Belangrijk: Voor het goed functioneren van nrc.nl maken wij gebruik van cookies (meer informatie).
Hiervoor hebben wij wel eerst je toestemming nodig. Klik op de groene knop als je hiermee akkoord gaat.

Uitspraak 24: de plundering van een databank met gedichten

Mag je een gedichtendatabank van een ander gebruiken om daaruit een eigen verzameling te maken? Bescherming tegen kopieren bestond al. Nu ook tegen het overnemen van het idee.

Met een commentaar van NJB-redacteur, hoogleraar recht en informatisering Corien Prins


De Zaak. Een uitgever publiceert een CD-rom met de titel “1000 gedichten die iedereen moet hebben”. Daarvan zijn er 856 precies hetzelfde als een bloemlezing die door een universiteit is gepubliceerd. Aan de selectie, uit 20.000, heeft een professor tweeenhalf jaar gewerkt – de (Duitse) universiteit gaf er 34.900 euro aan uit. En de professor bracht 1100 gedichten wetenschappelijk verantwoord bij elkaar.
De commerciele uitgever erkent de universitaire lijst als leidraad te hebben gebruikt. Er zijn een paar gedichten weggelaten en enkele toegevoegd. De universitaire lijst is ‘kritisch onderzocht’. De letterlijke tekst van de gedichten heeft de uitgever uit eigen digitale bronnen gehaald. Er is niets letterlijk gekopieerd. Maar het idee en de uitwerking van de bloemlezing zijn grotendeels overgenomen. De universiteit vindt de uitgever dat hun databankenrecht schond. De universiteit voelt zich auteur van een compilatie en ‘fabrikant van een databank’.
Wat staat hier op het spel? Toegang tot en exploitatie van informatie. Let op: in deze zaak was van copy and paste geen sprake. Het gaat hier over de databank als publieke informatiebron en naslagwerk. De rechter moet oordelen of het raadplegen en het een voor een overnemen van vrijwel de hele selectie de rechten schendt van degene die het als eerste en met moeite bij elkaar bracht.
Wat is hiervan het belang? Bij een ruimere uitleg is ook het idee van de collectie beschermd. Er wordt dan erkend dat de selectie zelf waarde heeft. Er zijn op internet heel veel sites die alleen uit lijsten bestaan: adressen, links, verwijzingen. Bij succes worden die nu snel nagedaan.
Wat zei de (Europese) rechter? Die gaf de universiteit gelijk. Het begrip ‘opvraging’ uit de wet verwijst naar elke toe-eigening van de gehele inhoud van een databank of een deel daarvan’. Het moet zijn ‘overgebracht’ op een andere drager. Maar of dat nu wordt gescand, gekopieerd, gedownload of met de ganzeveer wordt overgeschreven doet er niet toe. Dat de gegevens daarna anders zijn gerangschikt, ‘kritisch getoetst’ of bewerkt, maakt niet uit. Het hoeft ook niet om hele grote delen te gaan. Soms kan de eigenaar ook bescherming vragen tegen opvraging (overbrengen) van ‘niet-substantiele delen’.
Hoe verweerde de uitgever zich? Die vond dat de universiteit zich met de gedichtendatabank het eigendomsrecht op informatie toe eigende. Zo ontstaan er monopolies of machtsposities bij databanken die misbruik in de hand werken. De rechter vindt echter dat de universiteit de databank voldoende toegankelijk houdt. Ook anderen kunnen de lijst raadplegen.
Hoe moeten nationale rechters de wet voortaan toepassen? Rechters moeten bij dit soort conflicten kijken of er een substantieel deel van de inhoud van een databank, kwalitatief of kwantitatief is overgebracht. Als het om een kleiner deel gaat: is dat zo vaak en systematisch gebeurd dat er sprake is van een reconstructie van de oorspronkelijke database? Dan had toestemming gevraagd moeten worden.
Lees hier de uitspraak van het EU Hof in Luxemburg. Hier de conclusie van advocaat-generaal Sharpston die mede aan het oordeel ten grondslag lag.

