Belangrijk: Voor het goed functioneren van nrc.nl maken wij gebruik van cookies (meer informatie).
Hiervoor hebben wij wel eerst je toestemming nodig. Klik op de groene knop als je hiermee akkoord gaat.

De Uitspraak: Mag de sociale dienst een uitsluitend Spaans sprekende vrouw verhoren zonder tolk?

Mag de sociale dienst bij een vermoeden van fraude een ‘confrontatiegesprek’ houden met een Colombiaanse vrouw, die slecht Nederlands spreekt zonder tolk? Met commentaar van NJB medewerkers Inge van der Vlies, hoogleraar staats- en bestuursrecht in Amsterdam en Guus Heerma van Voss, hoogleraar sociaal recht in Leiden.

De Zaak. De sociale dienst krijgt een anonieme tip dat een uitkeringsontvanger bijverdient als raamprostituee. De sociale recherche wandelt gedurende twee maanden zeven keer langs het opgegeven adres en ziet haar vijf keer ‘achter het raam’ aan het werk. De gemeente beëindigt haar uitkering en wijst haar bezwaar daartegen af. De gemeente wil dat de vrouw ruim 33000 euro terugbetaalt die ze gedurende twee en eenhalf jaar ontving. En wel op basis van de wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.

Wat verklaart de vrouw? Volgens de gemeente geeft ze toe naast haar uitkering die ze in 2004 kreeg, als prostituee te hebben doorgewerkt. Dat beroep oefende ze uit sinds ze in 1990 uit Colombia naar Nederland kwam.

Van dit zogeheten confrontatiegesprek wordt een verslag opgemaakt dat de vrouw op iedere bladzijde tekent voor gezien en begrepen. Het gesprek wordt in het Nederlands gevoerd, hoewel ze slecht Nederlands verstaat. Ze heeft daarom een tolk meegenomen, een kennis. Maar de ambtenaren willen alleen met haar praten. De tolk moet op de gang blijven. Achteraf verklaren de ambtenaren dat de vrouw goed kon worden uitgelegd waar het om ging. En dat ze ‘in het verloop van het gesprek steeds beter Nederlands leek te begrijpen’. Zij konden een gedetailleerde verklaring met haar opstellen.

De vrouw gaat echter tegen de afwijzing van haar bezwaar in beroep bij de rechtbank. En daarna bij de Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechter in sociale verzekeringszaken. Zij herroept haar handtekening onder de verklaring omdat ze niet begreep wat haar werd gevraagd.

Sprak de vrouw voldoende Nederlands om zo te kunnen worden verhoord? In het uitkeringsdossier van de vrouw bevinden zich oudere stukken waaruit blijkt dat ze nauwelijks Nederlands spreekt. Bij de verlenging van haar uitkering werd gerapporteerd dat een cursus Nederlands ‘dringend noodzakelijk’ is. De vrouw heeft naar de zitting ook getuigen meegenomen. Onder meer de lerares die de cursus Nederlands gaf. Die verklaart dat ze zo vaak afwezig was dat haar kennis als ‘zeer beperkt’ gezien moet worden. Ook een maatschappelijk werkster verklaart dat de vrouw eigenlijk alleen Spaans spreekt. Net als haar ex-echtgenoot die opmerkt dat ze geen Nederlands kan lezen of schrijven. En dat ze tegen iedereen die haar in het Nederlands aanspreekt ‘ja’ pleegt te zeggen.

Hoe oordeelt de rechter? Die vindt dat de vrouw niet volledig heeft kunnen begrijpen wat de ambtenaren haar vertelden. Dat ze ‘steeds beter’ Nederlands verstond tijdens het gesprek vindt de rechter niet aannemelijk. De gemeente had een tolk behoren in te schakelen omdat de juistheid van haar verklaring anders niet gewaarborgd is. Ander bewijs dan haar verklaring en de anonieme tip ontbreekt ook. Er is alleen een korte periode op straat geobserveerd. Er is bijvoorbeeld geen navraag gedaan bij raamverhuurders. Het besluit tot intrekken en terugvorderen is dus niet zorgvuldig genomen en onvoldoende gemotiveerd. De gemeente moet opnieuw een besluit nemen.

De uitspraak (LJ BO5977) is hier te vinden.

Reageren? Nuanceren en argumenteren verplicht. Volledige naamsvermelding.

Geplaatst in:
Bestuursrecht
Lees meer over:
fraude

13 reacties op 'De Uitspraak: Mag de sociale dienst een uitsluitend Spaans sprekende vrouw verhoren zonder tolk?'

