Belangrijk: Voor het goed functioneren van nrc.nl maken wij gebruik van cookies (meer informatie).
Hiervoor hebben wij wel eerst je toestemming nodig. Klik op de groene knop als je hiermee akkoord gaat.

Uitspraak 38: was een mislukte grap seksuele intimidatie?

kerstborrel1Wanneer levert ongewenst gedrag seksuele intimidatie op? Een mislukte grap loopt uit op ruzie, ontslag en jarenlang procederen. Met commentaar van NJB-medewerker Evert Verhulp, hoogleraar arbeidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam, en NJB-medewerker Theo de Roos, advocaat en hoogleraar strafrecht aan de Universiteit van Tilburg.

De Zaak. Wanneer is in een arbeidsrelatie sprake van onrechtmatige seksuele intimidatie? Is het voldoende als het slachtoffer de opmerking of de handeling zo ervaart? Of mag de intentie waarmee de foute opmerking werd gemaakt meewegen?

Om wat voor incident ging het? Bij de kerstborrel op kantoor knijpt de directeur een werknemer (58) die met collega’s staat te praten openlijk in zijn billen en zegt er iets bij over een ‘dark room’. De feestruimte is alleen verlicht met kaarsen. Er wordt wat gelachen.

Maar de dag erna loopt het uit de hand. De werknemer voelt zich beledigd en probeert het uit te praten. Dat mislukt, ondanks de excuses van de directeur. Een klacht bij het bestuur resulteert in een berisping voor de directeur. Hij moet de verstoorde arbeidsverhouding weer rechtbreien en krijgt te horen dat zijn positie ‘onhoudbaar’ is als het nog eens gebeurd. Een maand later meldt de werknemer zich echter ziek. Een half jaar later volgt zijn ontslag, met een ontbindingsvergoeding van 68.500 euro. De werknemer was ongeveer 30 jaar in dienst.

De werknemer gaat daarna procederen. Hij eist een schadevergoeding van bijna 270.000 euro wegens onrechtmatig ontslag. Zowel de kantonrechter als het Hof wijzen dat af, hoewel het Hof de man 500 euro immateriële schadevergoeding geeft. De Hoge Raad heeft het laatste woord.

Welke argumenten heeft de werknemer? Wie zich seksueel geïntimideerd voelt door een opmerking en een gebaar, die is dat ook. Het argument van de directeur dat de opmerking en het knijpen voor hemzelf ‘geen seksuele lading’ heeft is onzin.

Wat verstaat de wet onder seksuele intimidatie? ‘Enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt gecreëerd.’

Hoe beoordeelde het gerechtshof de feiten? Die merkte op dat het knijpen openlijk gebeurde, net als de opmerking. Verder werd er gelachen, ook door de werknemer. Dus was er geen aantasting van de persoon en evenmin een bedreigende, vernederende of kwetsende situatie.

Wat voegt de Hoge Raad hier aan toe? Die vindt het wel van belang of degene die de omstreden opmerking maakt er zelf een seksuele lading aan toekent. Het Hof schond geen rechtsregel door daar rekening mee te houden. Het incident was, in de context van een kantoorborrel, minder ernstig dan de werknemer deed voorkomen.

De onafhankelijk adviseur van de Hoge Raad, de advocaat-generaal, voerde nog aan dat de wetgever met opzet niet heeft gesproken van ‘ongewenste’ seksuele intimidatie. Juist om te voorkomen dat er in de rechtszaal gestreden zou worden over de belevingswereld van partijen. Niets zo subjectief als de vraag wanneer ongewenst gedrag seksuele intimidatie oplevert.

De werknemer moet de kosten van de procedure te vergoeden, samen zo’n 8000 euro. Tussen het billen knijpen en het arrest zaten 7 jaar.

Lees hier het vonnis.

Reageren? Nuanceren en argumenteren verplicht. Volledige naamsvermelding

Geplaatst in:
Civiel recht
Strafrecht
Lees meer over:
arbeidscontract

12 reacties op 'Uitspraak 38: was een mislukte grap seksuele intimidatie?'

