Belangrijk: Voor het goed functioneren van nrc.nl maken wij gebruik van cookies (meer informatie).
Hiervoor hebben wij wel eerst je toestemming nodig. Klik op de groene knop als je hiermee akkoord gaat.

De Uitspraak: als een paard een kind trapt is dan de manegehouder of de eigenaar aansprakelijk?

Als je kind in het gezicht getrapt wordt door een paard, wie moet er dan de schade vergoeden? De manegehouder of de eigenaar van het paard? Met commentaar van NJB-medewerker Arvin Kolder, advocaat in Emmen en docent privaatrecht aan de Universiteit Groningen. 

De zaak. Op een manege wordt in de zogeheten ‘kleine bak’ een paard getraind door iemand van het personeel. Aan het einde van de training wordt het paard in de bak afgezadeld. Het dier wordt dan aan de teugel gehouden door een andere werknemer. Als de trainer de bak verlaat met zadel en stijgbeugelriem blijft het hek open. Degene die het paard vasthoudt zegt tegen een tien jarig meisje dat ze wel even mag binnenkomen. Daarop slaat het paard het kind met de achterbenen in het gezicht. De ouders van het kind begroten de schade uiteindelijk op rond een ton.

Wat zijn de juridisch relevante feiten? Het is geen manegepaard, maar een privé paard. De eigenaar sloot met de manege een zogeheten beleringsovereenkomst. De manege moet het paard trainen, africhten en zadelmak maken.

Waar draait het conflict om? De ouders van het gewonde kind vinden dat de eigenaar aansprakelijk is. Zij lezen in boek 6 art 179 van het burgerlijk wetboek dat de eigenaar van een dier aansprakelijk is. De eigenaar vindt echter dat art 181 toepasselijk is. Als het dier ‘wordt gebruikt in de uitoefening van het bedrijf van een ander’ dan is die ander daarmee ook aansprakelijk geworden.

De kwestie draait dus om de vraag of een manegehouder die een privé paard traint ook het risico van de eigenaar overneemt. En of het trainen van een paard onderdeel is van de ‘uitoefening’ van het manegebedrijf.

Waarom staat het zo in de wet? Daarmee wordt degene die schade heeft geleden beschermd. De aansprakelijkheid ligt daar waar de risico’s maatschappelijk ‘herkenbaar’ samenkomen. Een manege is als onderneming makkelijker vindbaar dan de eigenaren achter al die paarden. Een paardenhouderij is bovendien op winst gericht en kan worden geacht zijn bedrijfsrisico’s als één geheel te verzekeren.

Wat zegt de eigenaar van het paard? De manegehouder is verantwoordelijk, niet ik. Die had de volledige zeggenschap over het gebruik van mijn paard en de zorg ervoor. Ook had diens werkneemster de deur open laten staan en het kind toegelaten. Een paard zadelmak maken in opdracht past bij bedrijfsmatig gebruik.

De eigenaar vindt zichzelf wel aansprakelijk als het paard er alleen maar in de stal staat. Zodra de manegehouder een privé paard ook verhuurt aan derden, het traint of er rijles mee geeft, verschuift de aansprakelijkheid naar de manegehouder. Het ‘beleren’ van een paard tegen betaling is daarmee vergelijkbaar.

Wat zeggen de ouders? De training van het paard was vrijwel voltooid. Er was dus geen sprake meer van een bedrijfsmatig gebruik door de manege dat duurzaam is en ‘ten eigen nutte’. Anderen reden er ook niet op. De manege is alleen aansprakelijk als het expliciet die verantwoordelijkheid van de eigenaar heeft overgenomen.

Wat zegt de Hoge Raad? Een ‘beleringsovereenkomst’ is een activiteit die hoort bij de uitoefening van het bedrijf van een manege. De manegehouder is daarom aansprakelijk.

De uitspraak LJ BP1475 in het arrest ‘paard Loretta’ is hier te vinden.

Reageren? Nuanceren en argumenteren verplicht. Volledige naamsvermelding.

