Belangrijk: Voor het goed functioneren van nrc.nl maken wij gebruik van cookies (meer informatie).
Hiervoor hebben wij wel eerst je toestemming nodig. Klik op de groene knop als je hiermee akkoord gaat.

Uitspraak 15: de man die niet mocht scheiden

Een man moet tegen zijn wil getrouwd blijven. Het Gerechtshof  Leeuwarden herstelt een huwelijk dat de rechtbank eerder ontbond. Betutteling is geen grond voor echtscheiding.

Met een reactie van Caroline Forder en Paul Vlaardingerbroek van het Nederlands Juristenblad


De zaak
Een vrouw is het niet eens met de beslissing van de  rechtbank echtscheiding uit te  spreken. Haar man betoogt juist  dat hij graag gescheiden wil blijven. Hij zegt dat hij niet meer van  haar houdt en zich in zijn vrijheid  beperkt voelt. De man vindt dat  zijn vrouw hem ‘betuttelde’. De  vrouw daarentegen houdt nog wel  van haar man en vindt dat hij niet  zonder haar hulp en steun kan. Ze  wil zich ook houden aan haar belofte bij de huwelijksplechtigheid,  20 jaar geleden, om zowel in goede  als slechte tijden voor haar man te  zorgen. Zij meent dat hun huwelijk niet is ontwricht.

De omstandigheden
Na de  echtscheiding is het stel bij elkaar  gebleven. Ze wonen in hetzelfde  huis – de vrouw zorgt voor het  eten. Het stel heeft ook een seksuele relatie met elkaar. Feitelijk is er  niets veranderd.

De relatie
Reden dat het mis  ging is volgens het Hof dat de  vrouw, behalve echtgenote sinds  2006 ook de  ‘mentor en bewindvoerder’ van haar man is. Volgens  de vrouw kan haar man niet zelfstandig leven. Hij gebruikt verschillende, soms zware medicijnen. Zij ziet daar op toe. Ook heeft  de man een alcoholprobleem.  Zijn  vrouw meent dat hij zonder haar  niet kan overleven.

Wat is de juridische norm?
Is  er sprake van een situatie van  duurzame ontwrichting waarin  voortzetting van het samenleven  ondraaglijk is, zonder uitzicht op  herstel van behoorlijke echtelijke  verhoudingen?

Wat weegt het Hof niet mee?
Het Hof wil wel geloven dat de man  sterk afhankelijk is van de zorg  van zijn vrouw vinden de raadsheren. Maar voor hun oordeel speelt dat geen  rol. Een huwelijk, inclusief trouw,  hulp en bijstand is immers vrijwillig. Ook de medische  problemen van de man wegen niet  mee. Vooral omdat de man heeft  geweigerd zich door deskundigen  te laten onderzoeken.

Wat vindt het Hof wel relevant?
Dat het stel bij elkaar is gebleven betekent volgens het Hof dat  het samenleven dus niet ondraaglijk is. Het bezwaar van de man  richt zich alleen tegen het bewindvoerderschap van de vrouw. De  rechters concluderen daaruit dat  als daar een einde aan komt, zijn  bezwaar tegen het huwelijk ook  vervalt. Er bestaat daarom ook uitzicht op herstel van de relatie.  Maar het belangrijkste is dat het  hof niet gelooft dat hij niet meer  van zijn vrouw houdt ,,in het licht  van de betwisting door de vrouw.”  De raadsheren denken dat hij  vooral wil scheiden om van de ‘betutteling’ af te komen. De wet eist  echter ‘duurzame ontwrichting’.  Betutteling van de één door de ander is volgens rechters niet ernstig  genoeg. De situatie is niet ondraaglijk. En er is uitzicht op herstel van de relatie. De echtscheiding gaat dus niet door!

Lees hier het arrest

Reageren? Nuanceren en argumenteren verplicht

Geplaatst in:
Personen- en familierecht
Lees meer over:
echtscheiding
gerechtshof

8 reacties op 'Uitspraak 15: de man die niet mocht scheiden'

Caroline Forder, hoogleraar Europees Familierecht aan de Universiteit Maastricht

Tussen 32.600 echtscheidingen die jaarlijks in Nederland plaatsvinden is er dit jaar één die niet mag doorgaan. De afwijzing door het hof Leeuwarden op 23 september van het echtscheidingsverzoek omdat ‘duurzame ontwrichting’ niet is bewezen is een rariteit.

