Uitspraak 25: de huisarts en de gescheiden ouders

Hoe ver moet een huisarts gaan met het raadplegen van gescheiden ouders bij de behandeling van hun kinderen?

Met een commentaar van NJB-medewerkers Aart Hendriks, hoogleraar gezondheidsrecht in Leiden, en Caroline Forder, hoogleraar Europees familierecht in Maastricht.


De zaak.
Een gescheiden vader daagt zijn voormalige huisarts voor het medisch tuchtcollege. Hij verwijt de dokter zijn kinderen te hebben behandeld zonder overleg. De dokter zou de kinderen zo aan (zijn) ouderlijk gezag hebben onttrokken. De arts overlegde alleen met zijn ex-vrouw die de kinderen naar het spreekuur bracht.

De feiten. Een echtpaar met twee kinderen, van 12 en 7, gaat scheiden. Hij verhuist en zoekt elders een huisarts. Het stel houdt echter nog bijna twee jaar gezamenlijk het gezag over hun kinderen. En de vader schrijft de dokter dat hij graag op de hoogte wil blijven van de ‘medische en psychische gesteldheid’ van zijn kinderen. Hij doet er een kopie van het vonnis bij en legt uit dat hij samen met zijn ex samen het ouderlijk gezag heeft.

De dokter laat eerst niks van zich horen, maar stuurt anderhalve maand later de medische gegevens van de kinderen aan de vader op. De dokter zegt erbij dat hij alleen wil overleggen met de ouder die het kind begeleidt naar de praktijk. Een jaartje later schrijft de vader opnieuw dat zijn kinderen niet zonder zijn toestemming behandeld mogen worden. Daar heeft de dokter zich in die periode niet aangehouden. Hij heeft de kinderen behandeld ‘voor de gebruikelijke aandoeningen die kinderen van die leeftijd kunnen hebben’ en stuurt een verslag over het afgelopen jaar.

Langs welke maatstaf legt het medisch tuchtcollege artsen?

Het gaat er om of de dokter bij zijn handelen bleef binnen de grenzen van een ‘redelijk bekwame beroepsuitoefening’, rekening houdend met de stand van de wetenschap en met wat onder artsen als norm was aanvaard.

Wat is het verweer van de dokter?

Die zegt dat het ‘gebruikelijk’ is in een huisartsenpraktijk alleen met de ouder die meekomt te overleggen over de behandeling. Het is ‘ondoenlijk’ om steeds de gescheiden ouder erbij te betrekken. En de dokter zegt hij dat twee keer met de artsenorganisatie, KNMG, contact heeft gehad. De dokter vindt ook dat hij de vader voldoende heeft geinformeerd. Het tijdsverloop vond hij ‘niet onredelijk’.

Hoe oordeelt het Tuchtcollege?

De arts had de vader niet mogen passeren. Zeker niet nu deze hem expliciet vroeg te overleggen als zijn kinderen op het spreekuur verschenen. Het College gelooft niet dat de KNMG de huisarts zou hebben geadviseerd anders te handelen. De wet is duidelijk. Na echtscheiding moeten beide ouders als ze het gezag delen toestemming geven als hun kinderen behandeld worden. De tuchtrechters vinden de praktische problemen niet onoverkomelijk. Al was het maar omdat de huisarts zelf vertelde dat hij in zijn praktijk maar een zo’n geval had. De huisarts had ook eenmalig een algemene toestemming kunnen vragen voor hulp ‘van niet ingrijpende aard’ aan de kinderen. Dat de dokter er nogal lang over deed om de vader te rapporteren vond het College ‘niet verwijtbaar’. De arts krijgt een waarschuwing, die wordt gepubliceerd in drie medische tijdschriften en de Staatscourant.

Lees hier de uitspraak. Hier de website van de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg.

En hier meer algemene informatie over het toestemmingsvereiste van ouders bij behandeling van hun kind.