Geplaatst in:
Civiel recht
Lees meer over:
schadevergoeding

9 reacties op 'De Uitspraak: als een paard een kind trapt is dan de manegehouder of de eigenaar aansprakelijk?'

NJB medewerker Arvin Kolder, advocaat in Emmen en docent privaatrecht aan de Universiteit Groningen

Binnen het aansprakelijkheidsrecht worden dieren gezien als bronnen van verhoogd gevaar. Dit vanwege ‘het gevaar dat schuilt in de eigen energie van het dier en het onberekenbare element dat in die energie ligt opgesloten’, zoals de Hoge Raad het al in HR 24 februari 1984, NJ 1984, 415 (Bardoel/Swinkels) verwoordde. Daarom kent ons Burgerlijk Wetboek met art. 6:179 BW een specifieke aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door dieren. Het betreft een zogenoemde risicoaansprakelijkheid. Schuld, in de zin van onzorgvuldigheid, gebrek aan waakzaamheid of toezicht met betrekking tot het dier, is niet vereist. Voor aansprakelijkheid is voldoende, dat het dier door zijn ‘eigen energie’ de schade heeft aangericht. Zo mist art. 6:179 BW bijvoorbeeld toepassing indien het schadeveroorzakende dier, door het opvolgen van commando’s of instructies van degene die het dier berijdt of leidt, louter als ‘instrument’ handelt. Zie HR 23 februari 1990, NJ 1990, 365 (Zengerle/Blezer).

In deze zaak bestond geen discussie over de vraag, of sprake was van schade veroorzaakt door de ‘eigen energie’ van paard Loretta. Toen het 10-jarige slachtoffertje het paard in de bak passeerde, trapte dit uit eigen beweging plotseling achteruit, in haar gezicht. Waar de discussie tot aan de Hoge Raad wél over ging, betrof het antwoord op de vraag op wíe de risicoaansprakelijkheid voor de door het dier veroorzaakte letselschade rust. Art. 6:179 BW zelf wijst de bezitter van het dier als aansprakelijke aan. Zodoende lijkt het volkomen logisch dat (de ouders van) het slachtoffer in deze procedure haar pijlen op de bezitter van het dier richtte. Echter, in dit verband is ook de regel uit art. 6:181 BW van belang: wordt een dier in de uitoefening van een bedrijf gebruikt, dan rust de aansprakelijkheid uit art. 6:179 BW op degene die dit bedrijf uitoefent. Art. 6:181 BW introduceert aldus de bedrijfsmatige gebruiker van het dier als aansprakelijke persoon.

In deze zaak vond het ongeval plaats na afloop van een training in een manege, waar het paard door de bezitter tegen betaling ‘ter belering’ (trainen, africhten en zadelmak maken) tijdelijk was ondergebracht. De Hoge Raad, die een ruime uitleg van art. 6:181 BW voorstaat, oordeelt – evenals rechtbank en hof in eerdere instanties – dat het paard ten tijde van het ongeval inderdaad werd gebruikt in de uitoefening van het manegebedrijf. Art. 6:181 BW wordt toepasselijk geacht. In mijn optiek bepaald geen verrassende beslissing.

De vraag die dan rijst, is een cruciale: is ingeval van bedrijfsmatig gebruik nu zowel de bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:181 BW als de bezitter uit art. 6:179 BW aansprakelijk, of is het steeds van tweeën één? De Hoge Raad spreekt hier klare taal: de aansprakelijkheid voor dieren rust steeds op óf de bezitter óf de bedrijfsmatige gebruiker. Cumulatieve aansprakelijkheid van bezitter én gebruiker zou evenwel een slachtoffervriendelijker keuze zijn geweest. Immers, nu moet degene die vergoeding wenst van schade veroorzaakt door een dier telkens kiezen tussen de bezitter óf gebruiker van dat dier, waarbij de gevolgen voor hem zijn als hij verkeerd kiest. Toch is het oordeel van de Hoge Raad in lijn met de bedoeling van de wetgever. Met art. 6:181 BW wordt namelijk enerzijds beoogd slachtoffers van schade door bedrijfsmatige activiteiten een handreiking te bieden; zij kunnen zich ter vergoeding van hun schade steeds tot één gemakkelijk op te sporen persoon – ‘de onderneming’ – wenden. Anderzijds wordt met art. 6:181 BW beoogd dubbele verzekeringslasten te voorkomen; doordat de aansprakelijkheid bij één persoon wordt geconcentreerd, kan zulks als één (bedrijfs)risico worden (door)berekend en verzekerd. Ook speelt hier volgens wetgever en Hoge Raad nog mee, dat bedrijfsmatig verrichte activiteiten in beginsel zijn gericht op het verkrijgen van profijt.