Dat het paar bleef samenwonen zag het hof als bewijs dat de situatie niet ‘ondraaglijk’ was. Het langdurige niet samenwonen is voor een rechter een ‘zeer ernstige aanwijzing’ dat het huwelijk duurzaam ontwricht is. Maar het omgekeerde geldt niet automatisch. Wellicht had deze man vanwege zijn ziekte en alcoholverslaving geen andere keuze dan bij de vrouw te wonen. Hierover is niets gesteld.

De wens van de vrouw ‘haar bij het sluiten van het huwelijk gedane belofte’ na te komen lijkt op een verweer op verkapt religieuze gronden, wat ons rechtsstelsel niet meer toestaat. Bezwaarlijk van een geloofsovertuiging – of nakoming van een belofte – is dat de persoon ongeacht de omstandigheden nooit wil scheiden.

Volgens het hof was de relatie verstoord, vooral omdat de vrouw de bewindvoerder was van de man. Deze conclusie overschat de rol van juridische categorieën in het dagelijks leven. Zal de man begrijpen dat zijn vrouw voortaan niet meer als bewindvoerder, maar wel als echtgenote de baas over hem mag spelen?

Paul Vlaardingerbroek, hoogleraar familie- en personenrecht aan de Universiteit van Tilburg

Eerst even wat juridische weetjes: De objectief vaststelbare echtscheidingsgronden (overspel, kwaadwillige verlating die tenminste vijf jaar heeft geduurd, veroordeling wegens misdrijf tot een vrijheidstraf van vier jaar of langer en door de ene echtgenoot jegens de andere gepleegde zware verwondingen of levensgevaarlijke mishandelingen) zijn in het jaar 1971 vervangen door een meer vage rechtsgrond voor echtscheiding, namelijk de duurzame ontwrichting van het huwelijk. In elk (zowel eenzijdig als gemeenschappelijk) verzoek tot echtscheiding moet altijd gesteld worden dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Maar wat is duurzaam ontwricht? Het huwelijk is duurzaam ontwricht als de samenleving ondraaglijk is geworden en er geen uitzicht op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen bestaat. Sinds 1993 is ook het schuldverweer uit de wet verdwenen, zodat het verzoek tot echtscheiding niet meer worden afgewezen op de grond dat de duurzame ontwrichting in overwegende mate is te wijten aan de verzoekende partij. Het schuldbegrip speelt alleen nog een rol(letje) in het kader van het pensioenverweer als ook in het alimentatierecht, waar de rechter bij de beoordeling over de vraag of en zo ja, hoeveel alimentatie betaald moet worden ook niet-financiële factoren (zoals wangedrag) in ogenschouw mag nemen.

Een eenzijdig verzoek tot echtscheiding, zoals in deze beslissing van het hof Leeuwarden, kan dus worden uitgesproken als het huwelijk duurzaam ontwricht is (art. 1:151 BW). Wel is belangrijk dat degene die het verzoek doet hiertoe voldoende inzicht heeft in de aard en gevolgen van de echtscheiding. De verzoekende partij moet de duurzame ontwrichting stellen en bij ontkenning door de wederpartij bewijzen. De rechter moet de toestand van duurzame ontwrichting vaststellen. Het verzoek tot echtscheiding van één der echtgenoten dient te worden afgewezen, indien hierdoor pensioenrechten verloren gaan (art. 1:153 BW), maar ook als de duurzame ontwrichting van het huwelijk door de andere echtgenoot wordt bestreden en niet is komen vast te staan dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Maar hoe bewijs je dat het huwelijk niet duurzaam is ontwricht als de wederhelft het huwelijk nog goed vindt en geen echtscheiding wenst? De verzoeker moet dan bewijzen dat hij of zij echt geen heil meer ziet in een voortzetting van het huwelijk en slaagt hij hierin niet, dan wordt het verzoek tot scheiding afgewezen. Blijft de verzoekende echtgenoot onder aanvoering van gronden dat hij met de eega niet langer kan en wenst samen te leven, dan zal de rechter dit niet anders kunnen opvatten als een zeer ernstige aanwijzing dat de toestand van duurzame ontwrichting inderdaad bestaat. Alles komt erop aan of de betrokkenen in staat is zijn wil ten aanzien van de huwelijksontbinding te uiten en de (rechts)gevolgen van de echtscheiding kan overzien. Dat blijkt hier het geval te zijn, want de rechter heeft de verzoeker hier niet onbevoegd verklaard.