NJB-medewerker Evert Verhulp, hoogleraar arbeidsrecht Universiteit van Amsterdam

De arbeid kan niet van de mens worden afgescheiden, maar is daar onderdeel van: met de arbeid komt dus de werknemer mee. De verhouding tussen collega’s is daarmee evenzeer onderdeel van het arbeidsrecht, hoewel die collega’s geen contractuele relatie met elkaar hebben. De werkgever is de partij die er voor moet zorgen dat werknemers zich ten opzichte van elkaar behoorlijk, dus zakelijk en fatsoenlijk, gedragen.
De invulling van die zakelijkheid en fatsoenlijkheid is mede afhankelijk van de positie van de werknemer: monteurs in een garage zullen elkaar anders bejegenen dan handelaren op de beurs. Aan de andere kant heeft de werkgever geen zeggenschap over het privé-gedrag van de werknemer, ook over van privé-gedrag in relaties met andere werknemers. Iedere werkgever in de banksector heeft veelvuldig te maken met het zogenaamde bankstelletje: een relatie die is ontstaan op het werk. Voor zover dat gevolgen heeft voor het werk mag de werkgever daaraan gevolgen verbinden, maar overigens niet. Ook niet als de ene werknemer zich ten opzichte van de andere collega in die privé-relatie onheus gedraagt. Ergens, maar niet in het midden tussen deze twee uitersten (de arbeidsverhouding en het privé-leven), bevindt zich de werknemer tussen de collega’s, op een feestje, georganiseerd door de werkgever. Een samenzijn dat zich primair kenmerkt door de arbeidsverhouding, toch meer werk is dan privé, zodat de arbeidsrechtelijke normen gelden.
Het verbod op seksuele intimidatie dat voortvloeit uit de verplichting tot gelijke behandeling geldt op dat personeelsfeest wel, waar het thuis niet zou hebben gegolden. Maar dat verbod wordt in deze zaak niet overtreden. Van de werknemer, werkzaam als hoofd voorlichting, met een salaris van ruim € 5000 per maand, mag worden verwacht dat hij zich niet al te makkelijk seksueel geïntimideerd voelt, maar de verhoudingen en intenties op juiste waarde weet te schatten en daarmee in de juiste proporties weet om te gaan. Duidelijk is dat hij is betrokken in een foute grap, maar dat maakt hem geen slachtoffer van seksuele intimidatie. Gelet op de omstandigheden had van een gemiddelde werknemer al niet mogen worden verwacht dat hij van deze foute grap werkelijk onder de indruk zou zijn. De intentie waarmee die werd gemaakt kan al niet de gedachte van intimidatie kan rechtvaardigen. Dat geldt des te sterker voor een werknemer die werkzaam is als hoofd voorlichting met een ruim, bovenmodaal salaris. Dat neemt niet weg dat de directeur een foute grap heeft gemaakt, en daarop arbeidsrechtelijk kan worden aangesproken. Door het bestuur, maar niet door de werknemer.

NJB-medewerker Theo de Roos, hoogleraar strafrecht in Tilburg

Wat deze casus op een bijna tragische manier illustreert is de onmacht van het recht in wat ik maar noem nabije relaties waarin conflicten ontstaan. In dit geval gaat het niet om een voortdurende probleemsituatie zoals huiselijk geweld, maar kennelijk om een incident. Er is dus niet sprake van een structureel probleem, maar van een volstrekte miscommunicatie tussen baas en werknemer die ook na excuses niet oplosbaar bleek. Op afstand en met de summiere informatie die ik heb zou ik willen vaststellen dat ik me kan voorstellen dat de werknemer – ook al lachte hij aanvankelijk met iedereen mee – goede redenen kan hebben gehad om zich vreselijk gepakt te hebben gevoeld. Als je dan daardoor arbeidsongeschikt wordt is een forse schadeclaim een misschien voor de handliggende remedie, maar de genoegdoening lijkt bij voorbaat al verpest door de lange procedures en de in Nederland geringe geneigdheid om grote schadevergoedingen toe te kennen. Bovendien is het noodzakelijke onderzoek naar de aansprakelijkheid vaak uiterst pijnlijk, omdat de eiser moet aantonen dat zijn arbeidsongeschiktheid nu juist door dit incident is veroorzaakt, en niet bijvoorbeeld door allerlei andere gebreken in zijn aanleg, inzet of persoonlijkheid – zoals de gedaagde partij mogelijkerwijs kan aanvoeren. Dan stuiten wij op het fenomeen van de ‘secondary victimization’, die ook bekend is in de strafrechtspleging. Opnieuw wordt het slachtoffer voorwerp van agressieve ondervraging. Is er afgezien van berusting een oplossing? De enige mogelijkheid lijkt mij mediation. Voor de rest heeft civiel recht noch strafrecht in dit soort situaties iets te bieden.

