Belangrijk: Voor het goed functioneren van nrc.nl maken wij gebruik van cookies (meer informatie).
Hiervoor hebben wij wel eerst je toestemming nodig. Klik op de groene knop als je hiermee akkoord gaat.

Uitspraak 21: smartengeld na zestien jaar procederen

Een ondernemer krijgt tot drie keer aan toe gelijk bij de Raad van State. Maar de gemeente Ameland geeft geen duimbreed toe. Met commentaar van NJB-redacteuren Alex Brenninkmeijer en Peter Wattel

De Zaak. Een benzinepomphouder op Ameland raakt in 1992 gedupeerd doordat de gemeente een concurrent toestemming geeft vlakbij ook een pompstation te beginnen. Er wordt vrijstelling van het bestemmingsplan verleend en een bouwvergunning. Hij gaat in bezwaar bij de gemeente en daarna in beroep bij de bestuursrechter.
Hoe verloopt de procedure? De pomphouder krijgt in 1996 in hoogste instantie gelijk van de Raad van State. De bouwvergunning had moeten worden geweigerd, vrijstelling had niet mogen worden verleend.
Maar een jaartje later, in 1997 legaliseert Ameland achteraf met een nieuw besluit de vergunningen voor de concurrent. En het verzoek om schadevergoeding wordt geweigerd. Argument: op regels voor de ruimtelijke ordening kun je geen beroep doen als de concurrentieverhoudingen er op de benzinemarkt er ook door veranderen. Op verzoek van de pomphouder vernietigt de Raad van State in 2004 ook die uitspraak. Waarna Ameland in 2006 nog een keer weigert om schadevergoeding te betalen.
Dit is dus de derde keer dat de rechter zich over de Amelandse benzinepomp buigt? Inderdaad. De gemeente krijgt weer een tik op de vingers. De gemeente moet wel schadevergoeding uitkeren aan de pomphouder, ter waarde van ongeveer anderhalf jaar omzetderving. Met die foute vergunningen maakte Ameland namelijk inbreuk op de rechtszekerheid, schiep het voldongen feiten en ontnam het de pomphouder de mogelijkheid zich binnen een redelijke termijn aan te passen. Ordeningsregels voor bouw en ruimtelijke inrichting beschermen dus wel tegen dit soort schade.
De gemeente is bovendien schuldig aan de extreem lange procesduur. Daarvoor moet zesduizend euro smartengeld worden betaald. Volgens het Europese Hof voor de rechten van de Mens heeft een burger namelijk het recht op een overheidsbeslissing binnen een redelijke termijn.
Wat komt hier aan het licht? In ieder geval de ruime mogelijkheden voor overheden om termijnen te overschrijden. Deze zaak duurde volgens de Raad zes jaar en twee maanden te lang, wat ‘volledig voor rekening’ van Ameland wordt gebracht. De sanctie die de Raad daarop stelt, vanwege de ‘spanning en frustratie’ bij de burger is 500 euro per half jaar.
En ten tweede het open karakter van het bestuursrecht. De rechter beslist niet over de zaak zelf, maar beoordeelt alleen de rechtmatigheid van de overheidsbeslissing. Wint de burger dan kan de overheid eventuele fouten nog herstellen, waartegen dan weer nieuwe bezwaren kunnen worden ingediend. Deze zaak leverde in zestien jaar 10 uitspraken op: gemeentebestuur (5), rechtbank (2) en Raad van State (3). Volgens de Raad mag de gemiddelde bezwaar- en beroepsfase niet langer dan vijf jaar duren. Beide partijen kunnen er een slijtageslag van maken: hier deed de gemeente dat.
Welke algemene vragen roept deze zaak op? Andere rechters hakken knopen wel door; waarom dan niet de bestuursrechter? Is een bedrag van 500 euro per half jaar traineren een effectief wapen tegen de procestactiek van uitstel? Is de burger voldoende beschermd tegen de overheid? In deze zaak geeft een fiscale bestuursrechter in hoger beroep een burger maar liefst 72000 euro vergoeding van proceskosten. Bovendien geeft deze belastingrechter ook een beslissing in de zaak zelf.
Wat is de uitslag? Ameland moet binnen drie maanden opnieuw besluiten over de schadevergoeding.

Lees hier berichtgeving in plaatselijke media.

Lees hier de uitspraak van de Raad van State. En hier de uitspraak van het Hof Den Haag in de fiscale kwestie.