Wel moet hij nog de duurzame ontwrichting bewijzen. Is de ontwrichting stellen voldoende? Mij lijkt daarmee niet te zijn voldaan aan het wettelijke vereiste. In de onderhavige zaak leven partijen nog in één woning en hebben zij samen nog een seksuele relatie. Dat maakt het bewijs voor de man moeilijk. De man stelt betutteld te worden door zijn vrouw, maar dat zal vast in veel meer huwelijken het geval zijn en vaak voelen partijen zich daar beiden gelukkig mee. Uit weinig blijkt dat de man de betutteling zo zat is, dat hij daadwerkelijk de relatie heeft beëindigd. Zo is hij niet bij zijn partner weggegaan, waarmee hij blijk geeft de relatie toch ook weer niet zó zat te zijn. Zijn echtgenote is ook zijn mentor en bewindvoerder dat maakt het wel lastig voor de man, omdat zij daarmee ook veel zeggenschap over hem heeft en bij hem het gevoel van betutteling kan gaan overheersen. Zou het bewindvoerder- en mentorschap aan een andere persoon (een neutrale derde) worden overgedragen door de rechter, dan zal dat het probleem grotendeels kunnen opheffen, al blijft zijn vrouw hem natuurlijk wel feitelijk verzorgen (zij zorgt ervoor dat hij zijn medicijnen inneemt en zich verzorgt). De man kan daar eenvoudig een einde aan maken door bij haar weg te gaan, maar kennelijk staat de dagelijkse verzorging door haar en het feit dat zij ook nog zorgt voor de vleselijke geneugten des levens hem niet zo erg tegen.

Eventueel had het hof de zaak een half jaar kunnen aanhouden om partijen de gelegenheid te geven om met elkaar nog eens in gesprek te gaan over hun huwelijk en de voortzetting ervan, maar nu de man niets anders heeft gedaan dan te roepen dat hij van haar af wil zonder daartoe concrete stappen te zetten, vind ik dit een wijze beslissing van het hof.

E.J. Moll

Een interessante uitspraak. Inderdaad komt het niet vaak voor dat de duurzame ontwrichting van het huwelijk niet aanwezig wordt geacht. Er is echter iets anders eigenaardigs. Volgens de wet heten rechters bij het Gerechtshof “Raadsheer” ongeacht of het een vrouwelijke of manlijke rechter is. Dat is natuurlijk eigenaardig: mevrouw Jansen-Pietersen, Raadsheer. Maar zo staat het nu eenmaal in de wet. Maar de rechters die deze uitspraak hebben gedaan noemen zichzelf (onder aan de uitspraak) “Raden”. Ik vind dat wel een aardige vernieuwing, maar wel in tegenstelling tot de eigen webpagina van het Hof Leeuwarden (op http://www.rechtspraak.nl) waar uitgelegd wordt dat vrouwelijke of manlijke rechters bij het Hof Raadsheer heten.
Leuk dat NRC deze uitspraak publiceert.
Edo Moll, Doetinchem