Cees Nierop

In het arrest van de Hoge Raad wordt een merkwaardig criterium gebruikt voor het bepalen of er sprake is van seksuele intimidatie. In de visie van de Hoge Raad is er pas van seksuele intimidatie sprake als diegene die de handelingen verricht er seksuele bedoelingen mee heeft gehad. Zolang dat niet het geval is, en de handelingen grappig bedoeld zijn, mogen we in billen knijpen. De Hoge Raad verwerpt hiermee de stelling van de verongelijkte werkneemster die van mening was dat vooral bepalend is hoe zij de handelingen (het billenknijpen) ervaart. Dat doet er weinig toe, zo volgt uit het arrest.

Zowel de maatstaf die de Hoge Raad als die de werkneemster hanteert, is mijns inziens onjuist. Het gaat er niet zozeer om hoe de handelingen ervaren worden door de betrokkenen, maar hoe de ‘gemiddelde Nederlander’ in de gegeven context de handelingen zou ervaren. Door deze maatstaf te hanteren wordt voorkomen dat medewerkers die zich redelijk normaal gedragen slachtoffer worden van medewerkers die bij het minste of geringste zich geintimideerd voelen. Andersom worden medewerkers via deze maatstaf beschermd tegen collega’s die onder het mom van een grapje al te aanhankelijk worden.
De rechter zal de norm van de gemiddelde Nederlander moeten identificeren. Wat vind de gemiddelde Nederlander op een bedrijfsfeestje toelaatbaar? Mogen we in billen knijpen onder het mom van een grapje? Het zal voor een rechter niet makkelijk zijn antwoord te geven op deze vraag. Er bestaat geen representatief onderzoek hiernaar. De rechter zal dus moeten inschatten hoe de gemiddelde Nederlander hierin staat. Ik kan mij zo voorstellen dat een vrouwelijke kantonrechter de grens tussen hinderlijk gedrag en seksueel intimiderend gedrag anders legt dan een mannelijke kantonrechter. Verder zullen de hoogopgeleide, voornamelijk blanke kantonrechters, de grens weer anders leggen dan laagopgeleide werknemers die bijvoorbeeld actief zijn in autogarages.

Zou een representatieve jury niet beter antwoord kunnen geven op de vraag waar de grens ligt tussen hinderlijk gedrag en seksuleel intimiderend gedrag? En is een oordeel hierover van een 12-koppige jury afkomstig uit alle geledingen van de maatschappij niet legitiemer dan het oordeel van een alleen sprekende rechter die hooguit de mening heeft ingewonnen van zijn of haar griffier?
De vraag stellen is hem beantwoorden. Ruim baan voor de jury!
————–
Cees Nierop is advocaat en auteur van het boek ‘Liefdesverdriet en stalking. De reikwijdte van het belagingsdelict in Nederland en Amerika’.

henk van lievenoogen

@cees nierop
De casus gaat over een werknemer en niet een werkneemster. Niet dat dat verschil zou mogen uitmaken, maar een advocaat zou wat zorgvuldiger moeten zijn. Dat brengt me op het volgende punt: Jury rechtspraak?
De vraag stellen wordt beantwoord door uw eigen onzorgvuldigheid. Liever geen ongeletterden die mogen oordelen.