Zodra dus een bedrijfsmatige gebruiker van het dier valt aan te wijzen, is diegene op voet van art. 6:181 BW dé aan te spreken persoon. De bezitter uit art. 6:179 BW blijft dan buiten schot. Dat wordt niet anders indien uiteindelijk ook de bezitter profijt trekt van het dier, zoals in deze zaak het rijgenot van het zadelmak te maken paard. Op de exclusieve werking van art. 6:181 BW ten opzichte van art. 6:179 BW liep na jarenlang procederen de vordering van het slachtoffer stuk. Ter vergoeding van haar schade werd immers enkel de bezitter van paard Loretta aangesproken en niet (ook) het manegebedrijf. Deze zaak leert, zij het voor het slachtoffer op onfortuinlijke wijze, dat het in de praktijk – bij twijfel – verstandig is de pijlen steeds op zowel de bezitter als bedrijfsmatige gebruiker te richten. Door zodoende voor beide ankers te gaan liggen, kan in ieder geval worden voorkomen dat op het verkeerde paard wordt gewed.

Alex Rietveld

…ik hou het op het paard. De opbrengsten van de slager worden gebruikt om het kind een verrasingspakket aan te bieden, met broodje paarderookvlees. Eet smakelijk…

Reinier Bakels

Risico-aansprakelijkheid dient om het slachtoffer iet met zijn schade te laten zitten ook als er geen duidelijke verwijtbaarheid bestaat: alleen het bezit van het paard al wordt als het ware als verwijtbaar gezien. Wie daaraan begint moet voor de kosten opdraaien.

Dat de manegehouder het paard gebruikt “in de uitoefening van zijn bedrijf” vind ik een vreemde conclusie. De manege voerde een opdracht uit, tegen betaling nota bene. Als ik mijn auto naar de garage breng voor een reparatie dan gebruikt die de auto toch ook niet “in de uitoefening van zijn bedrijf”? Het woord “gebruiken” is hier al misplaatst.

Eigenaardig is dat art. 6:179 BW spreekt over de bezitter en niet over de eigenaar. Volgens mij is de manege houder, dus eigenaar noch bezitter.

De manegehouder zou voor een dergelijk risico zijn verzekerd. Dat wil de HR ook nog wel eens meewegen. Maar zou de eigenaar niet ook zijn verzekerd?

Marc Geerts

@3 Reinier Bakels.

Om uw vergelijking af te maken: Als de garage waar u uw auto naartoe heeft gebracht in het kader van de door u aangegeven klachten een testrit maakt en daarbij (hypothetisch) iemand doodrijdt bent u daarvoor aansprakelijk? De garage is hierbij dan wel degelijk de bedrijfsmatige gebruiker.

Het is bovendien niet relevant of de bezitter (die u eigenaar noemt) wel of niet verzekerd is wanneer de rechtbank hem niet aansprakelijk verklaart.

Marc Geerts

Een onthutsende uitkomst voor de ouders van het slachtoffer. Het zou interessant zijn om te weten of deze mensen ook juridisch zijn bijgestaan (en eventueel door wie) voordat de zaak aanhangig werd gemaakt.