Susan Rutten, Universiteit Maastricht

De laatste zin van Paul Vlaardingerbroek dat de man roept van zijn vrouw af te willen zonder daartoe concrete stappen te zetten, vind ik nogal kras. De man is zelfs zover gegaan een advocaat in te schakelen en een echtscheidingsverzoek in te dienen om van zijn vrouw af te komen. Het afwijzen van een echtscheidingsverzoek is in Nederland inderdaad een rariteit. Evenmin komt het vaak voor dat de andere echtgenoot welgemeend de duurzame ontwrichting weerspreekt. Maar als het dan wel gebeurt, is het correct dat de rechter hiernaar nader onderzoek doet. Als de rechter de echtscheiding wil uitspreken, zal hij immers moeten vaststellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en de rechter moet de overtuiging dan ook hebben dat dit het geval is. Juist hier zie je een waarborgfunctie die de rechter kan vervullen. Anders dan Paul Vlaardingrbroek denk ik dat de rechter in dit geval juist wel aan de wil van de man om te scheiden heeft getwijfeld, en dat de uitspraak juist daar betrekking op heeft. In het algemeen geldt dat wanneer een van de echtgenoten wil scheiden, er voor de andere echtgenoot niet veel meer te redden is, althans wat het voortbestaan van het huwelijk betreft. Maar in dit geval was er zelfs twijfel ten aanzien van die ene wil. Het Hof heeft naar mijn mening daarom ook terecht nader onderzoek gedaan. Of het Hof hierbij alle mogelijk relevante factoren heeft meegewogen, weten we niet. De man had kennelijk last van betutteling door zijn vrouw. Nu zijn er verschillende mogelijkheden om hieraan een einde te maken. De man kiest voor het meest ingrijpende middel, namelijk een echtscheiding. Hij werd hierin bijgestaan door een advocaat. Misschien heeft deze met de man ook alternatieven, bijvoorbeeld het aanwijzen van een andere mentor en bewindvoerder, besproken maar is bewust voor de echtscheiding gekozen. Dan is maar de vraag of de man met de uitspraak van het Hof Leeuwarden blij moet zijn. Zelfs als er een andere mentor/bewindvoerder zou komen, kan de vrouw, zoals Caroline Forder mijns inziens terecht oppert, de baas blijven spelen. We mogen echter hopen dat mevrouw door deze procedure in twee instanties te hebben doorlopen zal overwegen haar man meer ruimte te gunnen. De man is immers wel volhardend gebleven in zijn standpunt dat voor hem de maat echt vol was. Ondertussen denk ik niet dat mensen als gevolg van deze uitspraak ervoor hoeven vrezen hun beoogde echtscheiding niet meer te krijgen.

Edo Smitshuijzen

Indien ik een wens tot echtscheiding aan mij vrouw kenbaar maak dan is vanaf dat moment mijn huwelijk ontwricht. Als ik die mening blijf behouden dan is mijn huwelijk op den duur duurzaam ontwricht. Er is geen jurist of rechter die aan dit feit iets kan veranderen. Elk andere overweging is juridisch geneuzel.

Fred van Overbeeke

Hof Leeuwarden heeft het niet eenvoudig gemaakt. Het biedt ons slechts een summiere samenvatting van de casus, en laat zelfs enig verwijzing naar het geding in eerste aanleg achterwege. Misschien is dat ook wel te begrijpen in dit soort familiezaken. Maar het gevolg is wel dat de samenvatting die het hof aan de databank van rechtspraak.nl heeft aangeboden een beetje lijkt op een breinbreker. Pas na de fasen van lezen en herlezen komen we er uiteindelijk achter dat het hof ons hier attendeert op een zaak van menselijke tragiek waarin het onvermogen van ons recht weer eens tot uiting komt.

Schizofrenie
De sleutels die ons worden aangereikt om tot een helder beeld te komen vinden we terug in de tekst. Het verzoek tot ontbinding van het huwelijk blijkt afkomstig van een psychiatrisch patiënt die in behandeling is bij de GGZ, de geestelijke gezondheids- en verslavingszorg, en die vijf verschillende medicijnen gebruikt waaronder lithium. Uit dat laatste valt af te leiden dat het om schizofrenie of manisch depressiviteit (bipolaire stoornis) gaat. Immers, lithium is het middel dat psychosen onderdrukt. Daarmee valt, naar omstandigheden, een wankel maar redelijk bestaan te leiden. Helaas echter zijn het de bijwerkingen waardoor patiënten veelal weerstand tegen de verplichte dagelijkse inname ontwikkelen. En zoals vaak bij dit type psychische stoornis gaat ook deze gepaard met het gebruik van roeswekkende middelen, in dit geval alcoholica.