Geplaatst in:
Personen- en familierecht
Tuchtrecht
Lees meer over:
arts
echtscheiding

16 reacties op 'Uitspraak 25: de huisarts en de gescheiden ouders'

NJB-medewerker Aart Hendriks, hoogleraar gezondheidsrecht in Leiden

Juridische en maatschappelijke context. Voor de medische behandeling van kinderen onder de 16 jaar is volgens de wet (tevens) de toestemming van beide ouders nodig. Bij een verschil van inzicht tussen de ouders is het aan de kinderrechter om te beslissen. Bij de huisarts komen kinderen in de regel met één ouder. Dit roept de vraag op of de huisarts in die gevallen dan mag varen op de toestemming van deze ouder dan wel moet nagaan of de niet-aanwezige ouder mede instemt.

Bij problemen tussen de ouders dringen ouders er regelmatig op aan de andere ouder niet te consulteren, verzoeken zij de huisarts om een verklaring om de omgang tussen de kinderen en de andere ouder te beperken of stelt de ouder die het kind begeleidt dat hij/zij alleen met het gezag is bekleed. De huisarts dreigt dan onderdeel van het conflict te worden.

Belang van uitspraak. De tuchtrechter oordeelt dat een huisarts de met gezag bekleedde ouder niet zomaar mag passeren, zeker niet als deze de arts expliciet heeft gevraagd om overleg bij een voorgenomen behandeling. Ook moet een huisarts een met ouderlijk gezag bekleedde ouder desgevraagd informeren over de gezondheid van zijn kinderen. Het opstellen van een medische verklaring met een waardeoordeel is, zoals bekend uit eerdere uitspraken, nooit toegestaan.

Les voor huisartsen. Ga, zeker bij behandelingen met onomkeerbare effecten zoals besnijdenis, niet te snel af op de mening van één van de ouders. Raadpleeg eventueel het gezagsregister (gratis bij de rechtbank). Ga niet in op verzoeken om een medische verklaring. Een behandelend arts mag geen waardeoordelen geven over zijn patiënten. Deze uitspraak doet niet af aan het belang om kindermishandeling te melden.

Overig. Uitspraken van de tuchtrechter – die de kwaliteit van de beroepsuitoefening moet waarborgen – laten zich niet altijd even makkelijk lezen. Bovendien worden uitspraken van regionale tuchtcolleges nogal eens door het centraal tuchtcollege (CTG) volstrekt anders beoordeeld (pragmatischer dan wel principiëler), zonder deugdelijke onderbouwing en zonder verwijzing naar eerdere uitspraken. Dat maakt dat tuchtrechtelijke uitspraken tot op zekere hoogte onvoorspelbaar zijn.

In een recente uitspraak van het CTG wekt het college zelfs de indruk niet bekend te zijn met de nieuwe meldcode kindermishandeling van artsenorganisatie KNMG (CTG 11 december 2008, nr. 2007/083, Medisch Contact 2009, p. 69, Stcrt. 2009, 7). Dit doet afbreuk aan het doel van de tuchtrechtspraak en roept de vraag op of tuchtrechters, net als medische beroepsgenoten, geen bijscholing moeten volgen.

NJB-medewerker Caroline Forder, hoogleraar Europees familierecht in Maastricht

De familierechtelijke verplichtingen van de huisarts

Stel je eens voor. Het kind woont bij moeder. Vader woont elders. Als moeder het kind naar de huisarts brengt, piekert zij er niet over om vader hierover in te lichten. Reken er maar op dat moeder en vader met elkaar ook overhoop liggen over de alimentatieverplichting van vader en zijn recht om het kind te bezoeken. Het zijn de vechtscheidingen waarmee de rechtszalen volstromen. Ondanks imposante inspanningen van familierechters, onderzoekers van de raad voor de kinderbescherming en advocaten duiken de strijdende ex-partners steeds weer bij de rechtbank op om nieuwe conflicten uit te vechten. In deze zaak moet het ook zo geweest zijn. Weliswaar had vader vanaf de scheiding in januari 2004 het gezamenlijk gezag met moeder. Maar in november 2005 kreeg de moeder alleen het gezag van de rechter. Dat doet de rechter alleen indien de conflicten tussen de ouders zo ernstig zijn dat het kind eronder lijdt.