A.R. Girbes sr

Een uitstekende uiteenzetting van mr Arvin Kolder. De teneur is dat het uiterst moeilijk is een “schuldige” aan te wijzen.
In dergelijke dramatische gevallen is het ook belangrijk of de eigenaar van het dier de gebruiker heeft gewaarschuwd dat het een “dier is met een eigen karakter”. Op zich is dit kletskoek, ware het niet dat de schade, als consequentie, voortvloeiende uit het gedrag en het gebruik van het dier, dus voor eigen rekening (kan zijn) is. Ik mis dus de waarschuwing naar (aan) de leek. (De waarschuwing van de “ondernemer” aan de gebruiker,of betalende gebruiker. De “aansprakelijkheidsleer” is ingewikkeld en bij een beroep op “risico-aanvaarding” de schade niet altijd kan worden afgewezen) Immers, een kind, of de verantwoordelijke ouder, moet beseffen dat een dier anders reageert dan een mens. Een klein kind weet dat natuurlijk niet. Maar in mijn leven heb ik een ruim aantal keren meegemaakt dat een kind van zes jaar toch een paard met een “afwijkend” gedrag beheerste. Hiermede wil ik aantonen dat de uitleg van mr Arvin Kolder juridisch excellent is onderbouwd, en, dat een ieder moet weten dat iedereen risico loopt met dieren en dat ouders en kinderen, die geen dieren gewend zijn, kwetsbaar zijn en de verantwoordelijkheid, voor een groot deel, bij zichzelf moeten zoeken.

Muskens

Ik kan er niet om heen het toch anders te zien.
Eenieder kan weten en zeker diegenen die zich occuperen met paarden dat het niet verstandig en in sommige gevallen buitengewoon gevaarlijk is om plotseling achter een paard op te duiken. Een natuurlijke reactie van het paard is dan om achteruit te slaan omdat de plotselinge verschijning van iets of iemand als een bedreiging door het paard wordt ingeschat.
Ik acht de ouders dan ook zelf aansprakelijk omdat zij kunnen weten althans dat behoren dat aan het paardenbedrijf risico’s zijn verbonden. Als je kind van tien jaar je dan zo na staat, dan houd je je kind weg van het paardenbedrijf of instrueert het uitvoerig en zorgvuldig opdat het kind geen gedragingen vertoont die conflicteren met de natuur van het paard.
Ik taxeer deze aangelegenheid als een soort copieren van de US claimcultuur. Het spijt me niet anders te kunnen concluderen.

Nicolette Geveke

Als een volwassene achter een paard staat dat slaat, dan is de schade waarschijnlijk een gebroken heup o.i.d. Een kind dat uiteraard veel kleiner is wordt tegen het hoofd getroffen.
Daarom moet kinderen ALTIJD verboden worden achter een paard te staan.
En wiens taak is dit?
Dat behoort tot de verantwoordelijkheid van de ouders.
Hetgeen niet wegneemt dat mensen die toevallig in de buurt zijn dienen in te grijpen, anders is het strafbare nalatigheid.
NG

Hugo de Boef

De eerste vraag die bij mij rees was: waarom de eigenaar en niet de – op het eerste gezicht voor de hand liggende optie – manegehouder?
Artikel 6:179 BW regelt de kwalitatieve aansprakelijkheid voor het gedrag van dieren. Deze vorm van aansprakelijkheid berust op een bepaalde ‘kwaliteit’, de hoedanigheid, en kan, naast de pleger van de onrechtmatige daad, ook van toepassing zijn op anderen. Bij de kwalitatieve aansprakelijkheid voor het gedrag van dieren is het van belang twee zaken te onderscheiden: is de schade veroorzaakt door de ‘energie van het dier’, zoals dhr. A. Kolder hierboven omschrijft, of wordt het dier, bijvoorbeeld, als instrument gebruikt door een persoon? In het laatst genoemde geval blijft artikel 6:179 BW buiten toepassing en dient artikel 6:162 BW als grondslag voor de eventuele aansprakelijkheid voor personen.
Enkele voorbeelden hiervan:
a) 6:162 BW: - de eigenaar van een hond laat de hond op commando een voorbijganger bijten;
- een ruiter loodst zijn paard door een bloemperk en richt hier schade aan.
b) Te lezen onder de ‘tenzij’ regel in artikel 6:179 BW en dus is art. 6:162 BW van toepassing:
- de hond die een persoon aanvalt die zich(rechtmatig) op zijn erf begeeft.
Hierbij is het o.a. van belang of de eigenaar/bezitter de hond, al dan niet, fictief in zijn macht heeft.
c) 6:179 BW: - het vee dat ontsnapt uit een weiland en een verkeersongeval op een naastgelegen weg veroorzaakt;
- het schaap in een weiland dat een persoon bijt terwijl deze het dier wil voeren;
- het paard in de manege dat een meisje trapt wanneer zij het wil aaien.