Hoogstaand argument
Om de ernst van de psychiatrische aandoening te duiden vinden we in de tekst terug dat deze man door de kantonrechter zowel onder bewind als onder mentorschap is gesteld. Hij kan dus in beginsel niet zelf, althans zonder medewerking van zijn echtgenote, over zijn financiën beschikken terwijl zijn vrouw tevens is belast met zijn verzorging, verpleging en begeleiding. Ook over zijn geneeskundige behandeling heeft hij geen zelfstandige zeggenschap. Zoals ook in de wet is vermeld (Titels 19 en 20 Boek 1 BW) en tevens in het landelijk overleg kantonrechters is vastgelegd, gaat de voorkeur voor de benoeming van een bewindvoerder of mentor uit naar de ‘levensgezel’ van betrokkene. In onze casus heeft de patiënt dan nog het voorrecht van een echtgenote die niet alleen bereid is alle beheers- en verzorgingstaken te vervullen maar die dat ook nog doet op grond van haar overtuiging. Twintig jaar tevoren heeft zij zich aangesproken gevoeld door de belofte van lotsverbondenheid zoals die tot uitdrukking komt in het: ‘…en hem bij te staan, in goede en kwade dagen, in rijkdom en in armoede, in gezondheid en in ziekte…’ . Dat ja-woord voert zij nu voor de rechter aan. Een moreel en ethisch hoogstaand argument. Zij beloofde ooit getrouwheid, hulp en bijstand, en zegt in feite: ik laat hem niet los, want zonder mij als steun en toeverlaat gaat hij in deze wereld tenonder… Een standpunt dat in deze kille wereld alle lof verdient. Maar helaas, de wet (er)kent bij echtscheiding geen duurzame beloftes meer, hetgeen betekent dat de rechter naar strikt juridische argumenten moet zoeken wil hij althans een dergelijke huwelijksontbinding kunnen terugdraaien.

Toevluchtsoord
Het moge duidelijk zijn dat op deze echtelijke samenleving een zware last rust die door de vrouw gedragen wordt. Naar mijn inschatting hebben de ‘raden’ (onder dankzegging aan inzender E.J. Moll) met deze zaak geworsteld. Men is immers in de rechterlijke praktijk eerder gewoon aan de omgekeerde situatie. Namelijk die waarin de vrouw die met een dergelijke last is opgezadeld, om echtscheiding verzoekt. Want niet iedereen beschikt over de liefde en het uithoudingsvermogen om met een dergelijke patiënt om te gaan. Zoals wel in de literatuur wordt omschreven: “…Hij weigert zijn medicijnen, hij steelt het geld, glipt weg, duikt onder in café’s, komt dagen soms weken later weer boven, en dan komt het grote afwachten: zijn er ergens schulden nagelaten, zijn er geen brokken gemaakt…?” Hele gezinnen gaan aan deze spanningen en materiële consequenties ten gronde. Want onderbewindstelling heeft niet het karakter van vrijwaring. Art. 439 Boek 1 BW is daar helder over: aan de schuldeiser die niet van het bewind op de hoogte is kan de ongeldigheid van de handelingen van de patiënt niet worden tegengeworpen. Voor elke onrechtmatige daad is betrokkene zelf verantwoordelijk. Vaak wordt dan ook (door de partner) in een echtscheiding tevens een toevluchtsoord gezocht om tenminste het eigen vermogen (van partner en kinderen), en dat geldt met name bij gemeenschap van goederen, tegen aantasting door schulden van de man veilig te stellen.

Onvermogen van het recht
Ik ga er van uit dat eerst de rechtbank en later het hof met deze kwestie getobd hebben. Want natuurlijk is deze man beter af bij zijn vrouw. Maar de vraag is: hoe houd je een echtscheiding tegen of in tweede instantie: hoe schroef je hem terug? Ik kom nu op het chapiter van het onvermogen van het recht.
Uiteraard is in dit geval als eerste de vraag gesteld of betrokkene wel wilsbekwaam is. Kan iemand die onder bewind is gesteld in staat worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake van zijn handelen? Die vraag is al in de aanloop door de kantonrechter beantwoord. Die heeft als taak de man te horen, en als de patiënt redelijk overkomt en dus wilsbekwaam mag worden geacht, én hij het eens is met de benoeming van de voorgestelde bewindvoerder, volgt vrijwel automatisch de gevraagde beschikking. Zoals waarschijnlijk ook in ons geval.