Reageren? Niet onder pseudoniem. Argumenteren is verplicht

Geplaatst in:
Bestuursrecht
Lees meer over:
EVRM
smartegeld

13 reacties op 'Uitspraak 21: smartengeld na zestien jaar procederen'

Alex Brenninkmeijer, bestuursrechtjurist

Tien jaar procederen, tien uitspraken en vele advocaten en adviseurs aan het werk. Dit is het juristenparadijs! En het einde van het verhaal is nog niet in zicht, want de gemeente moet alsnog een beslissing nemen.

De Algemene wet bestuursrecht is omgeven met een te strakke dogmatiek: “De rechter mag niet op de stoel van het bestuur gaan zitten!” Dat betekent dat de rechter niet een besluit mag nemen in plaats van het eerder onjuist door de overheid vastgestelde besluit. Reden? De scheiding der machten. Rechter en bestuur zijn gescheiden machten: de rechter mag wel de besluiten van het bestuur beoordelen – zoals in dit geval herhaaldelijk – maar de rechter mag niet zeggen hoe het wél moet.

Dat dogma dat de rechter niet op de stoel van het bestuur mag gaan zitten vind ik vreemd. In het privaatrecht waar het gaat om burgers (en bedrijven) onderling mag de rechter wél de rechtsverhouding vaststellen. De strafrechter doet niet anders. Ook de belastingrechter beslist definitief over het belastingbedrag. Maar de bestuursrechter niet, zodat overheden tot in oneindigheid door mogen gaan met het nemen van besluiten die uiteindelijk toch weer door de rechter vernietigd worden.

Met deze heel beperkte rol van de bestuursrechter heeft de overheid wat mij betreft een veel te machtige positie gekregen. Vraag is immers niet of deze pomphouder uiteindelijk gelijk krijgt. Kijk eens naar zijn maatschappelijk bestaan, de zorgen en ellende die gemoeid zijn met deze procedures en de kosten die hij ervoor moet maken. Bovendien krijgt hij een groot deel van die (advocaten)kosten helemaal niet vergoed, want dat zegt de wet. Veel mensen haken daarom al eerder af of gaan dood. En zo wint de overheid.

Wat mij betreft mag hier verandering in komen. De overheid mag best de keuzes maken, maar het moet wel binnen het redelijke blijven!

Peter Wattèl, hoogleraar Europees belastingrecht aan de UvA

Waarom kon de belastingrechter wél zo daadkrachtig ingrijpen? Zowel (1) in de zaak zelf als (2) in de kostenvergoeding?

Ad (1): de rechter kon meteen zelf de zaak beslissen omdat een belastingaanslag een gebonden beschikking is. De fiscus heeft geen beleidsvrijheid: de wet bepaalt hoeveel belasting verschuldigd is. Als de fiscus het volgens de rechter niet goed gedaan heeft, kan de rechter dus meteen zelf doen wat de fiscus had moeten doen. Hij hoeft de zaak niet terug te sturen naar de fiscus.

In bestuurszaken daarentegen heeft de overheid juist vaak beleidsvrijheid, bijvoorbeeld bij het stellen van bepaalde voorwaarden voor een vergunning. En vaak zijn er in bestuurszaken ook derden-belanghebbenden (bijvoorbeeld de buren van de vergunning-aanvrager) met wie rekening gehouden moet worden.

Ad (2): dat de vergoeding voor onze Canadese belastingplichtige zo hoog uitpakte, is zéér uitzonderlijk. In belastingzaken pakt het vergoedingspuntensysteem in de regel juist lager uit dan in bestuurszaken. Maar in ons geval had de belastingadviseur om vergoeding van de werkelijke kosten gevraagd omdat kennelijk (i) de aanslag volkomen onterecht was, (ii) de boete van 100% dus al helemaal onterecht was, (iii) de fiscus weigerde om op het bezwaar te beslissen en de zaak traineerde en (iv) zich kennelijk ook jegens de rechter onbehoorlijk gedroeg.

De fiscus heeft dus de belastingplichtige, die in Canada woonde en een belastingadviseur in Nederland moest inhuren en vermoedelijk moest heen en weer vliegen, onterecht op kosten gejaagd. De fiscus maakte verder de processuele fout om het verzoek om vergoeding van de werkelijke kosten niet tegen te spreken en evenmin de kostenspecificatie te bestrijden. Als de kostenspecificatie geen vreemde dingen of excessieve tarieven laat zien, wijst de rechter in zo’n geval (geen tegenspraak) het verzoek in beginsel toe.

Had de fiscus wél het verzoek tegengesproken en de (hoogte van de) kostenopgave bestreden, dan was er vermoedelijk een veel lagere vergoeding uit gekomen (maar nog altijd veel hoger dan die van het puntensysteem omdat de fiscus zich in deze zaak zo uitzonderlijk slecht had gedragen).