Hier en hier een weblog van een advocatenkantoor in Nederland en hier in het Verenigd Koninkrijk. De uitspraak “changed the balance of power between the makers and the users of databases”.

Reageren? Nuanceren en argumenteren verplicht. Niet anoniem.

Geplaatst in:
Civiel recht
Lees meer over:
auteursrecht
EU Hof Luxemburg

5 reacties op 'Uitspraak 24: de plundering van een databank met gedichten'

Corien Prins, hoogleraar recht en informatisering, redacteur NJB

Je laten inspireren, goedkoop na-apen of klakkeloos kopiëren. Het onderscheid doet er na deze uitspraak in feite niet meer toe. Het is allemaal in strijd met het databankenrecht. Simpel doorvoeren van min of meer dezelfde selectie als in de oorspronkelijke databank vormt gewoon een inbreuk op een databankrecht. En daarbij maakt het dan niet meer uit of de tweede maker de inhoud direct heeft gekopieerd vanuit de eerdere databank (klakkeloos kopiëren) of dat hij de moeite heeft genomen de informatie ergens anders (openbare bron) vandaan te halen. Bijvoorbeeld nadat hij zich door de eerste databank had laten inspireren. De uitspraak is in ieder geval een duidelijk signaal aan alle websites met overzichten van uitstapjes, films, restaurants, etc. die voortborduren op het eerdere succes van anderen. Zorg dat je je flink van dat eerdere initiatief onderscheidt !

De uitspraak zet een volgende stap in het verder verduidelijken van de vele open normen die het nog jonge databankenrecht rijk is. In dit geval een stap richting uitbreiding van het beschermingsbereik: de term ‘opvragen’ wordt aanzienlijk opgerekt. Maar de wet dijt niet altijd uit. In ons land maakte de rechtbank Amsterdam precies een jaar geleden een einde aan de databankambities van veel overheidsinstanties. In de procedure tussen Landmark Nederland B.V. en het College van B&W van de gemeente Amsterdam interpreteerde de rechtbank op 6 februari het eveneens nogal open geformuleerde investeringsvereiste van de databankenwet. Tot grote teleurstelling van de gemeente, en met haar vele overheidsinstanties, oordeelde de rechtbank dat nu de gemeente de databank met publieke middelen had gemaakt, en er daarom geen sprake was van een risicodragende investering. Aan Amsterdam kwam geen databankrecht toe. En datzelfde geldt natuurlijk voor heel veel databanken van de overheid. Er is dus nog hoop voor de na-apers onder ons: laat je vooral door een succesvolle overheidswebsite inspireren!

M.J. Trapman

Ik zie hier toch wel een probleem. Het gaat hier om een wetenschappelijk lijst van de ‘belangrijkste gedichten’, vastgesteld door een wetenschapper in overheidsdienst. De aanduiding ‘wetenschappelijk’ betekent dat de onderzoeker zegt dat hij hier een min of meer objectieve waarheid beschrijft, hetgeen inhoudt dat, als een ander hetzelfde onderzoek herhaalt, hij of zij met ongeveer dezelfde lijst zou komen. Het gaat hier, kortom, om de waarheid. Als een andere wetenschapper nu onder dezelfde noemer met een radicaal andere lijst zou komen, betekent dit dat één der beide wetenschappers knoeiwerk heeft verricht.

Vergelijk het periodiek systeem der elementen: indien ik deze lijst van elementen zou herhalen, ben ik nu dan ook strafbaar?

We moeten dus echt de pretentie van de bron in dit verhaal meenemen. Als Komrij zijn selectie uit de Nederlandse Poëzie publiceert, dan verricht hij daarmee een subjective daad, die een ander niet zonder meer mag kopieren: accoord.