Vertrouwensrelatie
Maar wát als de patiënt weigerachtig is: geen contact met de kantonrechter wil en een bewind afwijst? Dan kan de al dan niet aanwezige wilsbekwaamheid slechts de jure worden vastgesteld indien de toestand van de man wordt geduid door een terzake kundige arts (psychiater, geriater,verpleeghuisarts). Maar daar moet de man dan wel medewerking aan verlenen. En zijn huisarts geeft geen enkele verklaring af, want dat is niet toegestaan. De KNMG stelt: “Vaak wordt de eigen arts van de patiënt benaderd om een geneeskundige verklaring af te geven waarin hij/ zij een oordeel geeft over de wilsbekwaamheid van betrokkene. Hier ligt geen taak voor de behandelend arts: deze verklaring bevat immers een waardeoordeel over de patiënt, namelijk of deze medisch gezien in staat is zijn eigen belangen te behartigen. Conform de KNMG-richtlijnen mag een behandelend arts geen geneeskundige verklaring afgeven, (onder meer) omdat deze door zijn vertrouwensrelatie met de patiënt onvoldoende afstand heeft om een objectief oordeel te geven. Bij een verklaring met een voor de patiënt ongunstige inhoud kan die vertrouwensrelatie bovendien onder druk worden gezet. De verklaring moet worden verstrekt door een onafhankelijk arts, die deskundig is op het gebied van het beoordelen van wilsbekwaamheid.

Dilemma
Komt de kantonrechter voor een dergelijk dilemma te staan, dus waarbij er geen medewerking is van betrokkene, dan is hij machteloos, en moet op juridische gronden het verzoek om bewind afwijzen. Met alle soms dramatische gevolgen vandien voor de familie. Een illustratie van de consequenties valt te lezen in NRC/H van 19 april j.l.

Het moge duidelijk zijn dat de problematiek van de wilsbekwaamheid – die overigens zeer sterk speelt in de notarispraktijk (testament, huwelijkse voorwaarden, overdracht onroerende zaak etc.) – een belangrijke rol heeft gespeeld in de zaak die hier voor ons ligt. Door de weigering van de man om medisch onderzoek toe te staan werd de mogelijkheid voor de rechter geblokkeerd om op controleerbare wijze, namelijk op grond van een deskundigen-rapport, een eventuele wilsonbekwaamheid vast te stellen. Kennelijk had de rechtbank daardoor geen mogelijkheid het verzoek tot echtscheiding af te wijzen. Immers, wettelijk is de grond voor ontbinding simpel en duidelijk: “Echtscheiding wordt op verzoek van één der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is”. (Art. 151 Boek 1 BW).

Presenteerblad
Maar het hof Leeuwarden leert ons nu dat in feite juist als gevolg van de echtscheiding, het feit dat de vrouw in beroep is gegaan, én de man door thuis te blijven en zijn huwelijkse leven als voorheen voort te zetten, de juridische criteria om de huwelijksontbinding te annuleren op een presenteerblad werden aangeboden. De man ervoer de situatie klaarblijkelijk niet als ondraaglijk want hij is na de ontbinding van zijn huwelijk niet gescheiden van zijn ex-vrouw gaan leven. En bovendien, een beetje betutteling moet kúnnen, vindt het hof. Dat is niet synoniem met de door de wetgever bedoelde situatie van duurzame ontwrichting, waarin de “voorzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden, zonder dat er uitzicht bestaat op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen.” Het hof is van oordeel dat die situatie zich niet voordoet. Dus echtscheiding exit.

En zo is het dat met dank aan een vrouw die haar huwelijkse belofte ernstig nam, een man die zijn wankele leventje toch liever onder haar vleugels wilde voortzetten, en een spitsvondig hof, aan de Nederlandse jurisprudentie een uniciteit kon worden toegevoegd. Ik denk niet dat er vaak op terug zal worden gekomen.

