inhoudelijk punt van de andere partij (de ¨procedurele hordenloop¨ is daar een treffend voorbeeld van).
Moet je je dan niet afvragen waarom je formele regels zou hanteren als de procespartijen daaraan geen behoefte hebben of als daarmee materieel geen enkel redelijk belang wordt gediend? Ik meen van wel, en ik denk dat we daarbij ons voordeel kunnen doen met de ervaringen uit civiel. Voor de volledigheid: ook daar zit men vaak met hele sets van regels (uit bijv. algemene voorwaarden), maar slaagt men er toch regelmatig in oplossingen op maat te vinden.

Ik hoop dat met de nieuwe manier van werken bij de rechtbanken veel centraler komt te staan wat partijen wèl willen, en wat daarvan wèl kan (in plaats van niet) en dat formele regels en blokkades steeds vaker worden ingeruild voor respect over en weer als basis om te komen tot een echte inhoudelijke oplossing van het conflict tussen de burger en de overheid. Geen stokken in de wielen meer, en geen hordenloop. Volgens mij hebben wij daarom uiteindelijk niet echt een verschil van mening.

Michiel Jonker

@lyngbakken
Waarschijnlijk heeft u gelijk dat we uiteindelijk niet echt een verschil van mening hebben. Ik ben het bijvoorbeeld met u eens over de beperkingen die inherent zijn aan (het gebruik van) regels. Ook ben ik het in beginsel met u eens dat materiële regels relatief meer aandacht zouden moeten krijgen.

Een probleem is volgens mij de misvatting dat, als je een probleem vertaalt naar wat het betekent in termen van regels, dit er meteen zou moeten leiden dat je alleen nog naar die vertaling kijkt, en niet meer naar het onderliggende probleem. Een goede rechter kijkt naar beide.

In de praktijk verliezen veel bestuursrechters het probleem van de burger uit het oog, en/of “vertalen” dat in een probleem van de overheid.

Fictief voorbeeld: burger wil op zondag graag rustig in zijn tuin zitten, gemeente wil vitaliteit in de stad brengen door elke tweede zondag van de maand naast die tuin een motorwedstrijd te organiseren. Burger dient bezwaar in, dat door gemeente niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat burger geen belanghebbende is. Immers, vanwege een hoge heg van coniferen heeft de burger geen zicht op de motorwedstrijd.

Burger stapt naar de rechter (beroep). Rechter verklaart burger eveneens niet-ontvankelijk, want het bezwaar van burger was gericht tegen een specifieke wedstrijd die inmiddels gehouden is, waardoor er thans geen “procesbelang” meer is. Rechter gaat niet in op het argument van burger dat hij eigenlijk ook doelde op alle toekomstige motorwedstrijden.

Burger maakt bezwaar tegen toekomstige motorwedstrijden. Bezwaar door gemeente opnieuw niet-ontvankelijk verklaard. Rechter vernietigt besluit niet-ontvankelijkheid. Gemeente verklaart bezwaar nu ongegrond. Burger stapt naar rechter (beroep). Rechter verklaart beroep ongegrond, omdat “belang van de gemeente in dit geval zwaarder weegt dan het individuele belang van de burger”. Wel merkt de rechter op dat de gemeente er goed aan zou doen haar beleid ten aanzien van toegelaten geluidsoverlast in de toekomst nader te preciseren.

Gemeente stelt “geluidscontouren” en “evenementenplan” op die het mogelijk maken twaalf keer per jaar een motorwedstrijd naast tuin burger te doen plaatsvinden. Burger gaat in bezwaar tegen evenementenplan. Gemeente verklaart burger niet-ontvankelijk, want beleid is niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Rechter denkt er ook zo over.

Burger schaft geluidsmeter aan. Het blijkt dat de motorwedstrijd de door gemeente zelf bepaalde geluidsnormen overschrijdt. Op basis hiervan maakt burger bezwaar tegen toekomstige motorwedstrijden. Gemeente verklaart het ongegrond. Burger stapt naar rechter (beroep). Gemeente verklaart ter zitting volgende keer de geluidsniveaus beter te zullen controleren. Rechter ziet daarom geen aanleiding meer het beroep van burger gegrond te verklaren…

En zo kan ik nog wel even doorgaan. Dit is gewoon een uit de losse pols geconstrueerd denkvoorbeeld. Het laat zien dat de mogelijkheden om de overheid zijn gang te laten gaan ten koste van de burger, eindeloos zijn – regels of geen regels. Het echte probleem zijn niet de regels, maar de houding van overheid en rechters.

Stel nu dat in die nieuwe zaaksbehandelingsmethodiek de rechter gaat zeggen: “Kan de gemeente er niet mee instemmen om in plaats van 12, nog slechts 8 motorwedstrijden per jaar te houden naast de tuin van burger?” Stel dat gemeente daarmee instemt. Dit zou leiden tot een situatie waarin een gemeente die 8 motorwedstrijden wil houden, er 12 vergunt, zodat er na protest en gerechtelijke procedure nog 8 overblijven. Of er 20 vergunt, zodat er nog 12 overblijven.

Het probleem is dan nog steeds de houding van de overheid en een gebrek aan daadkracht van de rechter.

Ik zou ook een omgekeerd voorbeeld kunnen construeren, waar de overheid belang heeft bij een soepele omgang met procedurele regels, terwijl de burger er belang bij heeft dat de overheid eraan wordt gehouden. Ra, ra, wat de rechter dan doet.

Biedt de nieuwe behandelmethodiek volgens u een oplossing voor dit probleem? En zo ja, waarom?

De door mij gesuggereerde cursus (“bijscholingsprogramma Rechtstoepassing”) zou burgers, ethici en logici de mogelijkheid bieden om rechters in een dialoog(!) te confronteren met de reële consequenties van de manier waarop ze de regels toepassen.

lyngbakken

@ 20. Michiel Jonker

Ik ben het ermee eens dat het probleem niet in de regels zit, maar in de manier waarop ermee wordt omgegaan. En dat is volgens mij ook waar de nieuwe werkwijze van de rechtbanken van uitgaat.

Zo moet je volgens mij alleen naar regels grijpen als het niet anders kan. Dr Strangelove voor juristen: de hand van het gezond verstand slaat de hand weg die wil grijpen naar de rode knop van de big bang (lees: de hand die het wetboek direct wil pakken).

Gemeenten zijn als bureaucratieën ook juist geneigd om in regels te vluchten.
In jouw voorbeeld zou ik daarom de gemeente bij de rechter meer naar de zijlijn willen manoeuvreren. Het feitelijke probleem bestaat immers niet tussen de gemeente en de burger met de aanliggende tuin, maar tussen die burger en de exploitant van het motorraceterrein. Dat het formeel gaat om een besluit van de gemeente doet aan dat feit niks af.

Ik denk dat het belangrijk is dat de vergunning-/ontheffinghouder dan in gesprek gaat met de buurman met de tuin over de overlast en over mogelijke oplossingen, en ik zou denken dat in de rechtszaak een dergelijk gesprek door de rechter begeleid zou dienen te worden voorzover nodig.

Ik hoop (en verwacht uit wat ik heb begrepen van de nieuwe werkwijze) dat de rechter op zitting dan niet (zoals in jouw voorbeelden, waarvan ik er ook vele ken) direct gaat beginnen over de vraag of het beroep wel ontvankelijk is, maar eerst gaat kijken of er los van de ontvankelijkheid een inhoudelijke oplossing te bereiken is. Dat lijkt mij op langere termijn ook goedkoper voor iedereen, want zoals je voorbeeld laat zien, zullen er anders vaak alleen maar vervolgprocedures komen, die iedereen geld, tijd en energie kosten en weinig tot niks opleveren.

Een dergelijke aanpak zal niet altijd, of niet altijd helemaal lukken, en dan is er misschien aan het einde niets anders dan terugvallen op de regels. Ik hoop dan dat zo materieel mogelijk wordt afgedaan. Maar voorzover formele regels nog in beeld komen, ben ik dan benieuwd of de bestuursrechters met de nieuwe werkwijze ook even streng zullen blijven op de ontvankelijkheidskwesties als tot dusver, of dat daar ook verandering gaat optreden, met name als partijen juist gaan benadrukken dat ze graag een inhoudelijk oordeel willen. Er wil bij mij eigenlijk niet in dat als de bestuursrechter de wensen van partijen voorop zet, hij op den duur vast kan blijven houden aan zijn strenge lijn op ontvankelijkheidskwesties. De tijd zal het ons echter moeten leren.

Ook ik heb natuurlijk mijn twijfels hoe de nieuwe manier van werken bij de rechtbanken uiteindelijk zal uitpakken (ook omdat kennelijk de hoger beroepsrechters niet meedoen…), maar voor mij blijft wel staan dat het een goede poging van de rechtbanken is om het bestuursrecht burgervriendelijker en begrijpelijker voor alle partijen te maken.