Een geschil over de bezoekregeling vechten moeder en vader onderling uit. Maar bij beslissingen over een medische behandeling wordt de huisarts ingeschakeld. Zelfs indien vader geen gezag heeft, is de arts in principe verplicht aan hem informatie over de medische behandeling van het kind te verstrekken. Indien vader wel mede het gezag heeft – zoals bij de ouders tot november 2005 het geval was – mag de arts het kind niet behandelen voordat vader zijn toestemming tot de behandeling heeft verleend. Door de familierechtelijke wetgever wordt de arts verplicht heel andere vaardigheden te ontwikkelen dan de medische waarvoor hij opgeleid is. Tussenkomst zoals door het tuchtcollege wordt geschetst is mogelijk, maar brengt de vertrouwensrelatie tussen moeder en arts in het gedrang. Wellicht gaat ze dan liever niet met het kind naar de arts toe.

De wetgever kan doorgaan met wetgeving over het gezamenlijk gezag van gescheiden ouders tot dat hij er suf van wordt. Maar het is zeer de vraag of de ouders hierdoor met elkaar zullen samenwerken, laat staan dat de situatie waarin het kind verkeert verbetert.

j.w. de Muinck Keizer

Helaas plaatst het medisch tuchtcollege zich weer
buiten de werkelijkheid, zoals het reeds vaker uit
de publicaties oa in het Medisch Contact blijkt.
De eisen ten aanzien van juridisch waterdicht handelen en verslaglegging zijn niet compatibel
met de dagelijkse praktijk.
Gaarne terug naar het Rijnlandse Model.

Dik van Leeuwen

Vanuit de positie van een jurist geredeneerd, kan ik me goed voorstellen dat de heer Hendriks samen met het tuchtcollege het waarschuwende vingertje heft tegen de overmoedige huisarts die het waagt de RECHTEN van deze gezaghebbende ouder met voeten te treden: juristen zijn de gehele dag bezig met hun juristerij en behoeven niet primair spreekuur te houden, waarin ze behalve het verlenen van medische hulp ook nog rekening moeten houden met allerlei, soms idealistische en irreële, wet- en regelgeving.

Als kinder- en jeugdpsychiater heb ik regelmatig met vergelijkbare situaties van doen. Mijn reactie op de eerste brief van deze vader zou zijn: “U heeft gezamenlijk gezag, dus ik ga ervan uit dat u samen in het belang van uw kind overlegt over nut en noodzaak van welke behandeling dan ook. Degene die als ouder het kind begeleidt naar mijn spreekuur treedt daar ook op namens de andere gezaghebbende ouder (of stelt de ander achteraf op de hoogte van een consult over een minder ingrijpende klacht). Bent u het daarmee niet eens (of krijg ik als arts de indruk dat de begeleidende ouder over de rug van het kind in kwestie alleen een eigen belang probeert te dienen), dan klopt er iets niet aan het voeren van het gezamenlijke gezag en zal er in het belang van het kind beoordeeld moeten worden of die gezagssituatie wel zo gehandhaafd kan blijven.” (lees: melding bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling)

Zou ik niet zo reageren op een dergelijke eis van de gezaghebbende ouder, dan zou ik op voorhand accepteren dat alle overlast/ extra belasting als gevolg van de keuzes (ruzies) van de ouders eenzijdig bij de behandelende arts terechtkomen. De aangeklaagde huisarts beweert misschien één geval in de praktijk te hebben (wat ik betwijfel), maar in de jeugd GGZ zijn deze “vechtscheidingen” helaas ruimschoots vertegenwoordigd en wil je gewoon je werk kunnen blijven doen, dan zal je je op tijd moeten verweren tegen een dergelijke eisende opstelling van een ouder, anders ben je vervolgens heel veel tijd kwijt met het eindeloos bellen, kopiëen sturen en dat weer goed vastleggen in het dossier, om vervolgens te constateren dat je die ouder toch net niet op tijd of voldoende uitgebreid hebt geraadpleegd en alsnog voor het tuchtcollege mag verschijnen.