Anneke Odekerken-Holtkamp, advocaat

De man wil een echtscheiding, blijft dit al langere tijd willen en geeft aan waarom. De vrouw negeert nog steeds, na een procedure in 2 instanties, het probleem dat de man ziet en wil geen echtscheiding, zich beroepend op haar huwelijksbelofte. Voor de vrouw is de man, met zijn medische problemen, duidelijk een zorgobject. De vrouw bepaalt wat het beste voor haar man is; doordat de vrouw tevens bewindvoerder en mentor is kan de man feitelijk ook geen kant op. Vraag is of de vrouw hiermee geen misbruik van haar bevoegdheden (als bewindvoerder en mentor) maakt en of niet juist de huwelijksbelofte van de vrouw een andere houding vergt. Zij had bijvoorbeeld de bewindvoering en het mentorschap uit handen kunnen geven om tegemoet te komen aan de bezwaren van de man; ook had een tijdelijke feitelijke scheiding beproefd kunnen worden.
Zolang niet anders is beslist is de man wilsbekwaam en dient zijn wens tot echtscheiding te worden gerespecteerd. Dat hij, na de procedure in 1e aanleg waarbij de echtscheiding is uitgesproken, bij zijn vrouw is blijven wonen heeft mogelijk meer met praktische (on)mogelijkheden van de man te maken, dan met een bewuste keuze hiervoor. Aan de andere kant, indien daadwerkelijk praktische beperkingen de man bij de vrouw hebben doen blijven, dan zou toch de advocaat namens de man het Hof hierop hebben gewezen, mag ik aannemen.
Hoe dan ook, de situatie dat iemand, tegen zijn of haar zin, wordt gescheiden komt mij minder bezwarend voor dan dat iemand, tegen zijn zin, gehuwd moet blijven, zeker indien daarbij tevens bewindvoering en mentorschap door de huwelijkspartner wordt uitgevoerd.