Ook volgens mij was het nodig; de omschrijvingen van bijv. Twan Tak zijn helaas niet uit de lucht gegrepen. De oude Adam kan echter hardnekkiger zijn dan ik hoop. Advocaten en rechtsbijstandsverleners kunnen de rechter echter helpen bij de les te blijven. En verder heb ik begrepen dat de rechters trainingen hebben ontvangen in de nieuwe manier van werken en de achterliggende principes. Dat is hopelijk een stevige inenting, en ligt misschien niet eens zo ver van jouw scholingssuggestie vandaan?

Michiel Jonker

@ 21 Lyngbakken

Ik vind het bizar en demagogisch om het wetboek met een atoombom te vergelijken. Dat is meer iets voor de Tea Party, maar toch niet voor een nuchtere Nederlander?

Wel ben ik het met u eens dat rechters soepeler met de ontvankelijkheid van burgers zouden moeten omgaan – meer in de geest van het bestuursrecht, dat oorspronkelijk beoogde een schild voor de zwakken te zijn, en geen knuppel in de hand van een toch al sterkere overheid. Alle burger-vijandige sofismen en kronkelredeneringen die de afgelopen tien, vijftien jaar in de jurisprudentie over ontvankelijkheid zijn geweven, zouden er weer uit moeten worden gehaald.

Met verwijzing naar ons fictieve voorbeeld, wil ik benadrukken dat de gemeente BESLISSINGSMACHT heeft over het toestaan van die motorwedstrijd. En in de praktijk zijn er al heel wat contacten tussen de organisator en de gemeente geweest voordat de burger op de hoogte raakt van de plannen. Die organisator is een ondernemer met een commercieel belang.

Ik heb nog nooit meegemaakt dat een ondernemer met een commercieel belang vrijwillig een compromis sloot met een machteloze burger, als daar geen tegenprestatie tegenover stond. Bijvoorbeeld dat die burger afziet van een bezwaar- en beroepsprocedure. Regelgeving, jurisprudentie en toegang tot het recht bepalen de onderhandelingsposities van de burger en de ondernemer, en daarmee de uitkomst van hun minnelijke overleg.

Als de rechter gaat zeggen: “Zoeken jullie het eerst met z’n tweetjes (of drietjes, incl. de gemeente) nog een tijdje uit, ik kijk nog even vanaf de zijlijn toe”, dan werkt dat onherroepelijk in het nadeel van de zwakste partij, in dit geval de burger. Bovendien moet die aan het aldus verlengde proces privé-tijd, middelen en energie spenderen, terwijl het voor zo’n ondernemer (en voor de gemeente) werktijd en belastinggeld is.

Daar komt nog bij dat de rol van de gemeente in dit voorbeeld essentieel is. Er is sprake van een publiek belang. Een rechter die deze rol een beetje opzij schuift, zoals u voorstelt, schuift daarmee ook het publieke belang een beetje opzij.

Een belangrijke reden waarom overheidsorganisaties in regels vluchten, is dat ze verwachten op die manier hun zin te krijgen. Dit komt voort uit hun ervaring dat de rechter hen in meer of mindere mate bevoordeelt en de informatie-achterstand van burgers niet compenseert. Als rechters consequent streng zijn voor overheidsorganisaties, zou dat een grote invloed hebben op de houding van overheden ten aanzien van burgers. Dan zou er beter met burgers worden overlegd vóórdat er besluiten worden genomen. En dan zouden er dus ook minder rechtszaken komen.

Met andere woorden: juist een krachtige regeltoepassing door rechters kan het aantal rechtszaken verminderen. Maar dan moeten die regels wel eerlijk worden toegepast, om te voorkomen dat burgers steevast de dupe worden en de overheid zich steeds minder om burgers bekommert.

Het is een illusie te denken dat overheden zich tegenover burgers in de praktijk netjes gedragen zonder rechterlijke dwang. Ik zeg dit vanuit eigen ervaring als burger èn als ambtenaar. De meeste ambtenaren gedragen zich als kuddedieren die niet in de eerste plaats hun geweten, maar de wensen van hun bazen volgen.

Paul Kirchhoff

We gaan weer gewoon terug naar het vuistrecht of het recht van de financieel sterkste partij. Dat geldt nu al op voor een groot deel van de rechtzoekenden die het voorrecht kennen zelf op te mogen draaien voor griffierechten en advocaatkosten.

Al enkele decennia worden uit oogpunt van moeiteloos incasseren bij de burger die zich misdraagt de mogelijkheden voor verweer flink beperkt.
De wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften beter bekend als de wet Mulder gaat voor het gemak uit van het schuldig principe van de burger.
Ooit begonnen als tientjes wet voor niet functionerende fietsverlichting neemt de zwaarste sanctie voor op zich onbenullige misdragingen nu een flinke hap uit een modaal maandsalaris.
Verweer is lastig gemaakt en wordt niet zelden terzijde geschoven door de officier van justitie die in eerste instantie beslist.
Hoger beroep voor sancties onder 500 euro is helemaal afgeschaft.
Dat schiet lekker op bij het bezuinigen.
Om de opbrengst van al die criminele gedragingen nog wat op te schroeven worden de sancties regelmatig fors verhoogd.
Dat leidt er inmiddels toe dat politiemensen geen bekeuring geven of zoeken naar een vergrijp dat wat vriendelijker is geprijsd.
Bij effect van de roboten in blauw die meteen het bonboekje hanteren is een fnuikend gebrek aan respect voor de politie man of vrouw op straat.
De huidige politie kan niet meer rekenen op draagvlak in de samenleving voor haar optreden.
Het zal de minister van justitie een zorg zijn. Die kijkt net als de rest van dit kabinet alleen maar naar het sluitend maken van zijn begroting.

lyngbakken

@ 22. Michiel Jonker
U benadrukt dat de gemeente beslissingsmacht heeft over het toestaan van de motorwedstrijd. Eens; de wet verleent die de gemeente zelfs uitdrukkelijk. Het gaat er mij echter om om dat niet als beginpunt voor een oplossing te nemen, maar om te kijken of er niet op andere manieren, zonder direct dat machtswoord op tafel te leggen, tot aanvaardbare oplossingen gekomen kan worden.
U schrijft dat u nog nooit heeft meegemaakt dat een ondernemer met een commercieel belang vrijwillig een compromis sloot met een machteloze burger, als daar geen tegenprestatie tegenover stond.
Dat wil ik best geloven. Er zijn echter ook goede ervaringen opgedaan met mediation in bezwaar en in beroep bij de bestuursrechter. Ik heb verder begrepen dat de proefervaringen met de nieuwe aanpak bij de bestuursrechter hebben laten zien dat veel meer zaken na interventie van de rechter uiteindelijk zonder een uitspraak zijn opgelost dan men vooraf ook maar had durven denken (dat gaat om tientallen procenten). Maar dan moet er wel speciaal op worden ingezet.
Ik zie ook verder niet wat er tegen is om partijen hier de keuze te laten. Willen ze een traditionele, technisch juridische afdoening, dan staat ze dat natuurlijk vrij. Het bieden van keuzes en het volgen daarvan in plaats van één mal van een standaardtraject lijkt mij alleen maar een manier om burger en bestuur serieus te nemen. Als de burger zegt: ik wil alleen dat het via de regels wordt afgedaan, dan blijft het daarbij, evenals wanneer het bestuur dat zegt. En als de burger wel een compromis wil sluiten waarbij hij inlevert, maar iets anders terugkrijgt: wie zijn wij dan om te zeggen dat dat niet mag of niet goed is?
Regelgeving, jurisprudentie en toegang tot het recht bepalen de uitkomst van hun minnelijke overleg volgens u. Ik ben met u eens dat die elementen een rol kunnen spelen, maar er is meer dan dat: praktische zaken en belangen. Om te blijven bij uw motorcrossvoorbeeld: wat bijvoorbeeld als de burger steun heeft in de buurt en veel sympathisanten heeft of de lokale pers zich ermee bemoeit? Zou de goede naam van de motorcrossexploitant hem dan niet tot enige inschikkelijkheid kunnen brengen; inschikkelijkheid die door sommigen misschien wordt gezien als het maken van goede sier, maar misschien voor omwonenden wezenlijk is? Zou het voor de motorcrossorganisator niet van belang kunnen zijn om handhavingsverzoeken (en nieuwe juridische procedures) in de toekomst te voorkomen door goede afspraken te maken met omwonenden? Zou de motorcrossorganisator er niet ook liever zonder conflicten met de buurt zijn cross houden?
Het is de bedoeling is dat elke zaak met 3 maanden op zitting staat. Dat is veel sneller dan voorheen. Op zitting kan worden besproken hoe de zaak moet worden behandeld en kan al een compromis (al dan niet gedeeltelijk) tot stand komen. De behandeltijd op zitting is ook ongeveer het dubbele van vroeger. Aanhoudingen voor mogelijke compromissen kunnen natuurlijk wel vertragend werken. Maar als een partij bijvoorbeeld om die reden niet wil gaan schikken, dan staat hem dat vrij en kan hij zelf een dergelijke aanhouding voorkomen door te kiezen voor een uitspraak, en die is er dan juist veel sneller dan nu. Win-win voor iedereen lijkt mij.
Mij lijkt ook dat niet allereerst de rechter, maar het bestuur het publieke belang in de gaten moet houden. De rechter moet niet op de stoel van de gemeente gaan zitten. En waarom zou het bestuur dat algemene belang ineens vergeten in zaken die al tot de rechter zijn geëscaleerd? Compromissen of schikkingen hoeven verder helemaal niet in strijd te zijn met dat belang. Sterker nog, ik denk dat ze dat nogal eens beter kunnen dienen dan een strak vasthouden aan regels en macht. De rapporten van de nationale ombudsman laten maar al te vaak zien hoe slecht dat laatste is, ook voor het algemeen belang.
En dan nog dr Stangelove: het is een film, geen werkelijkheid gelukkig. Mijn opmerking daarover was niet letterlijk bedoeld, maar vooral een knipoog.