Maar als een wetenschapper, en nog wel één in dienst van een met collective middelen gefinancierde universiteit, een lijst publiceert van op objectieve maatstaven gebaseerde ‘belangrijkste gedichten’, mag ik die bron dan niet gebruiken, – of zelfs , mòet ik die bron dan niet gebruiken als ik het, op zich lovenswaardige, initiatief neem om de 1000 belangrijkste gedichten weer eens onder de publieke aandacht te brengen?

Wordt hier niet een totaal verkeerd beroep op de auteurswet gedaan? Immers, de betreffende wetenschapper is niet de auteur (schepper) van deze lijst; hij is slechts degene die heeft onderzocht en vastgelegd hoe het ‘in werkelijkheid’ ìs. Anders dan bij Komrij valt over deze lijst ook wèl te discussiëren: als de betreffende wetenschapper het aantal citaten verkeer heeft geteld bijvoorbeeld, dan verandert de rangorde, of de samenstelling.

Een universiteit die zich ‘auteur’ van de door hem onderzochte werkelijkheid voelt, die zit denk ik op een totaal verkeerd spoor. Een spoor namelijk dat het begrip ‘auteur’, en daarmee ook het hele auteursrecht, uitholt en aantast.

W.R. van Dam, Leiden

Trapman begaat een grote fout door het voor te stellen alsof een wetenschap bestaat uit een aantal eenvormige analyses die alle tot dezelfde konklusies leiden. Dat geldt zelfs niet voor de natuurkunde, hoogstens voor de wiskunde en zeker niet voor de wetenschappen die zich met literatuur en kunst bezig houden. Een wetenschappelijk verantwoorde analyse in deze vakken is niet meer dan een persoonlijke mening die tot stand is gekomen met inachtneming van sommige regels die in die wetenschap gelden, maar dan wel binnen de school waar die geleerde toe behoort. Hieruit volgt dat iedere wetenschapper op eigen wijze tot verschillende wetenschappelijk verantwoorde resultaten zal komen en dat er niet een enkele konklusie, een wetenschappelijk eindpunt is waar iedereen toe zou moeten komen.
En waarom zou alles wat een hoogleraar op zijn vakgebied doet voor rekening van zijn werkgever moeten komen ? Mag hij ‘s avonds niet zelfstandig bezig zijn in zijn vak ? Zolang zijn publikaties niet vallen onder zijn leeropdracht of onder een research-kontrakt mag hij toch zeker wel te eigen bate publiceren ? Als hij niet mag hobbieën in zijn eigen vak, met het risiko dat er niets uitkomt, is het al gauw de dood in de pot.

Tjebbe van Tijen, conservator en archivaris UB Amsterdam en IISG

CULTUUR IS NEMEN GEVEN EN DOORGEVEN

Dat wat wij mensen ‘cultuur’ noemen is meestal een herschikking van bestaande elementen. Herhaling is een noodzakelijke voorwaarde voor het bestaan van cultuur, immers om culturele kennis gemeenschappelijk te kunnen delen moeten delen van die kennis al gekend zijn. Iets is gekend omdat het door de een ontdekt en uitgedragen en door anderen overgenomen en doorgegeven wordt. Cultuur is nemen, geven en doorgeven. Ontdekken berust op het combineren van waarnemingen, waarbij ‘iets’ altijd uit iets anders voorkomt in een oneindige opeenvolgende reeks. Na-apen, (aping) is de basis van alle cultuur. Op de titelplaat van een 17e eeuws boek over alle kennis van Micro- tot Macrocosmos staat midden in een wiel van kennis een aapje: “de natura simia”, waarmee de auteur Robert Fludd wilde aangeven dat de basis van alle kennis bestaat uit imitatie van de natuur. Creatie ‘ex nihilo’ is iets wat wij ons kunnen denken in scheppingsverhalen, maar dat behoort tot het auteursrecht van God en valt buiten ons menselijk besef. De gerechtelijke uitspraak in Duitsland over het hergebruik van materiaal uit een databank met gedichten gaat enkel over ‘creatio ex materia’, een creatie uit reeds bestaand materiaal.