Wat het laatste aspect betreft, het idealisme van de wetgever, denk ik dat mevrouw Forder het bij het rechte eind heeft als ze veronderstelt dat het hier om strijdende partijen gaat die elkaar op allerlei plaatsen in rechte tegenkomen om elkaar nog eens de oren te wassen en dat de wetgever geen ander gedrag kan afdwingen. De machteloze woede die de motor is van deze strijd, wordt door elke hulpverlener direct gevoeld en leidt gemakkelijk tot een te timide opstelling ten opzichte van deze ouders, die het liefst een kop willen zien rollen en als het niet die van de ex-partner is dan de jouwe! Ik denk dat de wetgever zich niet gerealiseerd heeft dat er bij het onterecht instellen van gezamenlijk gezag een perverse situatie ontstaat, waarbij de strijd tussen de ex-partners onverminderd doorgaat, maar nu nog duidelijker over de rug van het kind en dat de last daarvan ook nog eens overborrelt naar de hulpverleningsrelatie waarin het kind de aangemelde patiënt is.

In het belang van het kind: alleen gezamenlijk gezag instellen als dit absoluut uitvoerbaar is. Zo niet: het gezag laten bij de primair verzorgende ouder, of de ouder onder wiens dak het kind de meeste tijd doorbrengt, dat zal immers ook de ouder zijn die het meest geconfronteerd zal worden met de situatie dat er met het kind een dokter bezocht moet worden.
Overigens heeft ook een niet gezaghebbende ouder recht op informatie en consultatie, dus die blijft niet onwetend over zijn kroost achter.

Laatste hartekreet: welke (kinder)rechter durft het aan om dergelijke eisen van ouders die menen ergens recht op te hebben, (ook) te beantwoorden met de vraag hoe die ouders hun verplichtingen ten aanzien van het kind hebben vormgegeven?

B.M. Roessingh

Zoals het in de uitspraak staat ben je als huisarts dus verplicht om met de niet aanwezige ouder te overleggen over het voorschrijven van een paracetamolletje. Dat is toch niet werkbaar. Ik zie het al helemaal voor me: De wachtkamer zit vol, moeder met kind oorpijn in de spreekkamer, werkdiagnose OME, plan is paracetamol zn. Nu achterhalen waar de gezaghebbende vader zich bevindt, telefoonnummer van werkgever via inlichtingendienst zien te achterhalen, vader door chef laten opsporen, moet achter uit het magazijn komen etc etc. Allemensen, allemachtig, wat een gedoe, en dat allemaal voor een veelal onschuldige op de kinderleeftijd veel voorkomende kwaal.

Overigens wordt het verweerder wel extra aangerekend dat hij vader niet heeft geconsulteerd ondanks diens uitdrukkelijke verzoek daartoe. Maar de uitspraak, zoals gepubliceerd, laat helemaal de mogelijkheid open dat verweerder in de ogen van het tuchtcollege ook verwijtbaar gehandeld zou hebben als vader dit uitdrukkelijke verzoek niet had gedaan. Het worden nog zware tijden voor de (huis)artsen.

Henk Tjong

De uitspraken van de tuchtcolleges ook van het CTC zijn niet alleen onvoorspelbaar maar vaak ook onvoorstelbaar. Deze huisarts heeft alleen een kleine procedurele fout gemaakt, en is bekneld geraakt tussen 2 strijdende partijen.Ik vind dat hij buiten alle proporties gestraft is hiervoor. Als het nu ging om ingrijpende behandelingen, kon men zich wat meer bij voorstellen.
Ik ken genoeg gevallen en heb zelf ondervonden, dat een tuchtcollege en het centraal tuchtcollege, waar het duidelijk om wangedrag van specialisten ging, met opzettelijke foute adviezen, maar waarbij het R.T.C. en het C.T.C. alle zelfs wetenschappelijke bewijzen op zij geschoven heeft, en alleen maar op de verklaringen van de betreffende specialisten is afgegaan en nauwelijks enig onderzoek heeft gepleegd.
Maar ja, het betrof hier een Academisch Ziekenhuis,tegenwoordig Universitair Medisch Centrum genaamd.
Men kan rustig spreken van volstrekte willekeur bij de tuchtcolleges i.c. het Centraal Tuchtcollege.

mr drs R. Winter

Het is voor het eerst dat de tuchtrechters het medisch handelen van de arts aan de letter van de wet toetsen.

De vraag is wat het beroep is van de vader, die een tuchtklacht indiende. Ik schat in dat de vader een hogere maatschappelijke positie heeft dan de huisarts. Klassenjustitie is regel bij de tuchtrechters. De huisarts had kennelijk geen contacten in de vriendenkring van de tuchtrechters.