Michiel Jonker

@ 24. Lyngbakken

Ik wil graag geloven dat er ervaringen zijn opgedaan met mediation door bestuursrechters die door betrokkenen als “goed” zijn ervaren. Maar om deze ervaringen goed te kunnen beoordelen, zou de casuïstiek nader moeten worden bekeken op twee punten: (1) Hoe stond het met de verwachtingen van de participanten op verschillende momenten in het overleg- en besluitvormingsproces; (2) Hoe verhoudt de materiële uitkomst zich met de waarborgen die het recht biedt, of zou moeten bieden?

Het risico bestaat van het “kopje koffie”-effect: klanten die tevreden zijn, niet omdat ze inhoudelijk goed geholpen zijn, maar omdat ze zo fijn met de rechter / gemeente / bankemployee of wie dan ook hebben gepraat (met een kopje koffie erbij).

Het risico bestaat ook dat “mediatie”, ook al is die formeel op vrijwilligheid gebaseerd, geleidelijk de norm wordt, en dat rechtzoekenden die daar vanaf zien, door de rechter eerder als “onredelijk” worden beschouwd. Zelf heb ik meerdere situaties meegemaakt waarin het voor de zwakkere partij juridisch gezien uitermate onverstandig zou zijn geweest om zich geen voorstander van mediatie te tonen.

U benadrukt dat er praktische zaken zijn die naast regelgeving en toegang tot het recht invloed hebben op de uitkomst van minnelijk overleg (waarbij u mijn motorwedstrijd-voorbeeld aanvult). Natuurlijk is dat zo. Maar wat wilt u daarmee zeggen? Er blijft altijd sprake van een krachtsverhouding tussen sterkere en zwakkere partijen, wie dat ook zijn. De kernvraag is of het recht doorslaggevend moet zijn, of dat de rechter toestaat of zelfs aanmoedigt dat zulke niet-juridische krachtsverhoudingen doorslaggevend zijn, doordat mensen afzien van hun rechten.

Uw idee dat niet allereerst de rechter, maar het bestuur het publieke belang in de gaten moet houden, illustreert waar u mijns inziens dwaalt. Mijns inziens moeten zowel de rechter als het bestuur het publieke belang in de gaten houden, ieder vanuit hun eigen rol. Vaak komen bestuursrechtszaken mede of geheel voort uit de omstandigheid dat het bestuur het publieke belang onvoldoende in de gaten houdt. Veel bestuurders gedragen zich alsof ze menen het publieke belang zelf te kunnen definiëren, zolang ze niet worden teruggefloten door politieke machtsfactoren of een rechter.

Rechtszekerheid voor burgers IS een publiek belang. Tijdige en serieuze inspraak- en overlegmogelijkheden voor burgers ZIJN een publiek belang. Beide belangen worden maar al te vaak door het bestuur met voeten getreden. U vraagt zich retorisch af “waarom dat zou moeten” (nodig zou zijn). U en ik weten allebei dat het niet zou moeten. Ik constateer alleen dat het frequent gebeurt. En dan is de rechter de enige die een niet werkelijk aanspreekbaar bestuur nog kan stoppen of tot redelijk overleg kan dwingen.

“Dr. Strangelove” vind ik een sterke, beklemmende film, die uitstekend illustreert waarom schadelijke bestuurlijke processen vaak zo moeilijk te stoppen zijn. De film zou heel anders aflopen als er in de plot niet aan Dr. Strangelove c.s., maar aan een internationaal gerechtshof voor mensenrechten een beslissende rol was toegekend. Maar ja, dat zou wel funest zijn geweest voor de bioscoop-recette. Ziet u het voor u, Dr. Strangelove die zijn nek uitsteekt voor de rechtspraak – vanuit een vreemde, bizarre passie voor rechtvaardigheid?

lyngbakken

@ 25. Michiel Jonker
Wij dreigen langs elkaar heen te praten. Vanuit technisch-juridisch oogpunt kan ik uw redenering prima volgen. De door u bepleite juridische weg is in het verleden ook bewandeld. De bestuursrechter als bewaker van het algemeen belang mondde uit in een rechter die het handelen van het bestuur juridisch controleerde in alle opzichten, zelfs in die waarvan de burger geen probleem maakte. Hij deed dat ook op een zeer gedegen manier, door alles te onderzoeken en te controleren wat er maar te controleren was.
We kenden daarbinnen ook bestuursrechters die extra hun best deden om in het belang van de zwakke burger via gedegen feitelijk en juridisch onderzoek het overheidshandelen te controleren: de voormalige Raden van Beroep. Dat was zelfs hun handelsmerk.

Juridisch is die weg dus zeker uitvoerbaar. Ik denk alleen dat zij maatschappelijk ongewenst is.
De net genoemde bestuursrechters dachten dat hun werkwijze ook gewaardeerd werd door de (zwakke) burgers. Toen er in de jaren 70 onderzoek gedaan werd, bleek echter dat de betrokken burgers die handelwijze helemaal niet konden waarderen. Er zijn zelfs vele voorbeelden van burgers die hun zaak wonnen op juridische gronden, maar zich desondanks niet gehoord voelden. Zij begrepen niet waarom ze hadden gewonnen.
Dat was schrikken voor de juridische professionals, maar het zette hen gelukkig ook aan het denken. Dat kon ook goed, want eigenlijk was die uitkomst op de keper beschouwd niet zo verrassend. Burgers zijn sedert de jaren zestig van de vorige eeuw immers veel mondiger geworden en willen ook serieus genomen worden.
Dat heeft tot veel veranderingen geleid in rechtspraak (meer letten op wat de burger juridische gezien wil) en in wetgeving (de Awb met bij de rechtsbescherming de mondige burger zelfs als uitgangspunt). Maar burgers zijn vaak nog steeds niet tevreden, en laten dat in tegenstelling tot vroeger ook spontaan merken.
Ik denk niet dat het dan een oplossing is om terug te grijpen naar de hiervoor kort geschetste juridische methodes en uitgangspunten van vroeger. Burgers leggen het juridisch af tegen ambtenaren en juristen.
Maar een dergelijk teruggrijpen beluister ik wel bij u (alhoewel u dat wellicht niet bedoelt te doen). Ik denk dat het verleden juristen juist tot enige bescheidenheid zou moeten brengen op het punt van hun mogelijke bijdragen tot rechtvaardigheid, en tot een streven om zo goed mogelijk te luisteren naar wat de burger nu precies verlangt voordat met oplossingen wordt gekomen. Het recht is een instrument, geen doel op zich.
Dat juristen niet bescheiden genoeg zijn en niet goed luisteren, blijkt mij ook uit de kritiek van velen dat ambtenaren (en juristen) wel altijd goed weten wat er niet kan, maar niet wat er wel kan. Meedenken door ambtenaren (en juristen) wordt gemist. De nationale ombudsman heeft daar al vele malen op gewezen. Terzijde: uit deze ervaringen kun je zelfs concluderen dat ook de Awb lijdt aan het koning Midaseffect dat ik op onze andere discussietopic noemde.
Mede vanwege de kritiek van de nationale ombudsman komt er ook binnen het bestuur een verandering op gang. Steeds bestuursorganen zijn bezig met de aanpassing van de praktische uitvoering om te bereiken dat burgers meer serieus worden genomen en er meer wordt meegedacht.
De nieuwe manier van werken bij de rechtbanken lijkt mij in ieder geval een poging om ook bij rechtbanken te komen tot een verandering in die richting. Of dat uiteindelijk voldoende verbetering brengt is afwachten. Maar de geschiedenis leert volgens mij wel dat teruggrijpen naar juridische oplossingen in ieder geval nog minder baat zal brengen.
Ten slotte: het algemeen belang. In het verleden behartigden rechters dat zoals ik al schreef. Zij deden dat door wets- en regeltoepassing. Ik heb gezegd waarom ik denk dat we daar niet naar terug kunnen.
Andere middelen hadden en hebben de rechters niet als het gaat om het bepalen van het algemeen belang. Rechters zijn ook praktisch gezien niet geëquipeerd om zelf los van de wet te bepalen wat het algemeen belang is. Daar hebben we de wetgevende en de uitvoerende macht voor.
Het is daarom dat ik schrijf dat bij de bestuursrechter niet de rechter, maar het bestuur de aangewezene is om het algemeen belang te behartigen. En natuurlijk kunnen burgers daar ook een beroep op doen. De rechter kan vervolgens indien nodig wel controleren of het bestuur correct is omgegaan met het algemeen belang, maar zal daarbij altijd enige afstand moeten houden om geen onderdeel te worden van de politiek. Dat is overigens niks nieuws (maar een onderdeel van de bestaande marginale toetsing dat ik graag zou behouden). Het is ook aan niet juristen eenvoudig uit te leggen waarom dat zo is. Rechters zijn immers niet democratisch gelegitimeerd of gecontroleerd. Dat heeft met juridische trucs niets van doen.
Op het andere topic waar wij van gedachten wisselen, en heb ik overigens gezien dat ook u een beduchtheid heeft voor het komen van de rechter in politiek vaarwater. Daarover verschillen wij lijkt mij dus niet echt van mening.