Xtisie Auteuil

Nergens in dit artikel lees ik over de sexuele geaardheid van de beide mannen. Zijn beiden homo? Is de klager homo, de directeur hetero? Of net omgekeerd? Voelt de homo zich gekleineerd, of de hetero zich in zijn ‘mannelijkheid’ geraakt? Odf dat juridisch een verschil maakt? Wel als het ineens een geval van discriminatie betreft. Of gaat het hier om een homo die nog in de kast is en dus een zevenjarig steekspel rond een conflict uitvecht zonder tot de kern te durven of willen doordringen? Voer voor psychologen.

Evenmin duidelijk is hoe de twee elkaar zijn gaan zien na jaren van samenwerking. Een voorlichtingsmedewerker zal geregeld contact hebben met een directeur. Er moet dus al een zekere werkrelatie hebben bestaan. De ‘pH’ van die relatie zal er wellicht alles toe hebben gedaan dat hier zoveel juridische onzin aan werd verspild, wederom zonder tot de kern van de zaak door te dringen……

Sjuul van Dissel

Geachte heer Cees Nierop #3
Werd het niet eens tijd om dit [...] los te laten op de Wet Werk en Bijstand. Dit graag met intrinsieke rechtvaardigheid van het rechtspraaksysteem naar die, zoals u zegt, lager opgeleide werknemers die bijvoorbeeld (…) actief zijn (in mijn voorbeeld waren en/of worden) in autogarages. Hoe krijgt u het [...] uit uw vingers. Alleen maar om uw stokpaardje te plezieren? Ik kan een schandalig afgeraffelde zaak met u bespreken die zeker geen juryrechtspraak behoeft. Maar wel een snelle en zorgvuldige rechtspraak. Het kan wezen dat deze mislukte grap zaak uw belangstelling heeft, en die van de rechtstaat. Maar er zijn echt belangrijker zaken te behandelen die meer recht hebben op een snellere en zorgvuldigere behandeling.

Rikki Holtmaat

De Hoge Raad der Nederlanden maakt duidelijk een misslag met het arrest dat zo knap door Folkert Jensma is samengevat. Een kleine toevoeging: het slachtoffer stelde dat hij zo heftig emotioneel reageerde op het incident omdat het bij hem een oud trauma blootlegde: hij was als 12-jarig jongetje door een priester seksueel misbruikt. De stelling waar het in cassatie om ging was dat het Hof Amsterdam dit feit niet buiten beschouwing had mogen laten, terwijl het Hof (zogenaamd: want ik kan dat niet lezen in het arrest!) wel rekening gehouden zou hebben met de bedoeling van de pleger (nl dat het slechts een ‘grapje’ was).
Dat de gevoelens van het slachtoffer er niet toe doen heeft de regering bij de opstelling van de door Jensma geciteerde definitie van seksuele intimidatie inderdaad uitdrukkelijk bepaald. Het woord ‘ongewenst’ dat wel in de Europese definitie voorkomt is namelijk bewust niet overgenomen, juist om uit te sluiten dat alleen sprake zou kunnen zijn van seksuele intimidatie als het slachtoffer uitdrukkelijk te kennen geeft dat de gedragingen ongewenst zijn. Maar de wetgever heeft ook gesteld dat de intentie van de pleger er evenmin toe doet.
In de definitie komt dat tot uitdrukking door de formulering ‘met als doel of gevolg dat…’. Als objectief gezien het gevolg kan intreden dat de waardigheid wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, et cetera, situatie kan ontstaan, dan moet de rechter constateren dat aan de definitie van seksuele intimidatie is voldaan. Het Hof had geconstateerd dat van dat laatste geen sprake was: gezien de context waarin het incident plaatsvond (in een publieke ruimte, in aanwezigheid van veel collega’s) en het eenmalige karakter ervan was geen sprake van een bedreigende (etc) situatie. Dat de aanraking ‘met een seksuele connotatie’ (het ‘billenknijpen’) voor het betreffende slachtoffer gezien zijn jeugdtrauma heel bedreigend was maakt het in het algemeen, d.w.z. objectief gezien, nog niet tot een bedreigende handeling. Daarvoor is nodig dat de gedraging in zijn context wordt bekeken, zoals het Hof terecht deed.