Er kan onduidelijkheid ontstaan wanneer de dierenarts een dier keurt en wordt aangevallen door het dier of wanneer de bezoeker op uitnodiging meewerkt aan een dierennummer in een circus en hierop wordt aangevallen. Ook wanneer de benadeelde zich rechtmatig in de nabijheid van een dier begeeft, is de kwalitatieve risicoaansprakelijkheid van artikel 6:179 BW nog steeds van toepassing.
Niet altijd hoeft de bezitter alle schuld toe te komen. Een deel van de schade kan namelijk voor rekening van de benadeelde komen wanneer hij/zij het risico voor lief neemt. Ik neem aan dat men bij het aaien van een paard, niet snel denkt aan hetzelfde risico als wanneer men 3 leeuwen gaat voeren. Deze eigen schuld-vraag, of de risicoaansprakelijkheid weggecontracteerd zou kunnen worden, is in de rechtspraak meermalen aan de orde geweest (o.a. HR 21 oktober 1988, NJ 1989, 729 m.nt. CJHB circusezel). In de casus is dit niet aan de orde, want de aansprakelijkheid vloeit rechtstreeks uit de wet voort en is niet bij overeenkomst (uit)gesloten.

Naast de kwalitatieve aansprakelijkheid van artikel 6:179 BW kan tegelijk aansprakelijkheid op grond van 6:162 BW bestaan.
In de casus was o.a. de vraag aan de orde of op het moment van de schade, het paard op dat moment met de ‘uitoefening van het bedrijf’ in verband stond. Beargumenteerd werd dat het stallen of aanwezig hebben van het paard niet voldoende is voor het aansprakelijk houden van de manegehouder. Een vereiste is dus het ‘gebruiken in de uitoefening van het bedrijf’, te lezen in artikel 6:181 BW. In de uitspraak is bepaalt dat het paard, ook al was het afgezadeld, het nog steeds in verband stond met de ‘uitoefening van het bedrijf’.

Stel dat er door de HR geen ruimere uitleg aan art. 6:181 BW was gegeven, de schade van het paard op dat moment niet met de uitoefening van het bedrijf in verband stond omdat het paard enkel in de ‘bak’ stond en het beleren al voorbij was.
In een dergelijk geval kan de benadeelde op twee personen zijn schade verhalen, namelijk op de manegehouder (6:162 BW jo 6:170 BW) en op de bezitter ex. art. 6:179 BW.

De bezitter kon op het moment van de schade geen (fictieve) macht over het dier uitoefenen, hij had het dier ter beschikking gesteld van het bedrijf om het paard te trainen en het paard wordt vervolgens ‘gebruikt ter uitoefening van het bedrijf’.
Mijns inziens is de manegehouder dus terecht aansprakelijk gesteld voor de schade.

Naar de beweegredenen van de eiseres om de eigenaar aansprakelijk te stellen kun je alleen gissen. Is de eigenaar vermogender dan de manegehouder? Wat is de band tussen de eigenaar en de eiseres? Dekt de verzekering van de manegehouder dit volledig? Hoe dan ook, op dit moment is dit niet juridisch relevant.

@ R. Bakels:
‘Gebruiken in de uitoefening van het bedrijf’ klinkt misschien vreemd, maar is o.a. een vraag die uitvoerig aan de orde is gekomen. Wat valt hier onder?
Wanneer je een grammaticale uitleg verlangt dan duidt het werkwoord ‘gebruiken’ op een feitelijk handelen met het paard. De belering is een feitelijk gebruik: de manegehouder laat het paard oefenen. Dit is niet het geval bij bijvoorbeeld het stallen van het paard of bij transport of opslag. In het laatste geval zou artikel 6:181 BW dus niet opgaan.