Antoine Wilhelm

De burger voelt zich in dit soort zaken twee keer geraakt:
1. Je leest dit als een schrikbeeld, maar weet dat dit iedereen in feite kan overkomen. Je goed recht halen wordt buitengewoon lastig als de tegenpartij in staat is om ongeremd de zaak dood te procederen. Als burger kijk je wel twee keer uit om in zo iets verzeild te raken en dus kan de overheid hiermee een onterechte machtspositie creëren.
2. De meeste burgers die dit lezen snappen daarbij ook nog heel goed dat de door hen via jaarlijks oplopende lokale belastingen opgehoeste middelen hiervoor worden gebruikt. Het zal je maar overkomen. Je betaalt ongehoorde bedragen voor de eigen verdediging en je betaalt ook nog mee aan de kosten van het eindeloos juridisch getouwtrek van de gemeente. Inderdaad zou hier iets moeten veranderen: Na twee keer in het ongelijk te zijn gesteld bepaalt de rechter in een eindoordeel wat er gebeurt.

a. van der sar

Alex Brenninkmeijer, bestuursrechtjurist en nationale ombudsman schrijft hierboven in een eerste reactie:Veel mensen haken daarom al eerder af of gaan dood. En zo wint de overheid.
Mijn vraag is: Is er dan sprake van dood door schuld?
Een slepende zaak is voor de burger vaak slopend voor de gezondheid en kan een voortijdige dood tot gevolg hebben. Ik ken helaas verscheidene voorbeelden.
Brenninkmeyer en Wattel leggen de oorzaak bij de kwaliteit van de wetgeving. De uitvoering van de wet is ook mensen werk. De gemeente Ameland kan besluiten een burger kapot te maken door de zaken heel lang op te houden.
Gemeente Ameland wordt hierbij wel geholpen door advocaten en één of meer rechters.
Het is kennelijk mogelijk een advocaat een opdracht te geven om de zaak zo lang mogelijk te traineren. De Orde van Advocaten spreekt een advocaat daar toch niet op aan.
Uit eigen ervaring weet ik dat een trainerende advocaat gemakkelijk alle medewerking van Justitie en collega advocaten krijgt. De burger weet immers toch niet hoe het sneller kan.

Bij notarissen en accountants is de laatste jaren veel aandacht besteed aan een goede invulling van hun vak. Het wordt hoog tijd dat er bij de Orde van Advocaten een discussie komt over de criteria bij het onnodig schaden van de belangen van de andere partij. Dan denk ik ook aan de gezondheid van de andere partij.
Rechters behoren bij hun werk en al hun overwegingen in hun uitspraken veel belang te hechten aan een snelle afhandeling van de zaak.
Trage rechters, griffiers en administratie van een rechtbank zijn net als sigaretten schadelijk voor de gezondheid van de burger.
Ik wens de pomphouder en zijn familie op Ameland veel sterkte.

Prof. mr. Tom Barkhuysen, hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden en advocaat te Amsterdam:

De uitspraak van de Afdeling kan positief worden gewaardeerd. Hoewel een vergoeding 500 euro per half jaar waarschijnlijk niet in alle gevallen een effectief wapen is tegen de welbewuste procestaktiek van uitstel. De Afdeling implementeert een eis die het Straatsburgse Europese Hof voor de Rechten van de Mens al in 2000 formuleerde. Op nationaal niveau moet er volgens dit Hof op zijn minst de mogelijkheid bestaan om vergoeding te krijgen van de immateriële schade als gevolg van te traag bestuur en een te lang talmende rechter. Dat laatste verdient nadruk.
De Afdeling formuleert nu voor het eerst een maatstaf voor de hoogte van deze schadevergoeding. Dat is winst, zeker omdat ook de lagere rechters nu meer houvast hebben. Deze uitspraak past ook in een trend waarin overwegingen over de duur van een procedure steeds belangrijker worden bij procesbeslissingen van de rechter. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de vraag of het bestuur na een vernietiging van zijn besluit door de rechter al dan niet nog een kans krijgt zelf een nieuw besluit te nemen. Of dat de rechter – zoals steeds vaker gebeurt – de zaak zelf beslist (zelf in de zaak voorziet).