Het lijkt typisch juridisch geneuzel, maar het is een essentieel punt van discussie. Laat je toe dat de gevoelens / bedoelingen van partijen een rol spelen bij de beoordeling van de feiten dan subjectiveer je het begrip seksuele intimidatie en schep je ruimte voor eindeloze debatten in de rechtszaal over het gevoelsleven/de intenties van partijen. Iets waar geen enkele rechter op zit te wachten, zou ik denken.
Een vraag die wel op komt is of we gelukkig moeten zijn met de definitie van seksuele intimidatie die de regering in 2006 heeft overgenomen uit Europese richtlijnen op het terrein van de gelijke behandeling. Daarvoor hadden we vanaf 1994 een definitie in de Arbeidsomstandighedenwet die naar mijn idee veel ‘objectiever’ was, dat wil zeggen minder aanleiding gaf voor een subjectieve invulling door de rechter / door partijen. Tot overname van de Europese definitie was Nederland helemaal niet verplicht omdat Europa de lidstaten op dit punt juist alle vrijheid laat.

Tot slot nog dit: Dat seksuele intimidatie bij het slachtoffer bijna altijd leidt tot wat Theo de Roos ‘secundaire victimisatie’ noemt is bekend. Uit het juripsrudentieonderzoek dat ik heb gedaan (waarbij ik zo’n 300 rechterlijke uitspraken op dit terrein heb geanalyseerd) blijkt dat veel gevallen het slachtoffer uiteidelijk ‘het veld heeft moeten ruimen’. De andere kant van dat verhaal is dat ook de pleger jarenlang in juridische procedures betrokken kan worden en grote (reputatie)schade kan ondervinden van een misstap. Vergelijk Ruud Lubbers, die zijn baan als Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen er door verloor. Waarmee niet wordt goedgepraat wat de heren hebben gedaan. Het is een extra argument om vast te houden aan de norm dat seksuele intimidatie een objectieve normoverschrijding is, waarbij voor de beoordeling door de rechter noch de gevoelens van het slachtoffer noch de bedoeling van de pleger een rol behoren te spelen. Jammer dat de Hoge Raad dat niet heeft begrepen en de deur heeft opengezet voor het goedpraten van veel onsmakelijke grappenmakerij.

Rikki Holtmaat, hoogleraar non-discriminatierecht, Leiden

Eind december 2009 verschijnt bij Ars Aequi Libri – Nijmegen van de auteur: Seksuele Intimidatie: De Juridische Gids.

Van Schaik

Richtlijn 2002/73/EG ziet, ook blijkens de aanhef, op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen; zij strekt ‘tot wijziging van Richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden’

Het is derhalve niet onlogisch om vooreerst te concluderen dat de richtlijn er met name is om de vrouw te behoeden tegen vormen van benadeling die zouden kunnen voortvloeien uit het feit dat zij vrouw is, en zich bevindt in een van oudsher door mannen gevormde arbeidscultuur. Het lijkt dus op een eenrichtingsverklaring, waar mannen – op het eerste gezicht – niet geacht worden een beroep op te kunnen doen.

In artikel 2 van de richtlijn worden bij de definities van de begrippen directe en indirecte discriminatie, en van intimidatie, ook weer termen gebezigd die dit lijken te onderschrijven: “…op grond van geslacht…” (directe discriminatie), “……in vergelijking met personen van het andere geslacht…..”,(indirecte discriminatie) en “….gedrag dat verband houdt met het geslacht….”(intimidatie). Opvallend genoeg is dat bij de definitie van seksuele intimidatie niet het geval, echter omdat in artikel 3 onmiddellijk wordt bepaald dat seksuele intimidatie – net als intimidatie – beschouwd wordt als discriminatie op grond van geslacht, mag men zich de vraag stellen of het binnenhalen van de richtlijn in deze casus – die tenslotte geen betrekking heeft op een gedraging tussen personen van een onderscheiden geslacht wel zo gelukkig is. Zulks temeer omdat ook artikel 7:646
BW zo nadrukkelijk op het beginsel van gelijke behandeling in relatie tot het geslacht steunt, en onderscheid of benadeling (in vergelijking met het andere geslacht) op grond van o.a. seksuele intimidatie verbiedt.