Ik legde een zaak voor, waarbij de arts verschillende wetten overtrad, maar de tuchtrechters weigerden aan de wet te toetsen. De arts werd bijgestaan door KBS Advocaten, het kantoor van prof. Willemijn Kastelein, de hoogleraar Klachtrecht en patientenrechten van de Radbouduniversiteit. De tuchtrechter was haar collega, prof F. Van Wijmen, universiteit Maastricht, De beide hoogleraren sprongen in de bres voor de arts(drs), die verschillende wetten overtrad. Wanneer hoogleraren gezondheidrecht de wetsovertredingen van artsen goedkeuren en zowel als advocaat voor de arts en tuchtrechter fungeren, staat de gemachtigde van de patient nergens.

H.Raaphorst

Erg vreemde maatstaven houdt het tuchtcollege er op na.In vergelijking met de fouten die er worden gemaakt in de medische wereld is deze huisarts buitenproportioneel gestraft. Niemand is in gevaar geweest, de vader is later alsnog op de hoogte gesteld.Er worden waarschuwingen gegeven voor missers die mensen fysiek en psychisch beschadigd hebben en zelfs de dood tot gevolg hebben gehad.Of is het wellicht zo dat er een compleet andere maatstaf bestaat voor specialisten en dan vooral voor specialisten die werken bij de grote universitaire ziekenhuizen?

Dr.H.Tjong, chirurg in ruste

De reactie van mr.drs Winter is mij uit het hart gegrepen. Wat ik heb meegemaakt tart evenals haar ervaring iedere beschrijving.
Bij mij ging het om een geheel ondoordachte en waarschijnlijk uit ballorigheid gegeven advies tot een totale colectomie (verwijdering van de hele dikke darm). Terwijl 4 jaar daarvoor in een toonaangevend tijdschrift al 2 grote geruchtmakende artikelen stonden, dat bij de aandoening die ik had, dat helemaal niet nodig is. En de jaren daarna tot heden toe wordt deze richtlijn nog steeds en in nog sterkere mate gehanteerd. Ook op het congres waarop een van de verweerders zich heeft beroepen is dit aan de orde geweest. Hij had niet verwacht dat ik het congres verslag heb opgevraagd. Ik heb hem ook hiermee geconfronteerd en tevens een hele stapel literatuur opgestuurd naar het RTC en later ook naar het CTC, maar deze is totaal terzijde geschoven.