Ook op wetgevingsgebied staan er veel initiatieven op stapel die kunnen bijdragen aan effectievere bestuursrechtspraak. En daarmee – als het goed is – aan kortere procedures. Een voorbeeld daarvan is de ‘bestuurlijke lus’. Die maakt het mogelijk voor het bestuur om een gebrekkig besluit hangende de procedure voor de rechter te repareren. Ook daarmee wordt voorkomen dat de zaak na vernietiging weer terug moet naar het bestuur met alle vertraging vandien. Verder zal per 2010 een wet in werking treden die een dwangsom van maximaal 1200 euro oplegt aan bestuursorganen die zich niet houden aan wettelijke beslistermijnen.
Mijn indruk is dat deze combinatie van maatregelen behoorlijk effectief zal zijn in de strijd tegen procedures die te lang duren. Daarbij wil ik, ten slotte, wel aantekenen dat het eigenlijk zeer storend is dat maatregelen als een dwangsom of een schadevergoeding voor immateriële schade (zoals de Afdeling die nu toekent) nodig zijn om dat doel te bereiken. Zou het niet vanzelfsprekend moeten zijn dat het bestuur en de rechter zich houden aan geldende (wettelijke) termijnen?

Bruno van Ravels, hoogleraar aan de Radboud Universiteit Nijmegen en advocaat te Breda

Deze zaak is bepaald niet alleen van belang voor de consequenties die de bestuursrechter verbindt aan overschrijding van de redelijke termijn door een bestuursorgaan. Deze uitspraak is volgens mij ook van belang voor de mogelijkheid om vermogensschade te verhalen op de overheid die een fout heeft gemaakt.
Op dat punt ontleent deze uitspraak het meeste belang aan hetgeen daarin wordt overwogen omtrent de toepassing van het relativiteitsvereiste. Het relativiteitsvereiste is nogal ingewikkeld. Het komt er kort gezegd op neer dat de geschonden norm moet strekken tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die geleden heeft. Het relativiteitsvereiste maakt in de rechtspraak van de laatste jaren een grote opmars.
De uitkomst van de rechterlijke toets is niet altijd goed voorspelbaar. Vaak leidt de desbetreffende rechtspraak ook tot forse kritiek, omdat rechtspolitieke overwegingen bij toepassing daarvan een rol kunnen spelen. Denk aan het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007. Daarin is kort gezegd overwogen dat schending van de regels van de Vreemdelingenwet geen recht geeft op vergoeding van vermogensrechtelijke schade. Inmiddels heeft de Afdeling bestuursrechtspraak ook een aantal uitspraken gedaan op dit punt. De Afdeling heeft in deze uitspraken de Hoge Raad gevolgd.
De Amelandse pomphouder had niet alleen pech met zijn gemeentebestuur. Hij had ook pech met het toepasselijke (bestuurs)procesrecht (bijvoorbeeld geen plicht tot concentratie van verweer). En hij had ook de pech dat in zijn geschil met de gemeente nogal wat ingewikkelde vragen speelden. Vragen althans waarop in ons recht nog geen duidelijk antwoord is gegeven.
Over het vereiste van causaal verband deed de Afdeling in deze zaak in december 2004 een belangrijke uitspraak. Deze uitspraak van december 2008 is, zoals gezegd, vooral van belang voor de toepassing van het relativiteitsvereiste. Het gaat om de vraag of de overheid tot schadevergoeding verplicht is, indien zij aan een concurrent van een benadeelde ten onrechte een bouwvergunning verleend. Strekken de geschonden regels (de Woningwet in samenhang met het bestemmingsplan) tot bescherming van de individuele vermogensbelangen van de concurrent? Dat is de vraag. De Afdeling beantwoordt die vraag ten gunste van de Amelandse pomphouder. Ik zou niet durven beweren dat dit antwoord zo voorspelbaar was, dat de gemeente Ameland in redelijkheid niet tot weigering van de gevraagde schadevergoeding had mogen komen.
Deze uitspraak over de Amelandse kwestie is de eerste uitspraak waarin de Afdeling min of meer zelfstandig een antwoord geeft op de vraag, of bij schending van Woningwet en bestemmingsplan aan het relativiteitsvereiste is voldaan. Ik denk dat niet iedereen deze uitspraak had verwacht. Je kunt de Afdeling in deze uitspraak in ieder geval niet verwijten dat zij om rechtspolitieke redenen terughoudend is met het aannemen van aansprakelijkheid van de gemeente.
Deze uitspraak is ook opmerkelijk, omdat een concurrent in het planschadevergoedingsrecht achter het net zal vissen. Blijkens vaste – vandaag bevestigde – rechtspraak van de Afdeling kan een concurrent geen aanspraak maken op planschadevergoeding, indien een planologisch maatregel vestiging van een concurrent in de nabijheid mogelijk maakt. De toegenomen concurrentie is dan geen ruimtelijk gevolg. De concurrent krijgt dus wel vergoeding als de schade is veroorzaakt door een in strijd met een bestemmingsplan verleende bouwvergunning. Maar hij krijgt geen vergoeding indien de schade is veroorzaakt door een rechtmatig plan.
De reactie van Alex Brenninkmeijer ziet er mijns inziens aan voorbij dat het in deze procedure de afgelopen 10 jaren niet ging om een kwestie waarin het bestuursorgaan beleidsvrijheid heeft. Het gemeentebestuur kwam beleidsvrijheid toe ter zake van de vraag, of (buitenplanse) vrijstelling diende te worden verleend. Het gemeentebestuur komt geen beleidsvrijheid toe bij de beantwoording van de vraag, of de door een onrechtmatig besluit veroorzaakte schade vergoed moet worden, en zo ja in hoeverre. Ik meen dat de bestuursrechter hier wel degelijk op de stoel van het bestuur mag gaan zitten, en dat hij dat in feite ook doet.