NJB medewerker Inge van der Vlies, hoogleraar staats- en bestuursrecht
Folkert Jensma

Het begon met een anonieme tip: de vrouw werkte terwijl zij een uitkering had. Vervolgens zijn medewerkers van de Afdeling Bijzonder Onderzoek 7 maal langs gelopen en 5 maal daarvan kon worden vastgesteld dat betrokkene aan het werk was. Zij wordt uitgenodigd voor een gesprek. De vraag is of het gesprek dat is gevoerd wel aan de eisen van het recht voldoet. Betrokkene blijkt het Nederlands maar nauwelijks machtig te zijn en het gesprek werd in het Nederlands gevoerd. Zij komt uit Colombia, woont al een flink aantal jaren in Nederland en volgde wel een cursus Nederlands, maar spijbelde. Dat gebrekkige kennis van het Nederlands een handicap is bij het spreken met Nederlandse ambtenaren, besefte ze wel en ze nam dus een kennis mee die zou kunnen tolken. Deze werd echter niet toegelaten. Waarom niet? Artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht geeft iedereen het recht zich te laten bijstaan in het verkeer met bestuursorganen. Daarvan is hier sprake. Het bestuur mag de bijstand weigeren, maar dan wel schriftelijk, in geval van ernstige bezwaren tegen de beoogde persoon. In de uitspraak wordt zelfs geen hint gegeven waarom er van dergelijke bezwaren sprake zou zijn. Er is alleen vast komen te staan dat de betrokken ambtenaren hebben besloten alleen met appellante het gesprek aan te gaan. Zij kunnen daarvoor goede redenen hebben gehad. De kennis kan de ‘werkgever’ van de prostituee zijn geweest of een ‘beschermer’, waardoor de ambtenaren zich geïntimideerd voelden of vreesden voor druk op de vrouw. Als dat al het geval is geweest, ontslaat het hen echter niet van de verplichting zorg te dragen voor een goed gesprek. In de Algemene wet bestuursrecht wordt ook geregeld dat ambtenaren Nederlands spreken, maar zij mogen kiezen voor een andere taal als dat doelmatiger is. De wet biedt dus genoeg mogelijkheden om het netjes te doen. Het is ook mogelijk dat de ambtenaren andere redenen hadden. Maar hoe dan ook: voor zo’n serieuze kwestie als een intrekking van een uitkering, voer je een goed gesprek. Het ‘horen van belanghebbenden’ moet een reële betekenis hebben. Het is niet goed te begrijpen waarom de ambtenaren niet tenminste van de tolkentelefoon gebruik hebben gemaakt, nu de vrouw zelf haar probleem met de taal had opgeworpen. Of je doet zelf goed onderzoek naar de gang van zaken, maar ook dat was niet gebeurd. Er was dus geen deugdelijke grondslag voor het besluit.

NJB medewerker Guus Heerma van Voss, hoogleraar sociaal recht in Leiden:
Folkert Jensma

Deze uitspraak is een voorbeeld van een zaak die voor veel juristen zo klaar als een klontje is, maar bij niet-juristen onbegrip kan oproepen. Wie de uitspraak leest, begrijpt dat alles er op wijst dat de betrokkene in de prostitutie heeft gewerkt en waarschijnlijk ten onrechte daarnaast nog uitkering heeft gekregen. De jurist constateert echter dat ondanks dat vermoeden het bewijs niet rond is. Juristen maken daarbij een onderscheid tussen procedure en inhoud, dat voor veel mensen onwerkelijk overkomt. De verklaring die mevrouw heeft afgelegd tegenover de ambtenaren van de sociale dienst zou wel eens juist kunnen zijn geweest. Het is ook mogelijk dat zij wel degelijk wist wat zij verklaarde en de vragen best begreep. Het is echter allemaal niet zeker.