Over contacten bij de tuchtcollege het volgende:
Bij het R.T.C. werd nog de schijn opgehouden van een echt proces. Alleen bleek achteraf dat de hoofdrolspeler (een medicus) van het college een buitengewone staflid was in de zelfde vakgroep van de verweerders van het Academisch Ziekenhuis. En werd ik van verschillende kanten vanuit het college aangevallen op mijn klachten.
Tijdens de zitting van het C.T.C. was de toon helemaal vijandig. (evenals tijdens de zitting voor de klachtencommissie van het ziekenhuis, (overigens ‘een wassenneus)’. Bij het C.T.C. kreeg ik de stellige indruk dat IK terechtstond, ipv de verweerders. Kennelijk werd mij kwalijk genomen dat ik als arts het lef had een klacht in te dienen tegen specialisten van een Univ.Med.Centrum. Mij werd het vuur aan de schenen gelegd, metname door één van de medici (een hoogleraar in dezelfde vakgroep als die van de verweerders, afkomstig van een belendende Academisch ziekenhuis). Hij probeerde mij steeds te laten ‘bekennen’ dat de angst waarin ik als patiënt heb verkeerd wel mee moet zijn gevallen, omdat ik toch moet hebben geweten dat een aandoening in het voorstadium van kanker wel erg meevalt en maar heel langzaam groeit. Nee dus..dit was pure intimidatie.
Ook werd er geen acht geslagen op het feit dat 3 van de verweerders zonder kennisgeving afwezig waren. En 2 medestanders (waarvan een medeslachtoffer van dit zelfe ziekenhuis) van mij moesten zich legitimeren. Men was kennelijk bang voor de pers.
Ondanks mijn smeekbede om in ieder geval aandacht te besteden aan de door mij ingebrachte medische literatuur, zal later bij de uitspraak blijken dat dit helemaal nagelaten is, en zij van mening waren dat ‘ik volgens de geldende internationale normen ben behandeld’.
Ook mijn klacht, dat ik geen inzage mocht hebben in mijn medisch-dossier, ondanks dat ik na afspraak speciaal naar het ziekenhuis geweest ben, en tot 2 maal toe naar gevraagd heb, werd afgewezen omdat ik ‘nagelaten heb met klem duidelijk te maken aan de betrokken arts dat zij in overtreding was’.
De reden waarom ik mijn medisch dossier heb willen inzien, was om te weten te komen wat de reden was van het totale foute advies. Dit is voor mij tot nu toe nog steeds een grote vraag. Ik hou het maar op baldadigheid.
Mij werd verdere behandeling geweigerd, omdat ik mij niet heb willen onderwerpen aan de zware mutilerende ingreep, wat zeker mijn dood was geweest.Ik heb toen verzocht om voorlopig te volstaan met die minder grote ingreep, maar door de arts werd mij klip en klaar duidelijk gemaakt ‘geen sprake van, het is het één of het ander’. Ook deze gang van zaken werd door de beide colleges in twijfel getrokken. Omdat de betrokken arts ‘een andere lezing over het gebeurde had’.
Ik heb me toen noodgedwongen tot een ander ziekenhuis moeten wenden, waar de kleine ingreep zonder enig probleem verricht is. En ik nu 7 jaar na dato nog gelukkig in het bezit ben van een goed functionerende dikke darm.
Ondanks dat ik herhaaldelijk betoogd heb dat ik als patiënt en niet als arts de klachten heb ingediend, werd in de uitspraak benadrukt dat ik als arts, gezien mijn medische kennis, medeverantwoordelijk ben voor al wat mij is overkomen, of zou overkomen als ik mij had onderworpen aan die grote ingreep.
Opvallend was tijdens de zitting van het C.T.C. dat geen enkele vraag gesteld werd aan de verweerders. En ook werd mijn spreektijd tot een minimum beperkt.
Ik kan daarom volledig meegaan met het woord ‘klassenjustitie’ van mr.drs. Winter.

H. Zijlstra

Ik lees uit de reacties dat er direct wordt gereageerd op de praktijk werkzaamheden terwijl de essentie gaat om het informeren. U zult begrijpen dat voor een paracetamolletje deze verplichting niet geldt maar dat dit slaat op andere medische behandelingen. Daarenboven was de betreffende arts gewaarschuwd doordat de andere ouder contact met hem had gehad. Bij doorverwijzingen en of andere medische ingrepen is er toestemming benodigd van beide ouders.

Een troost niet alleen huisartsen vergeten dit vaker, ook gezinsvoogden van jeugdzorg en scholen hebben als regel niet de andere ouder te informeren in plaats van dat dit uitzondering is. U treedt daarmee allen in de persoonlijke levenssfeer en ontneemt een ouder hiermee de mogelijkheid zijn gezag uit te oefenen. En dat weegt zwaarder als de interne bedrijfsvoering aan te passen om dit te voorkomen, want dat kan met een formuliertje.

cobi boer

Deze uitspraak, berisping, van het medisch tuchtcollege vind ik schokkend, voorbijgaande aan de medische praktijk van alle dag. U doet ons artsen hiermee groot onrecht!
Belangrijkste punt lijkt mij dat betreffende ouders niet communiceren over het welzijn hun kinderen, en dit conflict wordt uitgevochten over de rug van een huisarts. Ouders die onderling niet kunnen communiceren over het lichamelijke en geestelijke welzijn van hun kroost verdienen een berisping!
Waarom ging vader zelf niet met kinderen naar de huisarts, indien hij zich zo betrokken voelde?

De geloofwaardigheid en betekenis van het medisch tuchtcollege wordt door zo’n omstreden uitspraak ernstig beschadigd.