Martsen Bosma, oud-ambtenaar gemeente Groningen

Volgens minister Ter Horst in de Volkskrant van 18 november 2008 is de balans zoek tussen de rechten en plichten van de burger. Mogelijk is die opvatting er nu ook de oorzaak van, dat het reeds in de Eerste Kamer aangenomen wetsvoorstel “Dwangsom bij niet tijdig beslissen” nog steeds niet is ingevoerd. Hoewel dit voorstel al een lange doorlooptijd heeft gekend. Tijd die men had kunnen gebruiken om veel eerder te bekijken of allerlei wettelijke termijnen wel haalbaar zijn.
Het Europese mensenrecht geeft de burger al jaren recht op een tijdige en onpartijdige afhandeling van geschillen.
Een doorlooptijd tussen bezwaar en rechtspraak van 6 jaar lijkt mij nu juist al onredelijke lang. Ik neem ook aan dat dit Europese beginsel ook geldt tijdens de bestuurlijke fase.
Maar kennelijk is dat niet zo gezien het tijdverloop en het lot van de meeste bezwaarschriften.
Kennelijk zijn sommige PvdA-bestuurders, zoals onder meer minister Ter Horst, ook wel erg ver van hun wortels afgeraakt met de opvatting dat de emancipatie van de burger en de overheidswerknemer intussen te ver is doorgeschoten.
Ik ben het eerder eens met Ombudsman Brenninkmeijer die, net als ik, op basis van ervaringsfeiten meent dat de overheid nu juist veel te machtig is. En vooral ook zelden geneigd lijkt enig ongelijk te erkennen of tot mediation over te gaan. Liever dan dat te doen besteedt de overheid, in de praktijk is dat uiteraard het overheidsmanagement, het belastinggeld kennelijk aan advocaten om wat in het voortraject al misging alsnog krom te praten. Advocaten die namens de overheid optreden hebben hier uiteraard geen bezwaar tegen zolang zij lang en veel kunnen declareren.
Ook zij zouden een beroepsopvatting kunnen hebben om te helpen geschillen anders op te lossen.
Doch ´hebzucht´ heeft kennelijk ook hun aangeraakt.

Harold Munneke, docent bestuursrecht Haagse Hogeschool

Deze Amelandse zaak laat zien dat de overheidsaansprakelijkheid een waar juristenparadijs aan het worden is.
In de zaak zoals die de eerste keer bij de Raad van State kwam, speelde de causaliteitsleer van advocaat-generaal Besier (NJ 1928, blz. 1688) zoals die in het bestuursrecht erg populair lijkt te worden. De traditionele leer zegt het volgende: stel een beslissing die de rechter onrechtmatig noemt omdat er een vlek op zit; de schade die het gevolg is van die beslissing moet vergoed worden. Voor Besier is dat te kort door de bocht. Hij vraagt zich af of de geconstateerde vlek de schade veroorzaakt heeft. Hij construeert daarbij in gedachten een vlekkeloos besluit waarbij hij zich afvraagt of dat vlekkeloze besluit eenzelfde schade veroorzaakt zou hebben als het besluit met de vlek. Zo ja, dan kan de schade dus niet het gevolg zijn van de geconstateerde vlek.
De vraag is vervolgens of in een geschil de burger dan wel de overheid moet bewijzen dat een vlekkeloos besluit (niet) eenzelfde schade veroorzaakt zou hebben als een besluit met een vlek. De bewijsregels die de Afdeling Bestuursrechtspraak daarvoor formuleert, worden door de Groningse hoogleraar Damen “een niet al te welkome bijdrage aan de verdere juridisering” genoemd (Ars Aequi, 2005, p. 281)

In de zaak zoals die de tweede keer bij de Raad van State kwam ging het o.a. over de relativiteitsleer bekend uit het civiele aansprakelijkheidsrecht. Zoals Van Ravels laat zien gaat het hier om een aangename verrassing voor wie de gestrengheid van de Afdeling vreesde. Dan blijft natuurlijk nog wel het punt over dat de gedupeerde geen rechten meer heeft zodra de gemeente – om de eigen portemonnee te sparen – met een bestemmingsplanwijziging gemaakte fouten (snel) afdekt.