Rechtsbescherming houdt nu juist in dat elke burger, hoe verdacht ook, recht heeft op een volledig eerlijke behandeling van zijn of haar zaak. Een buitenlander die de Nederlandse taal niet spreekt, mag daarom alleen worden ondervraagd met behulp van een tolk, zodat vast komt te staan dat de betrokkene begreep wat hij of zij verklaarde en ondertekende. Zelfs als de verhorende ambtenaar in alle oprechtheid meende dat de betrokkene het gesprek best begreep.
Daarnaast blijkt uit de casus dat ook observaties hebben plaatsgevonden waarbij bleek dat betrokkene als prostituee werkzaam was (zij was “achter een raam aangetroffen”). Die observaties hadden echter slechts betrekking op de laatste twee maanden, terwijl de uitkering werd ingetrokken over een periode van twee jaar. Hoewel het vermoeden niet onlogisch is dat de werkzaamheden zich over een langere periode hebben uitgestrekt, is dit wederom niet komen vast te staan. Daarom was de verklaring van de betrokkene zelf zo belangrijk en dus ook de vraag of zij begreep waarmee zij instemde en wat zij ondertekende. Bij medisch onderzoek zonder tolk wil de Centrale Raad van Beroep nog wel eens milder zijn, maar hier gaat het om fraude en het terugvorderen van grote bedragen waarbij de verklaring van de betrokkene belangrijker is en is hij daarom strenger.

Al met al is de conclusie dat het aantonen van misbruik en fraude in de sociale zekerheid niet zo eenvoudig is. De consequenties kunnen dan ook groot zijn: intrekking van de lopende uitkering, terugvordering van reeds betaalde uitkeringen en daarbij nog als straf de oplegging van een boete of strafrechtelijke vervolging. Het zal je maar ten onrechte overkomen.
Juist de burger die in een zwakkere maatschappelijke positie verkeert, heeft de rechtsstaat hard nodig om zich te kunnen verdedigen tegen onterechte aantijgingen. Dat brengt onvermijdelijk mee dat ook wel eens vergrijpen niet kunnen worden bestraft omdat zij niet te bewijzen zijn. Die prijs betalen we dan voor het hebben van een rechtsstaat. En het prikkelt de opsporingsdiensten om hun werk nog preciezer te doen en niet te gemakkelijk verklaringen van mensen af te troggelen om het werk te vereenvoudigen.

D.Koster

De zaak geeft toch een ongemakkelijke gevoel omdat iemand ten onrechte een uitkering heeft genoten. Tenminste twee maanden, waarschijnlijk langer. Betrokkene heeft in elk geval over die twee maanden gelogen. Geeft toe (handtekening) dat het om een langere periode ging, maar komt dan later met het taalprobleem op te proppen.

De rechter heeft daar begrip voor en niet voor het belang van de mensen die die uitkering hebben moeten opbrengen. Raar eigenlijk. Voor uitkeringen lijkt hetzelfde te gelden als voor het stelen van snoepjes in de supermarkt. Men ziet slechts een anoniem lichaam “de overheid” die toch geen last heeft van zo’n kleine diefstal.

H van de Boer

Zo klaar als een klontje, voor juristen althans.
Onbegrip bij mij die mede de rekening betaald voor al deze gevallen en de daarbij verstrekte juridische bijstand door deze juristen.
Ik proef ook duidelijk een eigen belang bij deze in de financieel beter bedeelde klasse van de maatschappij.
Ik voel mij zwaar gediscrimineerd als nederlands sprekende nederlander, temeer daar een groot deel van nieuwkomers weigert het nederlands te leren en dus in dit soort gevallen blijvend een beroep doet op een tolk met wederom de kosten voor mij en mijn medenederlanders
Bijstand is er alleen voor hen die dat nodig hebben.

Niek Heering

Ook voor mij als niet-jurist is de zaak zo klaar als een klontje: de sociale recherche ging onwettig en grof te werk: intimiderend, dus bang makend. Waren de gespreksambtenaren dom of doortrapt? Naast niet te begrijpen “goede” redenen waarom de tolkentelefoon niet werd ingeschakeld, kunnen er ook slechte redenen zijn waarom zij geen pottenkijkers toelieten bij het gesprek bij een falende bewijsvoering: misschien hoopten zij op een privé deal met financiële en/of seksuele diensten en/of drugs. Het OM moet hier onderzoek naar doen! Het zal niet de eerste keer zijn dat de sociale recherche zijn werk zo slecht doet; hopelijk maar niet waarschijnlijk wel de laatste.

