Wettelijke erkenning van homohuwelijken is niet Europees afdwingbaar door Straatsburg
Lidstaten van de Raad van Europa zijn niet verplicht om huwelijken tussen mensen van hetzelfde geslacht wettelijk mogelijk te maken. Dit besloot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens vorige week op een klacht van twee Oostenrijkse mannen.
Horst Schalk en Johann Kopf probeerden in 2002 in Oostenrijk te trouwen, maar werden door de burgerlijke stand geweigerd.Tot in hoogste nationale instantie werd hun beroep in Oostenrijk op de Europese mensenrechten afgewezen. Ze gingen daarop in 2004 bij het Europese Hof in Straatsburg in beroep.
Vorige week wees het EHRM hun klacht af. Lees hier het persbericht. Er was geen sprake van schending van het grondrecht te trouwen (art. 12), het verbod van discriminatie (art. 14) noch van schending van het recht op een familieleven (art. 8). Het Europese verdrag voor de rechten van de mens waarop burgers in 47 Europese landen direct een beroep kunnen doen is hier te vinden.
Het Hof merkt op dat er in Europa politiek geen consensus is over het recht van homo’s om te trouwen. In maar zes van de zevenenveertig verdragstaten bestaat het wettelijke homohuwelijk. Het verdragsartikel kent het recht om te trouwen toe aan ‘mannen en vrouwen’. Maar het verdrag zegt er niet bij dat ze verplicht zijn om zich te beperken tot het andere geslacht. Daaruit trekt het Hof de conclusie dat huwelijken tussen mannen onderling en vrouwen onderling ook niet zijn uitgesloten. Tegelijk laat het verdrag de keuze om homohuwelijken juist expliciet toe te staan over aan de nationale wetgevers van de lidstaten. De conclusie is dat lidstaten dus Europees niet verplicht zijn om dat ook wettelijk mogelijk te maken.
Is het ontbreken van een wettelijk homohuwelijk dan te beschouwen als hetzij discriminatie (art. 14) hetzij een inbreuk op het privé, familie- of gezinsleven (art. 8)? Volgens mensenrechtendeskundige Antoine Buyse, hier op zijn blog, erkent het Hof voor het eerst dat homoseksuele stellen vallen onder het Europese grondrecht op familie- of gezinsleven. Er heeft zich volgens het Hof in de laatste jaren een ‘snelle revolutie in sociale houding ten opzichte van homostellen’ voorgedaan. In veel lidstaten van de Raad van Europa wordt hun samenleven ook wettelijk erkend. Buyse noemt dit ‘vanzelfsprekend’ voor velen, maar juridisch toch een belangrijke stap omdat het Hof dit voor het eerst zo uitspreekt.
Het Hof zegt nu dat een onderscheid tussen gewone man-vrouw relaties en ‘stabiel met elkaar samenlevende’ mannen of vrouwen kunstmatig is. Het Hof noteert dat er een Europese trend is om samenwonende homostellen wettelijk te erkennen, maar dat in een meerderheid van de lidstaten die stap nog niet gezet is. In Oostenrijk bestaat sinds 2010 een geregistreerd partnerschap dat open staat voor stellen van hetzelfde geslacht. Dat Oostenrijk daar misschien ook wat lang over heeft gedaan, is binnen Europa niet ongewoon. En dus ook geen reden om Oostenrijk daarvoor te kritiseren. Dat het wettelijke partnerschap voor homostellen in Oostenrijk inhoudelijk nogal verschilt van het wettelijk huwelijk aldaar, klopt ook met de Europese trend.
Kortom: dit is de standaardmaatstaf van het EHRM, de ‘wide margin of appreciation’ oftewel ‘ruime beoordelingsvrijheid’ voor lidstaten, in actie. Het Hof pleegt lidstaten in kwesties die dicht tegen geloof, cultuur of identiteit aanliggen veel ruimte te geven. Buyse noemt dit arrest een ‘twee stappen vooruit, één stap achteruit’ oordeel. Het gelijkstellen van geregistreerde homopartnerschappen aan ‘gewone’ relaties is symbolisch een belangrijke stap. Maar er worden geen belangrijke juridische consequenties aan verbonden.
Lees ook dit blog van de interuniversitaire School of Human Rights Research over deze zaak.
Reageren? Nuanceren en argumenteren verplicht. Volledige naamsvermelding.