Matthijs Staller

Huisarts trekt verwijzing in op verzoek van hulpverlener
Kindermishandeling is een omstreden term. Vermoeden van is al voldoende om wat heet een kinderbeschermende maatregel op te leggen. In theorie lijkt dat heel mooi, in de praktijk is dat heel anders.
Een kind ouder dan twaalf jaar heeft als minderjarige het recht om bij de rechter de eigen voorkeur voor de ouder waar het het hoofdverblijf wil hebben kenbaar te maken. Nederland heeft het verdrag kinderrechten van de VN ondertekend. Het lijkt goed geregeld. Dat hebben van een voorkeur lijkt mooi, maar in Nederland heeft men daar een trucje op gevonden. Dat hebben van een voorkeur wordt alleen naar gehoord als er GEEN ‘kinderbeschermende maatregel van kracht is’. Dat MAAR is een machtig wapen in een scheidingsprocedure. In de praktijk betekent dat als je als vrouw zelf zorgt voor voldoende trammelant er helemaal niet meer naar dat kind geluisterd hoeft te worden. Als je je eigen kind – in dit geval was dat een hoogbegaafd meisje van 12 jaar, wat toen in de tweede klas van het gymnasium zat – voldoende provoceert en als je er voor ‘geleerd’ hebt hoe je dat moet doen – in dit geval was moeder zelf cum laude afgestudeerd in de orthopedagogiek. Dan kan diezelfde moeder haar eigen kind aanmelden bij een maatschappelijk werkster van Bureau Jeugdzorg als ‘onhandelbaar’, om daarmee in aanmerking te komen voor ‘hulp’ van datzelfde maatschappelijk werk.
Die zogenaamde ‘noodzakelijke’ hulp betekent in dit geval niets anders dan ‘weg vrije keus’. Als diezelfde dochter dan het lef heeft naar het politie bureau te gaan, omdat ze even afstand wil nemen, wordt er in ‘het systeem’ gekeken en kan de ‘onhandelbare tiener’ netjes op de gang gaan zitten wachten totdat moeder haar komt halen. Naar haar wordt niet meer geluisterd.
Voor een hoogbegaafde tiener tweede klas gymnasium is dit wel erg frustrerend en bedreigend. Thuis bij moeder gaan de bedreigingen gewoon door. Dochter kiest ervoor om twee weken nadat er een nieuwe ‘kinderbeschermende maatregel’ van kracht geworden is, toch maar zelf om hulp aan te kloppen bij de huisarts. Ze wil graag ZELF gehoord worden. Uiteindelijk schrijft de huisarts op haar verzoek een verwijzing uit. Het was haar eigen verzoek. Vader had haar naar de huisarts gestuurd. Moeder had zelfs ter elfde ure ingestemd met deze vorm van hulp.
Niets van dat alles. De hulpverlener waarnaar de dochter verwezen was, een christelijk GGZ-instelling (het Eleos), wou van deze vorm verwijzing niets weten. Hij wou niet buiten Bureau Jeugdzorg om handelen. De betreffende huisarts besloot op verzoek van die hulpverlener de verwijzing weer in te trekken. De huisarts praktijkhouder collega was van mening dat de andere vorm van hulpverlening via het maatschappelijk werk meer ‘passend’ was.
Zonder overleg met de dochter, noch overleg met de vader te voeren werd de verwijzing ingetrokken en kon er geen individuele hulp meer gestart worden.De betreffende huisarts, die eerst een verwijzing voor individuele hulp had gegeven, trok op verzoek van de hulpverlener van moeder de verwijzing in.

Later werd er gezegd dat vader de andere ‘noodzakelijk hulp’ had tegen gehouden en dat op grond daarvan de dochter onder toezicht geplaatst moest worden. Nu kon niet de huisarts, maar de gezinsvoogd bepalen wat het beste voor haar was. Systematisch was dochter op deze manier monddood gemaakt en werd haar een fundamenteel kinderrecht ontnomen.

Ik ben van mening dat de betreffende huisarts door te handelen buiten vader en dochter om het recht van vader als mede-gezaghebbende ouder genegeerd had. Dit komt overeen met de procedure klacht-waardig in uw artikel
Matthijs Staller (vader van X, nu 13 jaar)

drs J. Westgeest

Ik vind de uitspraak zeer schokkend. De huisarts wordt de dupe omdat de ouders niet in staat zijn hun kind op te voeden. Dat betekent dus dat de scheiding niet alleen effect heeft op het kind maar ook op zorginstanties. Dit gaat naar mijn mening veel te ver. Ouders moeten zelf in staat zijn hun kinderen op te voeden en moeten samen overleggen wat te doen in geval van bezoek aan de huisarts. Het geeft eerder aan hoe incompetent de ouders zijn dan hoe incomptent de huisarts is. Het medisch tuchtcollege laat ook zien dat ze geen vertrouwen hebben in de huisarts, dat vind ik schandelijk. Ik ben het overigens helemaal eens met Cobi Boer.