Dit brengt mij tot de voorzichtige stellingname dat mannen onderling niet moeten zeuren. Noch daargelaten de vraag of wel sprake is van van enig onderscheid, als bedoeld in het 12e lid van artikel 7:646, en derhalve of op grond van dat artikel uberhaupt een vordering had kunnen worden ingesteld, is mijn voorzichtig oordeel dat het in deze casus kennelijk om het procederen zelf is gegaan, en dat 500 euro beloning daarvoor ook 500 te veel was.

Van Schaik

Sjuul van Dissel

Volgens de heer Cees Nierop #3 heeft het alles te maken met het hoog of laag opgeleid zijn van werknemers. Waar de hoogopgeleide een caberetteske situatie tijdens een feestje tot aan de Hoge Raad uitprocedeert om bovenop een toch wel zeer riante ontslagvergoeding nog een schadevergoeding te bekomen.
Volgens hoogleraar Rikki Holtmaat komt het allemaal door een pedohomoseksueele priester die meer dan 40 jaar geleden zijn (en nu wordt het speculeren).
Daar moet een laag opgeleide werknemer met een WWB (Wet Werk & Bijstand) inkomen genoegen nemen met dwangmaatregelen tijdens een tijdrovende procedure bij een Bestuursrechtbank die overbelast is met zulke zaken. Bij zo’n zaak liggen de trauma’s en schade’s evident en voor de hand liggend en actueel in het dossier besloten. Maar nee, een eervolle en acceptabele rechtsgang is voor die werknemer niet weggelegd. En dat nu is geen rechtspraak meer maar dat is klassejustitie in naam van de zogenaamde Christelijke en Liberale politiek. … Of is het het aloude Middeleeuwse gesol met horigen? Misschien overdrijf ik. Maar de trend is goed waar te nemen. Met in ieder geval mijn ogen, overduidelijk.
Een slopende procedure voor de ene catagorie, met door de dwangmaatregelen en stopzetting van het inkomen vernietigende afloop, ook al wordt uiteindelijk toch recht gedaan. En totale rechtsbescherming voor die andere catagorie waar tijdens hem of haar(s) ‘ziekengelduitkering’ en ontslagvergoeding een financieele consequentie van de zaak geheel wordt geëlimineerd.
¨….*

evert verhulp

De reactie van van Schaik geeft mij aanleiding tot de volgende opmerkingen.

Als is vastgesteld dat hier geen sprake is van seksuele intimidatie, ligt het aannemen van een schending van de daarop gerichte wettelijke bepalingen (art. 7:646 BW en de ‘achterliggende’ richtlijnen) niet meer voor de hand, nog los van de vraag of die bepaling van toepassing is nu de betrokkenen van hetzelfde geslacht zijn. Uiteraard kan een handeling die niet kan worden beschouwd als seksuele discriminatie desondanks onrechtmatig zijn, of voor zover de handeling de werkgever kan worden toegerekend, in strijd met goed werkgeverschap zijn (art. 7:611 BW), en deswege tot schadevergoedingsplicht leiden. Dat is de basis voor de aan de werknemer toegekende vergoeding.

Het standpunt dat mannen onderling niet moeten zeuren zou ik niet graag verdedigen, zeker niet in het algemeen. In deze zaak, waar het gaat om twee mannen die redelijk nauw samenwerken, op basis van een functionele gelijkwaardigheid, die zich ten opzichte van elkaar presenteren als heteroseksueel en waarvan wordt aangenomen dat ze wel meer pikante grapjes onderling maken, lijkt me het betoog dat de betrokken werknemer wel erg snel van slag is geraakt, hout te snijden. De achterliggende vraag van Van Schaik is of het verbod van seksuele intimidatie als bedoeld in art. 7:646 BW ook op intimidatie door iemand van een gelijk geslacht van toepassing is. Ik denk dat dat inderdaad het geval is, hoewel Van Schaik meteen moet worden toegegeven dat het artikel zich primair richt op gelijke behandelingen van mannen en vrouwen. Ik baseer mijn mening op de definitie van intimidatie en seksuele intimidatie in de leden 7 en 8, alsmede het in art. 7:646 lid 6 verwoorde verbod, die duidelijk niet aan geslacht zijn relateerd en op het gegeven dat een ‘gelijkgeslachtige’ seksuele intimidatie zeer wel denkbaar is en die zal met dezelfde normen moeten kunnen worden bestreden als die in het geval van ongelijke geslachten.