Michiel Jonker

@ 26. Lyngbakken

U geeft een vreemde redenering waarom gedegen rechtspraak op grond van de wet niet meer van deze tijd zou zijn. Enerzijds schrijft u dat veel rechtzoekende burgers sinds de jaren 70 niet begrepen waarom de rechters hun werk destijds zo goed deden, en dat deze burgers om die reden ontevreden waren. Vervolgens zegt u dat de rechters hieruit begrepen dat burgers “mondiger” waren geworden en “serieus genomen wilden worden”. En nog even verderop stelt u heel algemeen: “Burgers leggen het juridisch af tegen ambtenaren en juristen.”

Op mij komt uw denkwijze over als fatalisme over de domheid van burgers die (1) niet begrijpen wat goed voor hen is en (2) in rechtszaken ondanks hun grote mond niet opgewassen zijn tegen de gehaaidheid van ambtenaren – waaruit u vervolgens concludeert dat we de beginselen van gedegen rechtspraak maar los moeten laten.

Vervolgens gaat u nog een stapje verder, en vindt u dat bestuursrechters zich niet langer tot doel moeten stellen het algemeen belang te dienen, maar dit aan het bestuur moeten overlaten. In feite stelt u dus een soort implosie van het bestuursrecht voor.

Mijn positie is in de kern eenvoudig: rechters moeten niet op de stoel van de bestuurder gaan zitten, en ook niet op de stoel van mediator. Ze moeten gewoon doen waarvoor ze aangesteld zijn: rechtspreken op grond van de wet. Maar dat moeten ze dan wel goed doen. Het is aan rechters om de wet te vertalen in concrete rechtsoordelen, en om deze rechtsoordelen zodanig te motiveren dat burgers begrijpen op welke beginselen die oordelen zijn gebaseerd, en waarom die beginselen in het concrete geval van toepassing zijn en ook reëel zijn.

Het is mijns inziens prima als rechters ruimte bieden voor mediatie. Maar mediatie (bemiddeling) moet niet hun taak worden. Daarvoor hebben we mediators. Rechters moeten, juist uit respect voor (de mondigheid van) burgers, zonder omhaal tegemoetkomen aan de wens van burgers dat er recht wordt gedaan. Daarvoor worden rechters namelijk betaald.

Wat betreft “marginale toetsing”, die dient in de praktijk nu vaak als een alibi om dingen helemaal niet meer te toetsen. Vaak toetsen rechters bijvoorbeeld niet of het bestuur in de bezwaarfase überhaupt een heroverweging van zijn besluit heeft gemaakt – zoals dat in de Awb is bedoeld. Wat mij betreft zou de doctrine van marginale toetsing onmiddellijk overboord mogen. Rechters zijn er om te toetsen op basis van de wet. De wet geeft al aan wat rechters wel en niet moeten toetsen. Er hoeft op die toetsing niet met een extra doctrine nog eens beknibbeld te worden, uit angst voor de lange tenen van bestuurders.

Als bestuurders vinden dat rechters op de stoel van bestuurders gaan zitten wanneer ze toetsen op basis van de wet, dan hebben die bestuurders niet begrepen wat de taak van een rechter is: het oordelen op grond van de wet.

De reden dat veel burgers ontevreden zijn met bestuursrechters, is vooral dat bestuursrechters NU onvoldoende rechtsbescherming bieden – in een tijd dat veel bestuurders zich steeds minder aan de wet gelegen laten liggen, omdat ze verwachten de wet linksom of rechtsom met een slimmigheidje wel te kunnen passeren. Bestuursrechters, en dan met name ook de deels politiek benoemde Raad van State, laten dit gebeuren. Ons kent ons in Den Haag.

Een goede rechtsbescherming houdt ook in dat rechters de wet op een eenvoudige manier uitleggen, en hem niet door allerlei kronkelredeneringen onbereikbaar en onvatbaar maken voor burgers.

Michiel Jonker

@ 28. Henk, Fatima & Kids

Wie wordt hier geciteerd? Graag bronvermelding. (“Alle regels opzij zetten” wordt door Jensma in bovenstaand blog genoemd, maar de rest van het citaat kan ik niet thuisbrengen. Barendrecht zelf kan het ook niet zijn, want die wordt erin genoemd.)

Moet ik uit reactie no. 28 begrijpen dat Henk, Fatima & Kids het een goed idee vinden als door rechters “alle regels opzij worden gezet”???

Wat denken Henk, Fatima & Kids dat het effect daarvan zou zijn, niet alleen in individuele zaken, maar ook in de maatschappij?

En wat vindt Ingrid er eigenlijk van? Die moet als ex toch ook mogen meedenken over de opvoeding en de toekomst van de kinderen?

Michiel Jonker

@ 28. “Henk, Fatima & Kids” (vervolg)

Aha, nu heb ik het gezien: ‘t is een citaat van het gelijknamige artikel op Publiekrecht & politiek (zie linkje in de marge van dit blog). Maar wat mij niet duidelijk wordt uit dat artikel, is welke regels de rechter daar nu eigenlijk opzij heeft gezet.

“Henk” blijkt (in de besproken casus) een hoerenloper te zijn die geen verantwoordelijkheid neemt voor de situatie waarin “Fatima” (slachtoffer van mensenhandel, in de prostitutie gedwongen en nu illegaal met kind in Nederland) mede door zijn toedoen terecht is gekomen. Een activistische rechter bepaalt dat de gemeente waar dit zich afspeelt, een beetje fatsoenlijk met Fatima moet omgaan.

Het artikel gaat dus om verantwoordelijkheid nemen: Henk die het neit doet, een rechter die het wel doet.

De rechter lijkt daarbij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in het achterhoofd te hebben. Dat verdrag gaat boven nationale wetten. Dus ik zie niet welke regel deze rechter gebroken zou hebben.

lyngbakken

Beste Michiel, ik ben verre van fatalistisch. Het gaat mij om het voortdurend kritisch bekijken van de zaken waarin de rechtsstaat goed en niet goed functioneert, en ik vind dat er veel valt te verbeteren.
Het recht dient volgens mij ook steeds mee te gaan met de tijd en belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen. Dat gaat niet via een rechte lijn, maar met horten en stoten, uitmondend in de mondige burger als uitgangspunt voor de rechter. Het recht is nu eenmaal een levend systeem dat zich niet mooi schematisch ontwikkelt. Overigens: in de memorie van toelichting op (met name hoofdstuk 8 van de Awb, dat helemaal gaat over beroep bij de rechter) vind je ook een veel uitvoeriger schets van de historische ontwikkelingen van de taak van de bestuursrechter, langs de lijnen die ik heel kort heb geschetst, uitkomend bij het uitgangspunt voor de wetgever van de mondige burger bij de rechter.