Henk

Uit de reacties die ik hier lees schaam ik me bijna voor mijn vakgenoten.

Het koeieneren van de essentie van dit probleem vind ik onze beroepsgroep niet waardig. Tendentieuze voorbeelden o.g.v. informatieplicht omtrent paracetamol vind ik buitenproportioneel; iedereen weet dat het hier niet om gaat.

Het gaat hier om het welzijn van het kind. Dat is ons vak, onze missie. Een kind heeft zowel een vader als een moeder nodig. Het is niet aan de arts de keuze tussen deze twee te maken.

Als een vader of moeder om informatie vraagt, hoe moeilijk is het dan om dit te geven? Bejaarde mensen vragen dikwijls wel een tien keer dezelfde vraag; ook deze beantwoorden we tien keer om het welzijn van de (bejaarde) medemens.

kirsten zagt

Wat ik mij afvraag is in hoeverre sommige schrijvers hierboven denken dat je, door het toewijzen van eenhoofdig gezag aan de verzorgende ouder, de frustraties van een niet verzorgende ouder kunnen wegnemen. Immers de informatieplicht blijft dan gewoon bestaan. Een dergelijke maatregel kan juist leiden tot escalatie.
Ik denk zelf dat een huisarts zich moet afvragen hoe het komt dat een niet verzorgende ouder een informatieverzoek indient. Kennelijk omdat de andere ouder geen informatie verstrekt. Informatie verstrekken is een wettelijke plicht primair van de verzorgende ouder. Die doet dat dus niet.
Veel effectiever zou zijn om de niet informerende ouder het gezag te ontnemen en de verzorging en informatievoorziening aan die ouder over te laten die in het belang van de kinderen wel bereid is samen te werken.

Steef Hoogendam

Zelf heb ik ruim 20 jaar als maatschappelijk werker gewerkt voor vrijwel alle soorten Jeugdhulpverleningsinstellingen. De laatste 15 jaar uitsluitend met gezinnen met complexe problemen. Sinds 2004 ben ik een gescheiden, gezaghebbende ouder en worstel ik prive met dit probleem. Vader en moeder hebben voortdurend strijd en de kinderen zijn de dupe. Ik ben nu al 6 jaar aan het strijden tegen het onrecht dat door professionals, van welke aard, structureel aan vaders wordt aangedaan. Bij conflictueuze scheidingen, horen instanties vaders structureel niet, zwijgen deze voortdurend dood, en leggen structureel hen het zwijgen op zodat ze voortdurend worden ontkend. (negatieve discriminatie) Dat is reden voor een trauma. Los voor wat het voor de kinderen betekent. Daar is de ellende niet te overzien. Dit ondanks het gedrag van de moeder dat voortdurend wordt goedgepraat (positieve discriminatie). Reactie van een vader, zoals zeer velen hem zijn voorgegaan.
a. Blijven strijden (jarenlang) voor recht wat altijd wordt afgedaan of als stemmingmakerij wordt afgedaan.
b. De strijd opgeven.Wat vele vaders uiteindelijk doen. We hebben in NL toch een krom rechtsysteem
c. De strijd opgeven en emirgreren. Wat ook vele vaders uitendelijk doen.
Ik durf te stellen dat Jeugdhulpverlening, juist door de structurele ontkenning en bagetalisering van het probleem van het niet kunnen van vaderschap, juist de oorzaak ervan is dat kinderen (identiteit) en vader (trauma)in de problemen komen. Onze samenleving betaalt de problemen van de kinderen. De problemen van vaders wordt geisoleerd en geindividualiseerd en neergelegd bij uitsluitend “die lastige” vader.

Volg nrc.nl op en , lees onze dagelijkse nieuwsbrief