Frenk Molemans

De CRvB heeft terecht geconcludeerd dat de tegenover de ambtenaren van de socale dienst afgelegde verklaring niet zorgvuldig genoeg totstand is gekomen. Feit blijft dat ambtenaren van de sociale dienst (soc. rech) vastgesteld hebben dat deze dame als prostituee werkzaamheden heeft verricht. Op zich zijn deze werkzaamheden niet ” verboden”. De dame in kwestie behoort conform haar wettelijke inlichingenplicht de sociale dienst wel volledige en juiste inlichtingen te verstrekken m.b.t. de omvang/aard van de werkzaamheden en de daaruit voortkomende inkomsten. Deze inlichtingen moeten objectief controleerbaar zijn. Indien de dame de werkzaamheden niet onverwijld uit eigen beweging, dan wel via inkomstenformulieren heeft opgegeven, dan is zij nalatig geweest.
Men noemt dit: schending van de inlichtingnplicht. Zonder dat deze dame dan gehoord hoeft te worden, heeft de gemeente dan de bevoegdheid om de bijstand te beeindigen. De gemeente heeft in dit geval wel de bewijslast om aannemelijk te maken dat deze vrouw als prostituee gewerkt heeft en dit niet heeft opgegeven.
Gezien de casus ga ik er van uit dat er voldoende aanwijzingen, buiten de verklaring van de dame zelf, aanwezig zijn om tot beeindiging over te gaan. Echter tot intrekking overgaan over een voorliggende periode, zal erg moeilijk worden. Daaravoor had de soc. rech. meer en zorgvuldiger onderzoek moeten instellen.
Geen intrekking/herziening = dus geen terugvordering

De Awb geeft aan dat het hoor- en wederhoor toegepast moet worden alvorens en besluit op bezwaar wordt genomen.
Als de ambtenaren vstgesteld hebben dat deze dame dus werkzaam is geweest als prostituee en zij dit niet opgegeven heeft, is er volgens mij voldoende wettelijke grondslag voor beeindiging. Terugvordering over een voorliggende periode wordt moeilijker.

c wildschut

Typerend staaltje van onbehoorlijk bestuur. Ik vraag me werkelijk af of hier sprake is van onkunde van de betrokken ambtenaren (niet denkbeeldig, met alle respect) of bewust beleid van gemeenten in de veronderstelling dat ze er 9 van de 10 keer mee wegkomen. In dat geval is het misschien wel efficiënt om in principe nooit een tolk in te schakelen. Die ene keer dat je door de rechter wordt teruggefloten houdt de gemeente alsnog een gesprek met een tolk erbij en kan het besluit alsnog deugdelijk gemotiveerd worden. Dat scheelt in ieder geval 9x een tolk betalen! Uit dat verschil kan de -standaard belachelijk lage- proceskostenveroordeling wel voldaan worden.
Voor de duidelijkheid, ook bij de niet-juristen met een ongemakkelijk gevoel: het is beslist níet zo dat deze vrouw haar uitkering nu behoudt en straffeloos door kan werken!! De beslissing van de gemeente wordt vernietigd, met de opdracht om een nieuw besluit te nemen, maar nu met een fatsoenlijke motivering. En een fatsoenlijke motivering mag bij ieder besluit toch wel verwacht worden, vind ik. In gevallen waar mensen soms 10.000-en euro’s moeten gaan betalen zeker.
@H. van den Boer: waarin proeft u eigen belang bij de ‘financieel beter bedeelde klasse van de maatschappij’? Ik hoef u er niet aan te herinneren dat uitkeringen betaald worden van belastinggeld. Geld van iedereen dus en, gezien het progressieve belastingstelsel, niet in de plaats van financieel beter bedeelden.

H.Chr. Heldens

Er staat volgens mij helemaal niets vast. Een rechercheur wordt op zijn woord geloofd en dat brengt mee dat hij zorgvuldig te werk moet gaan. Immers, wat hij observeert komt in een dossier, waarna de rechter diep kan ingrijpen in de persoonlijke sfeer van de verdachte. Een zware verantwoordelijkheid dus. In dit geval is er zo slordig omgegaan met de regels waaraan de heren zich hadden te houden, dat er gerede twijfel mogelijk is aan hun constatering dat de bewuste dame het vak van raamprostituee uitoefende. Is het niet een kwestie van: die tip zal wel juist zijn en dan knippen en scheren we dat grietje wel even?
Het vervelende is dat indien de vermoedens juist zijn, de kans groot is dat de zaak is verknald of veel meer tijd zal vergen.

b lyngbakken

De uitspraak is m.i. genuanceerder dan gedacht. Tot september 2006 kan niet worden teruggevorderd, daarna wel. Alleen omdat de Raad het besluit als ¨ondeelbaar¨ ziet, ligt dat niet vast in het eindoordeel, maar een nieuw besluit van de gemeente waarin dat onderscheid wel wordt gemaakt lijkt mij te kunnen. Dan wordt er dus teruggevorderd voor de tijd dat vast staat dat mevrouw gewerkt heeft, en niet voor de periode dat daarvoor geen bewijs is.