Ik schreef dat ik graag een onderdeel van de marginale toetsing wil behouden vanwege het gebrek aan democratische legitimatie van de rechter.
Met jou vond en vind ik dat dat gebrek geen probleem is als de wet inhoudelijke normen stelt voor het bestuur of de burger. Daar ís geen marginale toetsing door de rechter, en die wil ik ook niet invoeren.
Maar veel moderne wetten bevatten weinig inhoudelijke normen, maar geven specifiek het bestuur (en niet de rechter) uitdrukkelijk de vrijheid om de afweging tussen algemeen belang en individueel belang te maken, al dan niet aan de hand van door het bestuur zelf in vrijheid opgesteld beleid. Bij deze ¨proceswetten¨ gaat het om zo veel wetten dat het naar mijn inschatting in misschien wel de helft van de zaken bij de bestuursrechter speelt (naar ik vermoed bijv. ook in jouw motorcrossvoorbeeld). Gebondenheid aan de wet betekent dan volgens mij dat de rechter deze keuze respecteert, en dat de rechter enige afstand houdt tot het bestuursoordeel. Het gaat dan niet om een doctrine die de rechters zelf hebben bedacht, maar om een algemene lijn in veel wetten (en dat wordt bij die doctrine in de literatuur ook altijd uitdrukkelijk genoemd). Die marginale toetsing wil ik behouden.

Michiel, mij is nog steeds niet duidelijk wat jij nu echt vindt in het spanningsveld tussen wet en rechter. Beide uitgangspunten onderschrijven wij, en vinden wij belangrijk. Ik heb echter het gevoel dat elke keer als ik het belang van rechtsbescherming benadruk of uitwerk, jij de wet benadrukt en uitwerkt, en vice versa. Zo komen we niet verder, en een afronding lijkt mij dan aangewezen, zoals ik al eerder schreef. Omdat ik geen fatalist ben, probeer ik het nog een keer.

Een keuze tussen beide uitgangspunten is in zijn algemeenheid volgens mij niet te maken. Daarom bijvoorbeeld spreekt mij de aanpak van de rechtbank van geval tot geval juist aan.
Ook wij moeten volgens mij om verder te komen van geval tot geval kijken. Jij kwam met je fictieve motorcrossvoorbeeld. Je schrijft daar zelf dat het laat zien dat de mogelijkheden om de overheid zijn gang te laten gaan ten koste van de burger, eindeloos zijn – regels of geen regels. Jij schrijft dan echter ook dat het echte probleem niet de regels is, maar de houding van overheid en rechters.

Ik had in reactie kunnen zeggen: Michiel je bent tegenstrijdig, zijn het nu de regels of de houding van overheid en rechters? Dat heb ik niet gedaan, omdat voelde als vangen op woorden en ik constructief mee probeer mee te denken met je.

Ik had ook simpel kunnen zeggen: Michiel, zo zijn de regels, en het echte probleem zit dus daar, en nergens anders. Met de houding van de overheid en de rechter heeft het niks te maken. Als ik eerlijk ben, zie ik in het voorbeeld ook alleen maar concrete punten die volgens de regels gedaan zijn (met mogelijk een uitzondering, maar daar gaat het nu niet om). Maar ook dat vond ik gemakkelijk. Ik meende wel aan te voelen dat het je ging om de houding. Ik zou dan dus niet ingaan op je echte punt.

Ik heb daarom een derde keuze gemaakt, en heb gereageerd op dat houdingspunt met een uitgewerkte concrete aanpak in jouw casus die rechters dan zouden kunnen volgen om het probleem om te lossen. Maar dan kom jij daarna met het argument dat de gemeente beslissingsmacht heeft. Dat is ook zo, dat ligt zelfs in de wet vast. Dan zijn we er toch als je vindt dat de rechter moet rechtspreken volgens de wet, en dan is jouw casus toch helemaal geen probleem voor je? Ik voel me dan in mijn hemd gezet door je casus wel serieus te nemen.

En niet alleen dat speelt voor mij; ik denk ook stank voor dank. Je komt namelijk alleen met kritiek op de door mij geschetste mogelijkheden in jouw eigen voorbeeld, zonder zelf met concrete alternatieven te komen of zelf te kiezen en uit te werken. Jij blijft aan de zijlijn. Hoe moet de rechter het probleem volgens jou dan wèl oplossen met inachtneming van de wet waarin de beslissingsmacht van de gemeente uitdrukkelijk vastligt?

Nog één laatste voorbeeld van mijn kant.
De wet laat op steeds meer vlakken uitdrukkelijk alleen bepaalde soorten bewijs als bewijs toe, met bijv. als achterliggende reden dat dan alles geautomatiseerd verwerkt kan worden door koppeling van bepaalde gegevensbestanden. Denk bijvoorbeeld aan wonen is alleen wonen als je bent ingeschreven in het GBA (en je dus in de computer te traceren bent). Steeds meer wetten hebben dit systeem, en ze leveren per jaar miljoenen overheidsbeslissingen op die aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De gedachte daarachter is: we hebben dan weinig ambtenaren nodig om de wet uit te voeren.
Wat als nou in een zaak bij de rechter uit stapels bewijs overtuigend blijkt dat iemand wel degelijk op een adres woonde terwijl hij er niet was ingeschreven, en ook de kosten maakte waar de wet een vergoeding voor bedoelt te geven (maar tevens dus de eis van GBA-inschrijving stelt)? Vind jij dan dat de rechter van de werkelijke feiten moet uitgaan (om rechtsbescherming te bieden), of alleen van het in de wet toegelaten formele bewijs (zodat hij zich houdt aan de wet)? Speelt mogelijke precedentwerking voor het bestuur naar de miljoenen andere beslissingen daarbij nog een rol (en de kosten van alle extra ambtenaren daarbij) of niet?
En als de beslissing voor betrokkene gunstig moet zijn volgens jou, hoe verhoudt zich dat dan tot jouw stelling dat de rechter gewoon moet rechtspreken volgens de wet?
En als de beslissing ongunstig is omdat de wet volgens de rechter ondubbelzinnig en uitdrukkelijk duidelijk is, is dit dan een zaak waar hij niet eens hoeft te praten met betrokkene? Welke houding dient de aan de wet gebonden rechter hier volgens jou aan te nemen?

Michiel Jonker

@ 31. Lyngbakken

Misschien was mijn toon wat scherp. Het was niet mijn bedoeling “stank voor dank” te geven. Ik ben het helemaal met u eens dat het recht een levend systeem is dat zich ontwikkelt. De vraag waar deze discussie mijns inziens om draait, is echter: in welke richting zou het (zeer levende!) recht zich nu moeten ontwikkelen?

Wat betreft marginale toetsing in het geval van “proceswetten”, denk ik het volgende: aan elke “proceswet” liggen, als het goed is, in uiterste instantie inhoudelijke (materiële) doelstellingen ten grondslag. Die kunnen van heel algemene, abstracte aard zijn, maar dat maakt ze uiteindelijk nog niet minder materieel. Een proceswet die er alleen voor het proces zelf is (of als zodanig wordt opgevat), lijkt op een personenauto zonder plek voor inzittenden, die alleen bedoeld is voor “het rijden” – m.a.w: speelgoed voor juristen. Daarvoor zijn wetten echter niet bedoeld – tenzij de wetgever dat expliciet als doel stelt. Bij mijn weten is dat nog nooit voorgekomen.

Neem bijvoorbeeld wetgeving m.b.t. de bezwaarprocedure, en dan met name de eis dat het bestuursorgaan een bestreden besluit in de bezwaarfase “heroverweegt” (art. 7:11 Awb). Dit lijkt in eerste instantie geheel “procesgericht”. Maar uiteindelijk gaat het erom het bestuursorgaan in staat te stellen een materieel beter besluit te nemen als het bezwaar daartoe aanleiding geeft. Mede om die reden moet de heroverweging opgevat worden als een “integrale” heroverweging, waarbij het bestuursorgaan zowel de doelmatigheid als de rechtmatigheid van het bestreden besluit toetst, alvorens een besluit op bezwaar (BOB) te nemen. In de praktijk wordt de doelmatigheid van bestreden besluiten door bestuursorganen vaak niet, en al helemaal niet serieus getoetst. Bestuursorganen vatten de bezwaarprocedure meestal op als een obstakel op weg naar het finaliseren van een reeds genomen besluit, en niet als een mogelijkheid om over de doelmatigheid daarvan nog eens te reflecteren.