Masha Antokolskaia, hoogleraar familierecht aan de Vrije Universiteit

Sinds de hervorming van het echtscheidingsrecht in 1971 is in Nederland de duurzame ontwrichting van het huwelijk formeel de enige echtscheidingsgrond. In de literatuur is gesuggereerd dat de duurzame ontwrichting inmiddels achterhaald en aan vervanging toe is. Maar een echte discussie over dit onderwerp is er niet, omdat in de praktijk het echtscheidingsverzoek echter nagenoeg nooit wordt afgewezen, en men denkt dat het vraagstuk van de echtscheidingsgronden van weinig praktisch belang is. Dit arrest levert een mooi bewijs dat de echtscheidingsgrond wel relevant is.
In het geval van echtscheiding op gezamenlijk verzoek wordt de echtscheiding uitgesproken indien het verzoek is gegrond op het oordeel van beide echtgenoten dat het huwelijk duurzaam is ontwricht (art 1:154 lid 1). De rechter mag niet ambtshalve een onderzoek naar de gronden instellen. Toch is het wederzijds goedvinden geen zelfstandige echtscheidingsgrond, maar vormt het een onweerlegbaar bewijs van de duurzame ontwrichting van het huwelijk. Om deze reden moeten de echtgenoten tot op de dag van vandaag in hun gemeenschappelijk verzoek verklaren dat ze het er over eens zijn dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht, en niet slechts dat ze de overeenstemming hebben bereikt dat hun huwelijk ontbonden moet worden. Zoals in de literatuur terecht is opgemerkt, is het verschil tussen de overeenstemming over de ontbinding van het huwelijk enerzijds, en over de duurzame ontwrichting daarvan anderzijds, uiterst gering, omdat in beide gevallen de beslissing aan de echtgenoten zelf is. Bovendien, wanneer de echtgenoten het gevoel delen dat hun huwelijk tot een einde moet komen, ís het meestal ook ontwricht. Het al of niet plakken van het formele etiket ‘wederzijds goedvinden’ op een gezamenlijk verzoek lijkt dus van weinig praktisch belang, want aan de werkelijke gang van zaken zal het niets veranderen. Toch is dit niet helemaal waar. In de Eerste Kamer ligt nu een wetsvoorstel dat omzetting van het huwelijk in geregistreerd partnerschap onmogelijk zal maken. Stel dat een echtpaar hun huwelijk met wederzijds goedvinden wil ontbinden niet omdat dit duurzaam is ontwricht, maar omdat ze liever een partnerschap willen. Indien ze in het echtscheidingsverzoek beweren dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht, plegen ze valsheid in geschrifte. Doen ze dit echter niet, kunnen ze hun huwelijk niet beëindigen. Zelfs als de keuze van de echtscheidingsgrond in het geval van een gezamenlijk verzoek geen praktisch belang heeft, is zij nog steeds van symbolisch belang. En dan is het niet onverschillig welke symbolische boodschap die keuze uitdraagt. De symbolische boodschap van de huidige regel is dat ‘de politiek’ tot op de dag van vandaag nog steeds niet achter haar keuze durft te staan. 35 jaar na de de facto invoering van de zuivere consensuele echtscheiding zonder enige staatscontrole over de echtscheidingsgrond, durft de wetgever het beestje nog steeds niet bij de naam te noemen. De erkenning van het wederzijds goedvinden als een zelfstandige echtscheidingsgrond staat daarentegen voor de aanvaarding van het feit, dat wanneer twee volwassen mensen, om welke reden dan ook, hebben besloten om hun huwelijk te beëindigen, het respect voor hun persoonlijke autonomie en de eerbiediging van hun privé-leven eist, dat de overheid die beslissing als zodanig in beginsel heeft te respecteren.
In het geval van de echtscheiding op eenzijdig verzoek ligt het echter anders: de verzoekende partij moet de duurzame ontwrichting stellen en zonodig – indien deze stelling door de wederpartij is betwist – bewijzen (art 1:151 BW). In de praktijk krijgt een echtgenoot die wil scheiden nagenoeg altijd zijn zin. In haar arrest van 6 december 1996 heeft de Hoge Raad bepaald: ‘als de ene echtgenoot onder aanvoering van gronden stelt en blijft stellen dat hij, hoe dan ook, met de andere echtgenoot niet meer kan samenleven, moet dit door de rechter worden opgevat als een zeer ernstige aanwijzing dat de toestand van duurzame ontwrichting inderdaad bestaat’. In deze uitspraak is dus sprake van een vermoeden van duurzame ontwrichting indien de verzoeker op de echtscheiding blijft aandringen. Het arrest van het Hof van Leeuwarden laat zien dat dit vermoeden echter níet onweerlegbaar is. Hier heeft de vrouw met succes tegenbewijs geleverd op grond waarvan het Hof heeft geconcludeerd, dat ondanks de persistente beweringen van haar man geen sprake is van ondragelijk samenleving. Het probleem met de wettelijke echtscheidingsgrond is dus dat de verzoeker de duurzame ontwrichting moet bewijzen. Slaagt hij daarin niet, dan kan hij in dus tegen zijn wil in het huwelijk worden vastgehouden. In deze zaak is dit ook daadwerkelijk gebeurd. Dat klinkt beslist niet modern. In de landen van Europa met het meest vooruitstrevende echtscheidingsrecht is dit probleem opgelost door de grond van duurzame ontwrichting te vervangen door de zogenaamde divorce on demand, een concept dat zich om verschillende redenen slecht leent om te vertalen als ‘echtscheiding op verzoek’. Divorce on demand is een echtscheiding verkrijgbaar zonder opgave van reden op het enkele verzoek van één van de echtgenoten. Deze grond is gebaseerd op de veronderstelling dat echtgenoten niet tegen hun wens in, aan het huwelijk mogen worden gebonden, zelfs als maar één van hen het huwelijk wil verlaten. Echtscheiding wordt in deze landen gezien als een subjectief recht van het individu. De Staat heeft zich volledig teruggetrokken van de beslissing over de ontbinding van het huwelijk. Divorce on demand bestaat op dit moment in Zweden, Finland, Spanje en de facto in Rusland.
Dit arrest in een goede illustratie dat het vraagstuk van de echtscheidingsgronden in Nederland nog steeds een actuele is.