johan van schaik

Een zaak zo klaar als een klontje, inderdaad, en de CRvB heeft dan ook juist geoordeeld, en het besluit vernietigd. Hoewel, zo als de Raad ook zelf opmerkt, het toch wel bijzonder is dat de rapportages van de sociale rechercheurs worden gepasseerd. Je moet van goede huize komen om dat te bwerkstelligen, en het deskundigen-/getuigeverslag is daarbij niet alleen van belang, maar ook het feit dat er geen enkel verder onderzoek is gedaan door de gemeente naar wat werkelijk aan de hand was. Men voer enkel op de niet geldig te achten verklaring die door de reechercheurs op papier was gezet.

Mevrouw heeft – meer is althans aan feiten niet komen vast te staan – alleen in de maanden september en oktober van 2006 – wat geld voor een vliegticket bij elkaar gescharreld. Als zij het vooraf als een poging tot het verkrijgen van werk had opgegeven, was het waarschijnlijk zonder veel gevolgen gebleven, en had zij – na aftrek van kosten – in elk geval 25% van het inkomen zelf mogen houden, zie: http://www.judex.nl/rechtsgebied/uitkeringen_%26_sociale_zekerheid/ioaw-en-iow/artikelen/771/worden-andere-inkomsten-met-de-ioaw-uitkering-verrekend_.htm . Waarschijnlijker is echter dat geen ambtenaar de moeite had genomen om een ingewikkelde berekening te gaan maken om de weinige verdiensten die zij in die paar weken genoot, daadwerkelijk te gaan verrekenen. Dat kost meer dan het oplevert. En als de trip naar Spanje was bezien als een poging om te onderzoeken of de Colombiaanse niet meer werkmogelijkheden had in een land waarvan zij de taal machtig was, had de trip zelfs vergoed kunnen worden. Je moet echter wel de Nederlandse taal machtig zijn, en de weg in de wetgeving weten te vinden, om dat zo te kunnen presenteren.

Wat er na de uitspraak ten gemeentehuize gaat gebeuren, blijft onvermeld. Voor wie minder in de juridische wereld thuis is: De Raad vernietigt alleen de beslissing op bezwaar, maar niet de eerste besluiten. Dat moet de gemeente zelf doen door een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij zij het bezwaar alsnog gegrond verklaren. De in het ongelijk gestelde gemeente moet nu dus zelf een nieuwe beslissing op bezwaar nemen waarin dat ongelijk alsnog wordt bevestigd, en maar al te vaak levert dat nieuwe problemen op. Partijen, en met name ook ambtenaren, die in het ongelijk zijn gesteld, zullen tenslotte van nature de neiging hebben om met die nieuwe beslissing op bezwaar alsnog tenminste een beetje van het eigen gelijk binnen te halen. Dus om er nu van uit te gaan dat mevrouw morgen al krijgt te horen dat B&W van Den Haag bij heroverweging hebben besloten de intrekkings- en terugvorderingsbeschikking van 18 december 2006 in te trekken, is wat snel gedacht. Onvermeld is verder ook waar mevrouw nadien van heeft geleefd. Er wordt wel melding gemaakt van een nieuwe aanvraag, althans een intakegesprek daartoe, op 19 februari 2007, maar of daarbij de uitkering voor het volle bedrag weer is toegekend en uitbetaald, blijft in het duister.

De advocaat van mevrouw heeft duidelijk goed werk geleverd, door voor voldoende tegenbewijs te zorgen, maar mogelijk heeft hij toch een ding vergeten. En dat is om de Raad te verzoeken zelf in de zaak te voorzien. Er is een trend bij de Raad merkbaar om vaker ook het primaire besluit te vernietigen, zodat nieuw gekissebis over de door de gemeente te nemen nieuwe beslissing op bezwaar bij voorbaat wordt weggenomen. Dat mag de Raad ook, ingevolge de Algemen Wet Bestuursrecht. Alleen: je moet de Raad er wel expliciet om vragen.

Leuke uitspraak, die zich – gezien de omstandigheden – ook leent voor het zelf voorzien. Daarom heren/dames advocaten: maak er een gewoonte van om het verzoek om eventueel zelf in de zaak te voorzien standaard op te nemen in het beroepschrift of de pleitnota.