Wat zou een rechter nu moeten doen als er tegen een besluit op bezwaar (BOB) vervolgens beroep wordt ingediend? Dan zou een rechter moeten checken of er uit de motivering van dat BOB blijkt dat er daadwerkelijk een heroverweging van de doelmatigheid heeft plaatsgevonden, waarbij de argumenten van bezwaarde betrokken zijn. In de casussen die ik in de loop der jaren heb gezien, valt op dat rechters simpelweg niet toetsen of de doelmatigheid is heroverwogen. Soms beroepen ze zich daarbij op het beginsel van “marginale toetsing”, soms hullen ze zich in stilzwijgen. En zelfs bezwarencommissies zeggen vaak aan het begin van een zitting al, ter “verduidelijking”, dat ze de “inhoud” van het besluit niet gaan toetsen. Ze stellen zich eveneens op als een “marginaal-marginaal-toetsende” rechter. Er wordt dan dus niet op doelmatigheid getoetst.

Juist omdat ik op het levende recht ben gericht, vind ik dat het beginsel van “marginale toetsing”, omdat het in de praktijk wordt aangegrepen om het ontbreken van toetsing te rechtvaardigen, overboord moet worden gezet. Een rechter zou in elke concrete casus moeten kunnen onderbouwen waarom hij bepaalde zaken niet toetst. De mantra “marginale toetsing” voldoet daarvoor niet.

Daarnaast kun je je ook afvragen of “moderne” wetten die eigenlijk beogen het bestuur een oneindig uitgebreide discretionaire bevoegdheid te geven, de toets van (bijv.) het EVRM kunnen doorstaan. Hoe verhouden dat soort wetten zich tot het vereiste dat regels “kenbaar” zijn?

Stel even, om het extreem helder te maken, dat ons democratisch gekozen parlement instemt met een wet die bepaalt dat voortaan de minister van Justitie bevoegd is om ambtshalve te besluiten dat iemand de doodstraf krijgt in geval van “vergrijpen waarbij het nationaal belang, daarbij inbegrepen de openbare orde, in het geding komt” (dit wordt dan in de volksmond “het Gaddafi-wetje” genoemd). Stel dat een demonstrant, of een Damschreeuwer, die door dit besluit getroffen wordt, in bezwaar gaat en in arren moede argumenteert dat het besluit weliswaar wettig, maar niet doelmatig is, omdat het juist tot nieuwe demonstraties (resp. geschreeuw op de Dam) gaat leiden. Moet de rechter dan, vanuit het oogpunt van “marginale toetsing”, voorbijgaan aan dit argument, omdat hij niet op de stoel van de bestuurder wil gaan zitten?

Misschien vindt u dit een absurd denkvoorbeeld. Maar veel van wat nu in Nederland “normaal” of althans “gewoon” gevonden wordt, vonden we tien, vijftien jaar geleden nog absurd. De echte Damschreeuwer is bijvoorbeeld (strafrechtelijk) veroordeeld tot een substantiële gevangenisstraf. Vermoedelijk mede omdat H.M. de Koningin in de buurt was van zijn schreeuw – ook al wordt dat in de motivering van de rechter niet genoemd.

U suggereert dat ik tegenstrijdige uitlatingen doe: “Zijn het nu de regels of de houding van overheid en rechters?” In zijn algemeenheid denk ik: allebei. Dat maakt het juist tot zo’n gevaarlijke ontwikkeling.

Voor wat betreft de regels, zit het probleem mijns inziens niet primair in de materiële regels, maar vooral in allerlei regels die de rechtszekerheid uithollen, waaronder “procesregels” en een heleboel ongeschreven regels die door rechters flexibel worden toegepast, vaak in het nadeel van burgers in hun relatie tot de overheid.

Het gaat me om het herstellen van een directe, voor iedereen begrijpelijke verbinding tussen enerzijds materiële wetgeving en materieel recht, en anderzijds de burgers (als subject van de staat en als private rechtzoekenden). Alleen aan het herstel van zo’n verbinding kunnen burgers voldoende rechtszekerheid ontlenen.

Het probleem is tweeledig: (1) Wetten worden zodanig opgesteld dat ze aan burgers onvoldoende rechtszekerheid bieden; (2) rechters zouden dit kunnen herstellen middels jurisprudentie, maar doen dit onvoldoende, en hollen de rechtszekerheid in sommige gevallen zelfs verder uit.

Ik ben blij met het door u aangevoerde voorbeeld over GBA-registratie als criterium of iemand hier “woont”. Een kennis van mij heeft hiermee te maken gehad. Dat ging om de betaling van een ziektekostenverzekering. Betrokkene had drie maanden als toerist in dit land verbleven om werk te zoeken, en zich daarom ingeschreven bij het CWI (of hoe dit tegenwoordig ook heet). Daarvoor was registratie bij het GBA vereist. Zij schreef zich in op het adres van een Nederlandse vriend, en keerde daarna kort terug naar het buitenland. Toen zij vervolgens naar Nederland verhuisde en een ziektekostenverzekering afsloot, ging de verzekeraar er zonder overleg toe over met terugwerkende kracht premie te innen over die drie toeristenmaanden – terwijl betrokkene toen nog in het buitenland voor ziektekosten verzekerd was. Betrokkene protesteerde. Verzekeraar beriep zich op regelgeving. Betrokkene heeft uiteindelijk, nogal ironisch, moeten aantonen voorafgaand aan haar verhuizing “nog niet in Nederland te hebben gewoond”. Tot een rechtszaak kwam het niet.

Er is in dit geval sprake van regelgeving die manifest onredelijk is. Een GBA-registratie wordt in de plaats gesteld van “wonen”, zonder dat men er bij stilstaat dat er naast die papieren wereld nog een echte wereld bestaat waarin mensen fysiek ergens wonen – of niet.

In deze casus lijkt het me duidelijk dat rechtsbescherming de hoogste prioriteit verdiend. Echter, ik zie hier geen tegenstelling met rechtspraak op basis van wet- en regelgeving. Ik geloof niet dat de wet- of regelgever in dit geval bedoeld heeft dat iemand een dubbele verzekeringspremie moet betalen.

Mijn nadruk op de materiële doelen van de wet maakt dat een heleboel schijnbare dilemma’s geen dilemma’s meer hoeven te zijn.

Vind u dit een aardige uitwerking van mijn kant (en dus geen “stank voor dank”?). Ik ben graag bereid nog meer casussen te bekijken en te bespreken.

lyngbakken

Beste Michiel,
Dank je wel voor je reactie. Het ging mij niet om de scherpte. Die scherpte waardeer ik juist, dat dwingt mij ook tot nadenken. Mij gaat het erom dat je volgens mij niet concreet wordt na je tamelijk abstracte keuzes, terwijl volgens mij in het concrete zichtbaar wordt dat die keuzes gecompliceerd zijn in meerdere opzichten.

Je schrijft over abstracte materiële doelstellingen van ¨proceswetten¨. Die zijn er inderdaad. Punt is echter dat vaak sprake is van doelstellingen die in algemene zin haaks op elkaar staan. Ze leveren dus juist heel veel dilemma´s op, dilemma´s die de wetgever in algemene zin juist niet kan (en toegegeven, soms om bijv. politieke redenen ook niet wil) oplossen. Ik denk dat je veel te optimistisch bent als je denkt dat een rechter dat wel kan.
Een bekend koppel strijdige doelstellingen bij de wetgever is: het moet wel rechtvaardig, maar het mag niet veel geld kosten. Via een proceswet wordt (als dan niet in combinatie met een begrotingswet of het voor eigen rekening laten van het betreffende bestuursorgaan, dat dan wel zuinig moet zijn) over het algemeen de laatste doelstelling vaak voldoende dichtgetimmerd, maar de eerste niet.
Wat moet een rechter met een dergelijke Januskop? Heel algemeen zal een keuze voor rechtvaardigheid als ¨links¨ worden gezien, en een keuze voor de meest concreet uitgewerkte doelstelling van de wetgever (het mag niet te veel kosten) als ¨rechts¨. De rechter wordt dan gedwongen in politiek vaarwater, en dat is link.
Niet voor niets wordt dan de keuze overgelaten aan het bestuur. Dat is juist vanwege de materie. Het bestuur hoort juist thuis in dat vaarwater, en kan dan ook het beste (zoals de wet al zegt) de keuzes maken, bij de afwegingen (die niet juridisch, maar politiek zijn) op enige afstand te controleren door de rechter.

Je schrijft dat een proceswet die er alleen voor het proces zelf is (of als zodanig wordt opgevat), lijkt op een personenauto zonder plek voor inzittenden, die alleen bedoeld is voor “het rijden” – m.a.w: speelgoed voor juristen. Uit het vorenstaande blijkt al dat ik die wetten zo niet zie. Los daarvan zie ik met jou dit speeltjesgevaar.