Bij andere zaken van overheidsaansprakelijkheid waarbij de burgerlijke rechter naast de bestuursrechter betrokken is, spelen ook complicaties: waar en wanneer kan er precies gesproken worden van onrechtmatigheden in bestuursrechtelijke dossiers met daarin vervatte rechterlijke vernietigingen en (het uitblijven) van reacties daarop van bestuursorganen (Hoge Raad, Lanser/Haarlemmermeer, NJ 1993, 639)?

Het moge duidelijk zijn dat juridische leken – om wie het toch allemaal te doen was in de rechtsbeschermingsgedachte – niet zitten te wachten op allerhande juridiseringen. Het is nog even afwachten of de door Barkhuysen genoemde wetgevingsinitiatieven daar een einde aan zullen maken.

M Roos-Andriesse, fiscaal jurist, secretaris van een stichting tot behoud van erfgoed in de regio Zuid-Kennemerland

Het bestuursrecht biedt de burgers nagenoeg geen rechtsbescherming tegen de overheid. Wij hebben dat helaas ook persoonlijk mogen ondervinden in een procedure (betrof een verzoek tot handhaving, Wet Milieubeheer) tegen de gemeente Heemstede.
In totaal zijn wij 5 keer bij de Raad van State geweest. De eerste vier keer bepaalde de rechter dat de gemeente een fout besluit had genomen en dat een nieuw besluit moest worden genomen, met inachtneming van de uitspraak. Iedere keer bedacht de gemeente een nieuwe list om daaronder uit te komen. De argumenten van de gemeente waren van een bedroevend laag (daarmee bedoelen wij vooral een leugenachtig) niveau.
Toen wij inmiddels voor de 5e keer bij de Afdeling zaten en de rechter vertelden dat wij bang waren om nog 20 keer terug te komen, werd ons gezegd dat het ook nog wel 100 keer kon worden. Dat is natuurlijk helemaal niet het antwoord waar een burger op zit te wachten. De overheid wint op die manier altijd. De rechter vroeg zich af hoe lang we dit nog konden volhouden. Hij zei: ‘het kost u toch ook heel veel geld’. Wij hebben daarop geantwoord dat het ons niet alleen geld kostte, maar de gemeenschap ook. Daarbij komt nog de onzichtbare of niet te meten schade: het vertrouwen in het rechtsstelsel, althans in het bestuursrecht is tot het nulpunt gedaald en het vertrouwen in de lokale overheid is ernstig geschonden.
Uiteindelijk heeft de Raad van State de vijfde keer een duidelijke uitspraak gedaan (betrof de vraag of een speelterrein een binnenterrein was). Deze uitspraak was voor ons positief, maar daar ging het ons intussen niet meer om. Wij verlangden naar duidelijkheid en voelden ons volledig in de steek gelaten door de overheid, die daarin gesteund wordt door de rechterlijke macht. Wij hebben bijna EUR 500 vergoeding aan kosten ontvangen. Een schijntje vergeleken bij de echte kosten.
Mijn voorstel is: zorg ervoor dat de burger, als deze in het gelijk wordt gesteld, recht heeft op een behoorlijke compensatie. Niet een fooitje, zoals wij hebben gekregen en zoals de benzinepomphouder in het besproken arrest. Misschien dat de gemeente dan nog een keer nadenkt voordat er list en bedrog op de burgers wordt losgelaten. Dat en een meer inhoudelijke beoordeling door de Raad van State, want telkens weer blijkt dat het helemaal niet om de inhoud gaat in het bestuursrecht, maar alleen om de vorm.
Tot slot wil ik kwijt dat het voor de meeste burgers een onmogelijke opgave is om dit soort procedures te voeren. Het is schandalig dat in een zogenaamd beschaafd land als Nederland pretendeert te zijn, het bestuur aan het langste eind trekt omdat de burgers kansloos staan in juridische procedures, tenzij je voldoende financiele middelen tot je beschikking hebt, enige kennis van het recht, en een wel zeer groot uithoudingsvermogen.
Verander de wetgeving, let op de inhoud en doe iets met de leer van de scheiding der machten, want daar hebben wij niets van gemerkt.