De basis van op schrift gebaseerde culturen – zoals de Europese – bestaat uit schrijven en overschrijven. Lang voordat er professoren waren die knip en plak plukkend door velden met duizenden computerteksten dwalen om zo hun bloemlezing via het internet openbaar te maken, bestonden geen gedrukte bloemlezingen en studieboeken, laat staan on-line databases. Dat wat wetenswaardig werd geacht werd met de hand opgeschreven of overgeschreven, van de hypomnemata (notieblok) van de Grieken en Romeinen tot de middeleeuwse florilegia en de met de Renaissance algemeen gebruikte ‘common place books’ . Deze overgeschreven geheugensteunen vormden – voordat er leerboeken waren – de basis voor wat uiteindelijk ons universitair onderwijssysteem is geworden. Het meeste dat wij tot ons culturele erfgoed rekenen is niet direct, maar indirect tot ons gekomen. Hadden ooit auteursrechtelijk barrières zoals die nu door de informatie-industrie opgeworpen worden bestaan, dan was ons gekend verleden vele malen minder minder rijk en geschakeerd. Met de opkomst van de drukpers ontstonden naast deze persoonlijke memoranda ook vermenigvuldigde citatenbundels en andere verzamelwerken. Met hink-stap-sprong door de tijd gaand kunnen we zeggen dat de praktijk van het hedendaagse webblog in die hiervoor geschetste lange traditie staat.

Het huidige copyright of auteursrecht is terug te voeren tot de eerdere ‘privilegiën’ (kopijregt) die bepaalde uitgevers (meestal niet de auteur) wisten te bedingen bij de plaatselijke machthebbers voor een meestal zeer beperkt gebied alsook beperkte tijd (vijf tot tien jaar). Dit om gedane economische inspanning van het zetten, graveren, drukken en binden van een bepaald werk te beschermen tegen concurrenten. Het toekennen van een privilege had echter ook een andere, soms meer belangrijke functie, het was een controlemiddel om onwelgevallige publicaties te verhinderen. Vaak had men vooraf toestemming nodig om een bepaald werk het licht te doen zien. Rechten en plichten in het domein van copyright zijn tot op de dag van vandaag dusdanig verstrengeld dat het droombeeld van een bloeiende cultuur met gelukkige auteurs en blijde uitgevers die voor hun diensten aan de samenleving eerlijk beloond worden op basis van een rechtvaardig wetsstelsel, soms in gruizen valt. In het onderhavige geval gaat het zelfs niet meer om het beschermen van een primaire creatieve daad, een oorspronkelijke schepping, maar om een afgeleide daarvan, iemand die een digitaal florilegium van de Duitse dichtkunst heeft samengesteld, dat aan de openbaarheid heeft prijsgegeven, maar anderen ervan wil weerhouden om vrij in zijn opengestelde bloementuinen te plukken.