Je schrijft over de bezwarenprocedure, en die kun je wat mij betreft zien als een voorbeeld daarvan. Van een volledige heroverweging komt het niet, alleen van een juridische toets. Je oplossing daarvoor deel ik echter niet.
Dit probleem is al vele malen vastgesteld in onderzoeken. Uit die onderzoeken komt naar voren dat besturen daartoe zijn gekomen als reactie op de juridische beoordeling door -vooral- de Arobrechter, die veel besluiten vernietigde. Die rechter vond een volledige heroverweging in bezwaar, net als jij, wezenlijk, en vernietigde als dat niet was gebeurd wegens strijd met het motiveringsbeginsel.
Bracht dat het bestuur alsnog tot een volledige heroverweging? Eerst wel, maar gaandeweg niet meer. Het bestuur probeerde als reactie daarop de besluiten ¨Arob- of juristenproof¨ te maken en zette er daarom in bezwaar onafhankelijke juristen op.
Wat mij betreft weer een voorbeeld van het koning Midaseffect: juristen pogen waarborgen en bescherming te bieden aan de burger maar bereiken uiteindelijk het tegenovergestelde.

Het is voor mij een illusie om te denken dat een herhaling van een dergelijke aanpak (met misschien hier of daar een aanpassing) nu wel zou werken. Van ervaringen moeten we leren. Maar ik ben geen fatalist ):, en ben blij dat zowel bestuursorganen als rechtbanken pogingen doen om te komen tot verbetering van de procedures op een nieuwe manier.
Michiel: ik heb het Midaseffect al in meerdere vormen aan de orde gesteld, maar zie zie daar naar geen reactie op, terwijl je voor mij wel blijft vasthouden aan je juridische (of papieren) spoor. Dat mag natuurlijk van mij, maar dan draaien we wel in juridische kringetjes rond.
Ik heb wel één toevoeging op je ¨speeltjes¨punt: dat gevaar werkt niet alleen de aandacht voor het proces en de proceswetten, maar is er óók in het voorbeeld van een rechter die materiële doelstellingen in het algemeen doorslaggevend maakt bij proceswetten. Daar ¨kaapt¨ de rechter de ruimte van de politiek, die niet voor niets een proceswet als middel heeft gekozen. Hij maakt een politiek issue tot speeltje van juristen; iets anders, maar wat mij betreft evenzeer mis.

Dat is dus lastig laveren voor de rechter. In dergelijk vaarwater kan ik nog weinig anders bedenken dan een wat afstandelijke beoordeling, waarin de rechter er vooral op let dat het naar beide kanten niet te gek wordt. Zo dient hij erop te letten dat een bestuur niet alleen aandacht heeft voor het proces, zonder oog voor de inhoudelijke doelstellingen van de wet. Grens aan de andere kant voor de rechter is het geval waarin de materiële doelstellingen van de wet verschillende keuzes mogelijk maken, waarbinnen de gemaakte keuze valt, maar ook een andere denkbaar is.

Je vraagt nog hoe het Hof in Straatsburg kijkt naar marginale toetsing. In meerdere arresten heeft het Hof een dergelijke nationaalrechtelijke toetsing onder de maatstaf van artikel 6 voldoende bevonden. Dat behoeft overigens ook geen verbazing te wekken, gelet op de margin of appreciation doctrine (je zou kunnen zeggen dat dat de eigen marginale toetsing van het Hof is).
Ik zie anders dan jij geen probleem met het kenbaarheidsvereiste. Dat probleem ontstaat wel als je materiële doelstellingen rechtstreeks koppelt aan afdwingbare rechten. Daartussen zit echter een groot verschil, dat jij volgens mij niet of nauwelijks maakt. Dat verschil doet zich ook voor binnen het kerngebied van de mensenrechten. Die worden immers verdeeld in twee hoofdtypen: sociale en klassieke. Algemeen is aanvaard dat de sociale mensenrechten niet direct afdwingbaar zijn bij de rechter, dat in tegenstelling tot klassieke. Als je ervan uitgaat dat een sociaal grondrecht wel direct afdwingbaar is (en je het recht dus anders leest dan het is bedoeld), heb je het door jou geschetste kenbaarheidsprobleem. Ik zou dan zeggen: anders gaan lezen.

Ik begrijp niet wat je wilt met je Damschreeuwersvoorbeeld. Daar zitten zoveel punten in die problematisch zijn, om te beginnen met de doodstraf zelf. Ik zou al vinden dat de rechter alleen al omdat het om de doodstraf gaat, een streep zou moeten trekken en nee zeggen. Dan zou ik ook nog kunnen zeggen: dit soort zware sancties mag de uitvoerende macht niet opleggen op grond van artikel 6 EVRM (biedt alleen ruimte voor boetes). Ik proef ook het argument van symptoombestrijding (het roept juist nieuwe protesten op). Maar dat doet mij eerlijk gezegd in deze casus helemaal niets. Ik denk dan: daar gaat het toch helemaal niet om?

Eerlijk gezegd vind ik het jammer dat je in mijn GBA-casus wegduikt. De ondubbelzinnige keuze van de wetgever is helaas geen pure theorie, ook al kun jij je die niet voorstellen zoals je schrijft.
Als ik eerlijk ben denk ik dat als ik rechter was, zou kiezen voor die keuze van de wetgever, maar met praten met betrokkene. Maar die keuze zou niet onbegrensd zijn. Stel dat een dergelijke keuze zeker zou leiden tot de ondergang van betrokkene en zijn kinderen, dan zou het anders kunnen komen te liggen. Dat kun je misschien ook formuleren als een algemene, abstracte norm van de wetgever of in de Nederlandse rechtsorde die je dan toepast. Maar je kunt het ook andere namen geven. Voor mij is in dat soort extreme situaties niet belangrijk hoe het heet, als er maar wel een grens is aan automatische wetstoepassing.

Michiel Jonker

@ 33. Lyngbakken

Geachte Lyngbakken (“Heideheuvel”? Komt u uit het noorden?),

Ik ben steeds bereid mijn ideeën te concretiseren, maar als geïnteresseerde leek heb ik in mijn hoofd niet een complete databank met casuïstiek paraat. Ik probeer dit deels te ondervangen met denkvoorbeelden. En als u een voorbeeld aandraagt (bijv. “GBA-registratie als criterium of iemand ergens woont”), dan ga ik daarop in. Daarom begrijp ik niet waarom u in uw laatste reactie zegt dat ik “niet concreet” word na mijn “abstracte keuzes”.

U noemt me overoptimistisch, maar dan heeft u niet goed gelezen wat ik schreef. Natuurlijk zijn er steeds tal van dilemma’s, ook als je, zoals ik bepleit, de materiële doelstellingen van wetten benadrukt in de rechtspraak. Zonder zulke dilemma’s zou rechtspraak in essentie weinig meer inhouden dan het kiezen van toepasselijke wetteksten. En natuurlijk kunnen noch rechters, noch bestuurders alle dilemma’s “oplossen”. In veel gevallen zullen zij moeten kiezen welke rechten en belangen ze het zwaarste laten wegen – en dus ook aan welke rechten en belangen niet, of niet geheel, tegemoet wordt gekomen.

Maar bij zo’n afweging lijkt het me nog steeds belangrijk om de materiële doelstellingen van wetten centraal te stellen en niet te verdwalen in “proceswetten” die de aandacht afleiden van waar het eigenlijk om gaat.

U noemt vervolgens een dilemma tussen twee doelen: “rechtvaardigheid” en “het mag niet teveel kosten”. U zegt dat dit in wezen een politieke afweging is, die de rechter aan het bestuur moet overlaten. Pardon? Als bestuurders de rechtsstaat stukje bij beetje willen ontmantelen omdat ze die te duur vinden, moet de rechter dan zijn mond houden en daar in zijn uitspraken aan meewerken? Ik begin me ernstig af te vragen of u de rechtsstaat wel een goed hart toedraagt.

Bestuurders zijn over het algemeen niet bang om zich in het grensgebied tussen politiek en recht te begeven. Ze zoeken de grenzen op. De rechterlijke macht is een “counterveiling power”, die haar bestaansrecht ontleent aan het feit dat zij grenzen stelt aan bestuurlijke machtsontplooiing. Rechters, en in het bijzonder bestuursrechters, zullen dus altijd in het vaarwater van bestuurders terechtkomen. Wie daartoe niet bereid is, moet geen (bestuurs-) rechter worden, maar bestuurs-assistent of zo.

U noemt in dit verband opnieuw het Koning Midas-effect: alles wat hij aanraakte veranderde in goud, maar dat maakte hem juist hulpeloos. Daar bespeur ik opnieuw uw fatalisme. Ik denkt dat een andere metafoor meer toepasselijk zou zijn. Laten we die het Jezus-effect noemen: het water dat Jezus aanraakte, veranderde in wijn. Waarom? Omdat hij met zijn liefde en rechtschapenheid de ziel van mensen raakte. Dat is wat rechters ook moeten doen. Door middel van de hoge kwaliteit van hun oordelen en van de onderbouwing daarvan in hun motiveringen, kunnen ze hun oordelen-met-rechtskracht veranderen in LEGITIEME, OVERTUIGENDE oordelen-met-rechtskracht, die door rechtzoekenden kunnen worden begrepen en gerespecteerd.