Liesbeth Steendijk/ Peter Nihot, namens het dagelijks bestuur van het Landelijk overleg van voorzitters sectoren bestuursrecht

In deze kwestie komen in ieder geval de lange duur van de procedure en het niet (eerder) doorhakken van knopen door de bestuursrechter indringend in beeld.

Opvallend in de onderhavige kwestie is dat er pas helemaal op het laatst een juridisch vraagstuk, namelijk de vraag of de overheid vermogensschade die de concurrent leidt als gevolg van de ten onrechte verleende bouwvergunning dient te vergoeden, tot beantwoording komt, terwijl dit aspect van het partijen verdeeld houdende geschil wellicht ook veel eerder in beeld had kunnen komen en had kunnen worden beslecht. Dit had jaren procederen kunnen schelen.

Precies die invalshoek is de bestuursrechter zich steeds meer eigen aan het maken. Dit uit zich in de verwijzingen naar mediation en in het actief benutten van de instrumenten die de Algemene wet bestuursrecht biedt. De gerichtheid is daarbij om te komen tot een finale geschillenbeslechting en het waar mogelijk niet te laten bij een formele vernietiging waarna het bestuur opnieuw moet besluiten. . Uiteraard is daarbij nodig dat partijen duidelijkheid hebben over de juridische (on)mogelijkheden in het geschil dat aan de orde is. Van oudsher neemt de bestuursrechter daarbij in aanmerking dat de burger meestal in een andere processuele positie verkeert dan het bestuursorgaan.

Bij de bestuursrechter bestaat inmiddels veel meer oog voor een andere geschilbeslechting dan via een zitting komen tot een schriftelijke uitspraak, waarin alle relevante stellingen van partijen worden beoordeeld. Ook bestuursorganen staan heden ten dage open voor het in vroeg stadium bereiken van een einde aan het geschil. Niet alleen zoeken ze zelf in toenemende mate naar oplossingen in de bezwaarfase maar ook mogelijkheden om door aanvullende besluitvorming in de beroepsfase tot een oplossing te geraken worden meer en meer benut. De bestuursrechter die ter zitting of tijdens een comparitie zijn/haar analyse kenbaar maakt en het bestuursorgaan ruimte biedt om lopende de procedure gebruik te maken van de beleidsvrijheid wordt niet gehinderd door het dogma dat de bestuursrechter niet op de stoel van het bestuur mag gaan zitten.

Door het Landelijk Overleg van voorzitters sectoren bestuursrecht zijn – vooruitlopend op de wetswijziging m.b.t. de bestuurlijke lus – kritische signalen vanuit de samenleving opgepakt en zijn finale geschilbeslechting en een meer actieve rol van de bestuursrechter prominent in de strategische agenda geplaatst.

Ter concretisering daarvan loopt een aantal projecten waarin wordt geëxperimenteerd met andere werkwijzen waarin wordt getracht vaker te komen tot een finale oplossing van het geschil, de doorlooptijden te verkorten en actiever gebruik te maken van de onderzoeksmogelijkheden die de bestuursrechter op grond van de wet heeft. Ook wordt er naar gestreefd in de wijze waarop de procedure wordt behandeld meer maatwerk te leveren al naar gelang de aard van het geschil en de wensen van partijen.

De voorlopige bevindingen in de pilots die daadwerkelijk al enige maanden worden gehouden zijn positief. Met name de comparitie, een zitting in een vroeg stadium van de procedure, waar de wensen van de rechtzoekende kunnen worden verduidelijkt, met partijen de (on)mogelijkheden van de procedure worden besproken en bemiddeling of mediation kan worden gestart blijkt vruchten af te werpen.