“1000 Gedichte, die jeder haben muss” heet de omstreden CD-ROM (al in het jaar 2002 in Berlijn gepubliceerd door uitgever Directmedia), gebaseerd op jarenlange arbeid onder leiding van van Professor Doctor Ulrich Knoop van de Albert-Ludwigs-Universität Freiburg. De omstreden gedichtenuitgave op CD-ROM betreft slechts een onderdeel van een veel omvangrijker website ‘Projekt Klassikerworschatz’. Dit onderdeel van de website betreft 1100 gedichten uit de periode 1730-1900. Curieus is dat de beschrijving van dit onderzoeksonderdeel vermeldt dat de basis van dit onderzoek bestond in de “Auswertung von 14 Gedichtanthologien”, alsook dat er gebruik gemaakt is van weer ander ‘voorwerk’ bestaande uit een bibliografie van 50 duitstalige gedichten bloemlezingen. (* zie link) Zouden de samenstellers van dit bronnenmateriaal dan weer niet op hun beurt de Universiteit van Freiburg een proces moeten aandoen omdat de eerwaarde professor – bibliografisch gesproken – nagelaten heeft ‘ex nihilo’ tot zijn gedichten corpus te komen? Als ik verder lees op de toegepaste werkwijze van het algemene project waar de gedichten databank een onderdeel van is dan kom ik op een pagina getiteld “Projektbeteiligung von Lesern”, op zich lovenswaardig en getuige van begrip voor de mogelijkheid van algemene deelname aan de wetenschap die onze tijd met onze media te bieden heeft, maar niet strokend met universitaire claims op ‘eigen auteursrecht’ over de gemaakte keuzes. De claim van de Universiteit van Freiburg op auteursrecht van de inhoud van hun ‘databank’ is benauwd en dom en kan gezien worden als ‘verduistering’ in plaats van ‘verlichting’. Algemene toegang tot alle kennis is iets waar Europese verlichte geesten als Conrad Gessner met zijn ‘Biblioteca Universalis’, Wilhelm Leibniz met zijn ‘Ars Combinatoria’ en Paul Otlet met zijn ‘Mundaneum’ van droomden en nu dat doel door electronische communicatie-middelen binnen handbereik is, wordt door een academische kruideniersmentalieit (de geclaimde economische schade is nog geen veertig duizend euro) een juridische uitspraak geprovoceerd die de nu bloeiende digitale vrijheid beknot. De uitspraak van de Europese rechter is een anachronisme, te denken dat de beteugeling van toegankelijkheid en gebruik van elektronische media op het niveau van compilaties praktisch uitvoerbaar zou zijn. Het is als het plaatsen van houten tolhekken op moderne autosnelwegen.

Is het niet bij de Freiburgse databankmakers opgekomen dat ze (destijds) compilaties van hun gegevens zelf konden uitgeven? Is het ook niet zo dat in het jaar 2002 – zeker in Duitsland – veel minder mensen dan nu toegang hadden tot breedband internet en dus een uitgave in CD-ROM vorm nog een commercieel interessant product was, daar waar nu de meeste mensen geneigd zijn zulke informatie direct via de eigen computer thuis tot zich te nemen? De afgelopen jaren maken we juist een doorbraak mee van cultuurgoederen – eerst enkel gebruikt door studenten en onderzoekers, binnen eigen regio of land – die nu via het internet in het publieke domein geplaatst worden: wereldwijd toegankelijk voor velen. Was het eerst nog zo dat on-line databanken meestal catalogi bevatten die informatie over informatie bevatten, nu is er een onontkoombare ontwikkeling waarbij de informatie zelf direct aan catalogi en andere lijsten gekoppeld kan worden. Waar ligt de grens van wat ‘eigendom’ is als er klassiek auteursrecht (uit het papieren tijdperk) op digitale verzamelingen geclaimd kan worden? Het zal niet al te veel moeite kosten om een web-robot programma te schrijven dat volautomatisch een oneindig aantal verzamelingen gaat aanleggen waarop vervolgens middels een technisch geavanceerd advocatenkantoor het ‘recht van verzameling’ geclaimd wordt. Die neiging is er al, denk maar aan de museale praktijk van thema tentoonstellingen waarbij de samensteller of conservator zich vaal belangrijker voordoet dan de kunstenaars en hun werken die tentoongesteld worden, of de ‘claim cultuur’ bij radio, televisie om exclusiviteit te waarborgen.
Wie plukt nu de vruchten van wiens arbeid? De allang overleden uitgever van de allang overleden dichter, de professor van de universiteit, of omgekeerd? Of moeten we het heel anders zien, is het ‘Projekt Klassikerworschatz’ van de Universiteit van Freiburg niet heel gewoon een onderwijsproject bedoeld voor de wetenschap in het algemeen en daarmee natuurlijk ook voor studenten en is het niet mooi dat heden ten dage zulk fraai onderzoek voor iedereen toegankelijk kan zijn?
Dan zitten wij enkel nog met wat wel de ‘roofdrukker’ (Raubdrukker) genoemd wordt, in dit geval Directmedia in Berlijn. Die heeft wellicht contact gezocht met de Universiteit van Freiburg, of misschien ook niet, in ieder geval hebben de webpagina’s van Professor Ulrich Knoop hen geïnspireerd en hebben zij aan delen van die kennis verdere verspreiding gegeven. Dat is allereerst goed voor de enige figuur die in dit betoog nog niet uitdrukkelijk in focus is gebracht: de lezer. Meer mensen hebben waarschijnlijk meer gedichten gelezen door deze uitgave. Dat is fijn voor de nagedachtenis van de dode dichter en misschien inspireert dat wel weer tot nieuwe poëzie.