Evert Verhulp

M.J. Hoogendoorn

Een dure grap. Ik heb eens in de ANWB smartengeldgids opgezocht wat de directeur voor E.500,– aan lichamelijk letsel had mogen aanrichten (prijspeil 2004). Geval 925: Door twee mannen mishandeld met gummiknuppel en bouwschoenen. Gebroken neus, lichte beschadiging rechter oog, schaafwonden en kneuzingen op achterhoofd, borst, ribben en benen. Honkbalknuppel is tientje goedkoper, zie geval 923. Wel opletten dat men ondertussen louter geslaagde grappen uitroept.

Marlies Bos

Wat ik, als NMI gecertificeerd mediator, mis in het verhaal is de mogelijkheid van mediation (naast rechtspraak). De casus roept veel vragen op waarvan ik, zonder te willen speculeren, er gelijk twee belangrijke hier voor wil leggen:: hoe komt het dat het niet gelukt is het voorval de volgende dag uit te praten, wat maakte dat het excuus niet aanvaard is.
Een rechtszaak werpt licht op de zaak vanuit de wet, er is een pleger en een aanklager en er wordt gekeken naar de intenties van de pleger, zoals ik dat hier lees. Er is een eis, er is verweer, dit alles middels advocaten.
Mediation haalt het voorval, zover mogelijk is, even uit de context van de wet door de ruimte te scheppen voor twee mensen om het verhaal van hun conflict te doen. In eerste instantie, inderdaad, vanuit de eigen belevingswereld, die natuurlijk op geen enkele manier teniet gedaan kan worden en dat is ook niet het doel. Maar vervolgens is er voor de mediator de schone taak weggelegd het spotlight te verplaatsen en aspecten van het voorval dat in het donker is, te belichten door zonder oordeel, maar met belangstelling vragen te stellen.
Twee vragen zijn hierboven reeds omschreven, maar er is natuurlijk nog meer.
Welk doel heeft de werknemer met het in gang gezette proces en wordt dat doel ook bereikt? Welk doel heeft de werkgever met het excuus en is dat bereikt? Welke zaken in een voorgeschiedenis spelen eventueel een rol in de houding die de betrokkenen op zich nemen?

In een zaak als deze, waar sprake is van een voorval waarin een persoon voelt dat hem of haar geweld wordt aangedaan, zou men kunnen spreken van een specifieke vorm van mediation, namelijk herstelbemiddeling. Het gaat daarbij niet alleen om de schade te benoemen van het voorval en deze te compenseren maar ook helder te krijgen of het wenselijk geacht wordt de verhoudingen te herstellen, waarom wel en waarom niet, en wat daar dan van beide kanten voor nodig is.
De discussie over het invoeren van herstelbemiddeling staat ter discussie omdat deze vorm van mediation te vaak nog gekoppeld wordt aan strafrechtzaken, hetgeen absoluut niet het geval hoeft te zijn. Dit terzijde en deze reaktie dient niet om die discussie nu en hier aan te gaan.
Concluderend, een kundig en ervaren mediator, had in deze zaak een rol kunnen spelen om mogelijk erger te voorkomen….en wie weet, als de relatie hen, om welke reden dan ook het waard is, kan mediation alsnog een manier zijn bij te dragen aan herstel in de menselijke maat, of de arbeidsrelatie nu voortgezet wordt of niet.
Met mediation (naast rechtspraak), mits succesvol uiteraard maar ik waag mij eraan de kans op succes in een dergelijk geval groot te noemen, waren betrokkenen in ieder geval niet 7 jaar bezig geweest….