U schrijft: “Ik zie anders dan jij geen probleem met het kenbaarheidsvereiste.” Dat vind ik een beetje makkelijk. Kunt u nog een keer goed kijken wat ik bedoelde?

U zegt dat het algemeen aanvaard is dat, in tegenstelling tot klassieke mensenrechten, sociale mensenrechten niet direct afdwingbaar zijn bij de rechter. Ik begrijp de relevantie van deze constatering niet, ook niet als hij klopt. Ik heb het steeds gehad over de materiële doelstellingen van wetten. Als(!) er wetten zijn die overheden of bedrijven verplichten bepaalde sociale mensenrechten in concrete situaties op een bepaalde manier te respecteren of vorm te geven, dan zijn die sociale mensenrechten rechtens afdwingbaar. Als dat niet het geval is, dan zijn ze ook niet rechtens afdwingbaar.

Interessanter is de vraag naar de ruimte die rechters hebben, of zouden moeten hebben, om wetten of verdragen naar de geest te interpreteren.

Denkvoorbeeld: stel dat er een internationaal verdrag is waarin wordt bepaald dat de overheid van iedere verdragsstaat verplicht is ervoor te zorgen dat elke werkloze inwoner van dat land een salaris of een uitkering krijgt die voldoende is om niet van honger of kou te sterven (“bestaansminimum”). Stel dat aangesloten land X een maatstaf voor “bestaansminimum” hanteert op een niveau waarbij mensen weliswaar niet van de honger omkomen, maar toch in de loop van een paar jaar ernstig verzwakt raken en een sterk verhoogd risico hebben om te bezwijken aan infectieziektes waarvoor ze de medicijnen niet kunnen betalen. Stel een langdurig werkloze en ernstig zieke inwoner van land X dient hiertegen, bij monde van een pro-deo-advocaat, een klacht in bij het bevoegde internationale gerechtshof, met als argument dat hij zonder geld voor medicijnen binnen een jaar met grote waarschijnlijkheid zal sterven…

Volgens uw redenering moet het internationale gerechtshof in zo’n geval, op basis van het principe van “marginale toetsing”, dan wel “margin of appreciation”, de klacht ongegrond verklaren. De inwoner sterft immers niet van honger of kou, maar als gevolg van een bacteriële infectie. Daaraan ligt een politieke afweging ten grondslag waar de rechter niet in moet treden.

Volgens mijn redenering zou het internationale gerechtshof echter kijken naar het materiële doel van het verdrag, en op grond daarvan een afweging maken (hoe die uit zou vallen, valt alleen te bepalen op grond van een nadere uitwerking van dit specifieke denkvoorbeeld).

Zo’n materiële afweging is absoluut niet hetzelfde als het “kapen van de ruimte van de politiek”, zoals u meent te moeten stellen.

Ik wil toch wel ernstig bezwaar maken dat, als ik netjes inga op uw GBA-casus, u vervolgens gaat roepen dat ik in die casus “wegduik”. Dat is retoriek van laag allooi. Vooral omdat ik ook nog aangaf graag bereid te zijn tot het bespreken van andere casussen. Meneer Lyngbakken, dat kunt u vast beter.

U zegt dat u zou kiezen om iemand een dubbele ziektekosten-verzekeringspremie te laten betalen, tegelijk in Nederland en in het buitenland, puur omdat de Nederlandse wetgever heeft bedacht dat uitsluitend GBA-registratie maatgevend is of iemand hier “woont” – ook al heeft iemand een woning en een inkomen in het buitenland, was de GBA-inschrijving nodig voor een heel ander doel, en verblijft degene hier voor een korte periode. Er lijkt echt iets mis te zijn uw rechtsgevoel. Bent u misschien een bestuurder of een ambtenaar? Die hebben soms last van een verwrongen rechtsgevoel, waarbij ze hun eigen administratieve behoeften maatgevend vinden voor wat rechtvaardig is.

U ziet alleen grenzen voor “automatische wetstoepassing” als er sprake is van “extreme” situaties. Waarom moet het eerst extreem worden voordat de wet zorgvuldig wordt toegepast? En wat is extreem? Pas als een in Nederland opgegroeid meisje met een lief gezichtje en goede VWO-schoolcijfers naar Afghanistan dreigt te worden uitgezet, maar niet als ditzelfde een jongen met een doorsnee-gezicht en matige MBO-cijfers overkomt? U stelt zich op als een ambtenaar uit de wereld van Kafka.

Een andere mogelijkheid is dat u in deze discussie de rol van een advocaat van de duivel probeert te spelen, om mij te stimuleren. Dat lukt u dan goed. Kunt u aangeven in welke branche u werkzaam bent? Rechterlijke macht? Rechtswetenschap? Bestuurder? Juridisch ambtenaar? Advocatuur?

Michiel Jonker

@ 33. Lyngbakken

Nog een enkele aanvulling op mijn voorafgaande bijdrage (no. 34).

U schrijft dat overheden destijds juristen in dienst namen om besluiten “Arob-proof” te maken en daarmee de grondige toetsing door arbo-rechters te doorstaan. Natuurlijk weet ik net als u dat bestuursorganen in bezwaar- en beroepsprocedures vaak de geschiedenis proberen te herschrijven en achteraf een grotendeels fictief besluitvormingsproces construeren.

Maar juist door de nadruk op materiële doelstellingen van wetten te leggen, kunnen rechters allerlei slimmigheden minder relevant maken, en daarmee de juridische en procestechnische informatie-achterstand van burgers op bestuursorganen enigszins compenseren.

lyngbakken

Michiel,

Ik stop ermee. Dit heeft geen zin, en ik heb er bovendien nog 0 zin in.

koos dulfer

Hoe toegankelijk De Rechtspraak = hoe meer civiele zaken er zullen passeren.

Hoewel er een formele scheiding tussen De Rechtspraak en De Advocatuur bestaat is het voor diegenen die daar werkzaam in zijn een gezamenlijk belang dat er zoveel mogelijk geprocedeerd wordt, waarin voorop staat dat hoe rijker de cliënt is, hoe langer ze de zaken rekken. Het gaat al jaren niet meer om het belang van de cliënt, of de letter en geest van het burgerlijk wetboek, maar om het verwerven van inkomsten van rechtsgeleerden ongeacht in welke rol ze acteren.

Voor ons argeloze burgers wordt er een fraai stuk theater opgevoerd in de rechtszaal, maar de werkelijke besluiten worden in de koffiekamer genomen. Ze kennen elkaar allemaal, de rechters, de advocaten, de mediators en de deskundigen. Ze spelen elkaar daar- en in de soos opgewekt de bal toe.
In 2004 kreeg mediation een wettelijke status om de rechtspraak van de toenemende werkdruk te ontlasten. De kosten zijn voor de cliënt daarmee 2 – 3x hoger geworden, maar de groei in het aantal civiele zaken is er niet mee tot staan gekomen.(Bron CBS-gegevens).
Griffierechten verhogen kan behulpzaam zijn, maar ook de lat hoger leggen voor de gesubsidieerde (toegevoegde) advocaat. In mijn geval heeft een advocaat van kwade zaken 10 jaar lang op kosten van de belastingbetaler onze modale echtscheiding weten te rekken. Ook tot genoegen dus van het rechtbankpersoneel dat er brood mee op de plank had.

In Frankrijk hebben ze een tijd lang geen rechters die met pensioen gingen vervangen waarmee er een achterstand van 2,5 jaar in de behandeling van civiele zaken ontstond. Het effect is dat mensen eerder hun eigen problemen oplossen. Bijv: werkgevers-werknemers in conflict met elkaar komen liever nu tot overeenstemming dan af te wachten hoe een rechter zich er over 2,5 jaar uitspreekt. Men kan ook simpel en snel een huwelijk ontbinden als men dat samen graag wil door 2 jaar aantoonbaar gescheiden te hebben geleefd en geen banden met elkaar meer te hebben (lees even lang ieder voor zijn eigen inkomen zorg draagt)
Men gaat samen naar 1 advocaat, die stuurt het naar de kantonrechter en met een hamerslag is men uit elkaar. Men begrijpt dat de advocaat hiermee gauw klaar is en nog geen 10% verdient dan zijn NL-collega. De overgebleven rechters hebben het even druk als voorheen en eten er op een vast salaris geen boterham minder om.

Een overheid die de burgerrechten respecteert kan men veel wijsheid toewensen, want die staat feitelijk voor de keus of ze het advocatenbedrijf via omwegen hartelijk willen blijven stimuleren, of Recht&Orde in de samenleving nastreeft.