P Derks

De rechter oordeelt, en daar hoort men zich bij neer te leggen: De gemeente moet een nieuw besluit nemen. En dus op goede gronden doen wat wat men moet doen: Zorgen dat onze sociale voorzieningen gebruikt worden door hen die ze nodig hebben. En dus een nieuw juridisch correct besluit nemen, mevrouw opnieuw horen, want het feit dat ze gedurende 2 maanden haar neven-activiteit niet opgegegeven heeft is en niet tegengesproken en aannemelijk gemaakt.
Hier verschuilt een burger zich achter een procedure fout, en dat is zijn/haar goed recht, maar dat wil niet zeggen dat “de burger” die het gevoel heeft de rekening te betalen hier mee imstemt: Dit zal de roep op “strengere” controle alleen maar doen toenemen, en een bepaalde politieke partij in nederland weer meer stemmen opleveren.
Wetten zijn er voor iedereen, en dienen ook gehandhaaft te worden: Dat juristen zich hier bijna “lovend” uitlaten over de burger die de procedure gebruikt om onder een straf uit te komen is zorgwekkend: men zou er beter aan doen in het algemeen belang de rechthandhaving te verbeteren, maar is er blijkbaar meer eer en geld te verdienen met het ontwijkgedrag. Het is eenieders recht spaken in het wiel van de rechtsgang te steken voor persoonlijk gewin, maar het is de taak van de overheid hier paal en perk aan te stellen. En persoonlijk kan ik geen enthousiasme opbrengen voor “bijstaanders” die er hun beroep of werk van maken.

Ik wil in dit verband nog een andere opmerking maken: Waarom zou de nederlandse rechtsgang behindert moeten worden door het gebrek aan nederlandse taalkennis: Ik heb jaren in Frankrijk gewoond: Daar communiceren de instanties uitsluitend in het frans, als je wat wilt zul je dat in het frans kenbaar moeten maken, en je krijgt sommaties in het frans. Niet begrepen, jammer dan, dat is geen reden voor beroep. En er is niemand in Frankrijk die dit onjuist vindt of incorrect, je wordt er soms vriendelijk in het Engels geholpen , als special gunst. Dat vindt ik een goede insteek.
Laten we het zo stellen: Bij het strafrecht is het duidelijk dat de staat de plicht heeft eerlijk proces te voeren, maar in de sociale rechtgang is het ook aan de burger om zijn steentje bij te dragen,zonder dat ik van omgekeerde rechtsgang wil spreken.

Onze rechthandhavers dienen bijgeschoold te worden in hun werk, om de staat rechtvaardiger te laten optreden, en waar nodig dienen de procedures aangepast te worden zodat de handhavers kunnen handhaven.

c wildschut

@P. Derks: uw gedachtengang is alleszins begrijpelijk en ook in de Nederlandse bestuurspraktijk wel degelijk gangbaar. In ieder geval is het het uitgangspunt van de Algemene wet bestuursrecht dat bestuursorganen communiceren in het Nederlands (en in Friesland: ook Fries).
Waar het echter gaat om een terugvordering van ontvangen bijstand, d.w.z. aanzienlijke bedragen die worden opgeëist van iemand die ze doorgaans niet kan opbrengen, is er sprake van een criminal charge. Dat er in de wetgeving niet het stickertje ‘Strafrecht’ op wordt geplakt, doet niet ter zake. Feitelijk gaat het wel een heel eind die kant op, en de maatstaven waaraan de procedure moet voldoen, groeien navenant mee. Gelukkig maar wat mij betreft, want anders zouden er bewust of onbewust véél meer fouten door overheden gemaakt worden.

yf meurs

Uitgaande van de ´ideale´ maatschappij, zou deze vrouw door middel van inburgeringscursussen prima nederlands moeten kunnen spreken. Niet dat dat wil zeggen dat de bureaucratische juridische taal daar een onderdeel van is. Is het merkwaardig dat deze vrouw, niet een bewindsvoering heeft opgelegd gekregen toen ze nederland binnen kwam. Desalniettemin is het bewonderingswaardig dat er juristen zijn die deze schuldenaren als slachtoffers zien en bereid zijn om zich in te zetten voor de rechten van deze persoon.
Er zijn partijen binnen europa die ook in dit soort situaties gebruik willen gaan maken van de mogelijkheid om de schuldenaar in land van herkomst te laten berechten. Maar dan zal er ook weer een tolk aan te pas moeten komen om de telastelegging naar andere maatstaven te vertalen.