Jan de Wit, Tweede Kamerlid voor de SP

Om twee redenen is dit een belangrijke zaak. In de eerste plaats omdat het zo lang heeft geduurd voordat er een eindoordeel komt en in de tweede plaats omdat de Raad van State een schadevergoeding toekent vanwege “de spanning en de frustratie bij de betreffende burger”.
16 Jaar procederen dat is toch abnormaal? Het verloop van deze zaak overziende moet ik vooral denken aan de niet-aflatende kritiek van emeritus hoogleraar Twan Tak (Maastricht) die in zijn handboek “Nederlands Bestuursprocesrecht” een uitermate somber beeld schetst van de effectiviteit van het bestuursrecht. Een sprekend voorbeeld – naast Ameland – van het tekortschietend bestuursrecht vind ik nog steeds de procedures die bewoners van Onderbanken aanspanden tegen de staat vanwege de dreigende kap van 6 hectaren bos (ten behoeve van de AWACS-vliegtuigen).
De gevraagde schorsing werd door de Raad van State afgewezen, de bomen werden onmiddellijk daarna gekapt, een jaar later besliste diezelfde Raad van State dat de bomen niet gekapt hadden mogen worden. De burgers kregen gelijk maar de bomen waren inmiddels verstookt in de open haard.
Ik deel de kritiek op het bestuursrecht.
Procedures zijn ingewikkeld, de rechter vernietigt soms een hele beslissing soms een deel van de beslissing. Het overheidsorgaan moet dan een nieuwe beslissing nemen maar doet dat maar half, of slecht, zodat de burger weer tegen die nieuwe (deel)beslissing in beroep moet gaan. Zo ontstaan er procedures naast en door elkaar, nog afgezien van de voorlopige voorzieningen die vaak ook nog moeten worden gevraagd. De burger raakt de weg kwijt maar ook de hoop dat er een keer duidelijkheid komt. “Nee heb je, ja kun je niet krijgen” is een veel gehoorde klacht .
Des te opvallender vind ik de reactie van heer Brenninkmeijer op dit weblog. De bestuursrechter kan wel degelijk (zie art. 8:72 lid 4 van de AWB) zelf de beslissing nemen die het betreffende overheidsorgaan had moeten nemen. De realiteit is dat hij dit veel te weinig doet. Begrijpelijk misschien vanuit het idee dat de rechter niet op de stoel van het bestuursorgaan moet gaan zitten, maar het zou het bestuursrecht wel effectiever maken.

N.F. van Veen

De gemeente Groningen heeft mij totaal kapot gemaakt. Dit was te wijten aan ondeugdelijke afdelingen die achteraf op last van de gem. Ombudsman dienden te worden gereorganiseerd. Zij reageerden nergens op, gaven geen enkel inzicht in mijn procedures bij de aanvraag van een ontheffing, niets. Ik was afhankelijk van deze gemeente als burger/ ondernemer maar ben gewoon bedonderd, resultaten: De Ombudsman heeft mij volledig gelijk gegeven, op wel een 12 tal punten en concludeerde dat de gemeente zeer onzorgvuldig heeft gehandeld. Mijn bedrijf is ter ziele mijn vermogen is ten onder gegaan ( meer dan 1 miljoen ) de rechter besliste uiteindelijk: ik ga mee in het rapport van de Ombudsman maar aangezien de Hr. van Veen geen gebruik heeft gemaakt van zijn rechtsmogelijkheden, stel ik hem in het ongelijk. Een vreselijke uitspraak want het rapport van de Ombudsman zegt ondermeer dat de Gemeente de Hr. van Veen niet op zijn rechtsmoge-
lijkheden heeft gewezen. Daarnaast heb ik mijn beklag gedaan bij de wethouder inzake de schamele
vertoning van de ambtenaren van de gemeente Groningen.
En nu? In hoger beroep, er is grote kans dat ik dat haal, immers de uitspraak is strijdig met het gehanteerde rapport. Mijn advocaat raadt mij hoger beroep af omdat het vervolgens moeilijk wordt schade te verhalen, het verhaal zal niet aannemelijk zijn.

Mijn bevindingen: Het lijkt erop dat er een vriendschappelijke deal is tussen overheid en rechtbanken.
Immers is de overheid de grootste opdrachtgever, alles wat richting overheid gaat als wat een belasting is, neem maar de befaamde onrechtmatige daad, ( in mijn geval 2 maal ) wordt hoe dan ook weggemoffeld. Mijn conclusie is dat dat het er erg op lijkt dat rechters dit fenomeen tegenhouden in de rechtbank, alsof er een heimelijke afspraak is die zegt; voorkom dat de overheid onrechtmatig-
heid wordt verweten.

P.L. Hartkamp

Op basis van de bovenstaande case en alle commentaren komt het mij voor dat bestuursrecht de burger niet de effectieve rechtsbescherming biedt die een burger in een rechtstaat rechtens toe zou moeten komen.

Het lijkt erop dat er een grote discrepantie is ontstaan tussen het recht en de wet.

Wat mij verbaast is dat de commentaren laten zien dat er velen zijn die precies weten wat er fout is. Dit is ook te zien in 2 afleveringen van Zemla waar 2 of 3 hoogreraren bestuursrecht aangeven dat een burger nooit tegen de overheid moet gaan procederen omdat hij toch altijd zal verliezen. Wordt het niet tijd dat deze hoogleraren, andere deskundigen en Jan de Wit, kamerlid van de SP, de krachten bundelen en met een voorstel tot wetswijziging?

Ik ben slechts als ingenieur opgeleid, maar als een schip lekt, dicht je het lek. De deskundigen blijken erg goed in het beschrijven van het probleem. De tweede stap, het voorstellen van een oplossing mis ik node.