Het is navrant dat het onderwerp van deze juridische geldstrijd om ‘afgeleid auteurschap’ over de ruggen van dode dichters wordt uitgevochten. Vrijwel niemand is ooit rijk geworden met het schrijven van gedichten. De bloemlezer die plukt maakt soms nog wel eens een klein kansje om een centje te verdienen. De professor die gedichten bestudeerd komt financieel meestal beter aan zijn trekken. De universiteit die onderzoek en onderwijs regelt dient dat in het algemene belang te doen. De uitgever van dode dichters – zeker als er veel van in één enkel boek gestopt worden – heeft soms kans op enige verdiensten. Wie de geschiedenis van de uitgeverij kent weet dat ‘roofdrukken’ een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het verspreiden van cultuurgoed (niet enkel gewin hoeft de drijfveer te zijn, het kan ook zijn verspreiding van wat anders niet beschikbaar of te duur is). Om nu de plukker van een bloemlezing een “plunderaar” te noemen is een valse voorstelling van zaken. Het zich middels academische studie en uit algemene middelen betaalde universitaire elektronica toeeigenen van cultureel erfgoed zou volgens een andere redeneringstrant als DIEFSTAL aangeduid moeten worden. De omstreden CD-ROM was vandaag nog gewoon via AmazonBooks.DE als “Restangebot” voor 4 of 5 Euro te krijgen. De website met de 1100 Duitse gedichten is nog steeds vrij voor een ieder die internet heeft toegankelijk … iedere lezer kan deze gedichten tot bloei brengen

DE PLUKKER IS GEEN PLUNDERAAR

Sebastiaan ter Burg

Tjebbe, ik ben het niet met je eens.
De universiteit had dit werk misschien beter onder een CC BY-NC licentie kunnen publiceren. Nu weet ik even niet of die er destijds al was, maar het gaat om de gedachte. Zo bekeken heeft de “plukker” twee overtredingen gemaakt:

1. zonder vermelding van het werk van de universiteit het selectiewerk overnemen. Het gaat dan niet alleen om de economische schade, maar wel om de exposure. Dit had ook veel positieve reclame op kunnen leveren voor de universiteit en misschien studenten aan kunnen trekken. Dat heeft niets te maken met het het claimen van het eigendomsrecht van de gedichten.

2. Geld verdienen aan het werk dat iemand anders heeft gedaan zonder dat vooraf na te vragen blijft gewoon niet netjes. Op de site staan alle contactgegevens, welke moeite had het gekost om contact op te nemen en te vragen: “Ik wil graag een commercieel product maken van een groot gedeelte van uw werk. Heeft u daar bezwaar tegen?”

Ik kan me ook goed voorstellen dat de professor niet geamuseerd was van het feit dat zijn selectie (de uitgever heeft tenslotte toegegeven die gebruikt te hebben) een klein beetje aangepast werd hier en daar. Dat wekt de illusie alsof dat bewust gedaan is om niet beschuldigd te kunnen worden van jat-gedrag. Een beetje zoals je op middelbare school deed met een schrijfopdracht.