Belangrijk: Voor het goed functioneren van nrc.nl maken wij gebruik van cookies (meer informatie).
Hiervoor hebben wij wel eerst je toestemming nodig. Klik op de groene knop als je hiermee akkoord gaat.

Uitspraak 14: Voor- en nadeel van een stiefmoeder

Mag een verzekeraar vergoeding voor huishoudelijke hulp weigeren aan een weduwnaar met jonge kinderen omdat zijn nieuwe vrouw de zorg overnam? De rechtbank vond van niet, het Gerechtshof van wel. De Hoge Raad besliste.

Met een reactie van Ton Hartlief van het Nederlands Juristen Blad


De zaak.
In een gezin met twee jonge kinderen overlijdt de (werkende) moeder in een verkeersongeval door de schuld van een ander. Anderhalf jaar na de dood van de moeder hertrouwt de vader. De stiefmoeder heeft geen baan en neemt de zorg van het gezin over. Het gezin maakt geen kosten voor extra hulp. De verzekeringsmaatschappij van de schuldige aan het auto ongeval, Achmea ontkent dus dat er schade is geleden. De kinderen spannen een proces aan.

Wat is het conflict?
Mag de aansprakelijkheid van de automobilist worden weggestreept tegen het feit dat een stiefmoeder de zorg van het gezin overnam? De wet zegt dat wie een ander doodrijdt aansprakelijk is voor vergoeding van schade. In een gezin komen de kosten voor extra huishoudelijke hulp daarvoor in aanmerking. De rechtstrijd gaat over de vraag of die kosten ook werkelijk gemaakt moeten zijn. Mogen ‘abstracte kosten’ ook afgerekend worden? En er ligt een normatieve vraag. Wat is er ‘normaal en gebruikelijk’ in een gezin als het om zorgen gaat.

Hoe verliep de procedure?
Het verkeersongeval was in 1993. De kinderen die toen 7 en 4 waren zijn nu dus 22 en 19. De rechtbank Haarlem gaf in 2004 de kinderen gelijk en wees het gezin bijna 94000 euro toe. Het Gerechtshof Amsterdam haalde daar in 2006 een streep door. De Hoge Raad oordeelde deze zomer.

Waarom was het Hof vóór de verzekeraar?
Het Hof vond dat een vervangende huishoudelijke hulp alleen moet worden vergoed als er ‾binnen de normale gang van zaken” niet in kan worden voorzien. Een stiefmoeder in het gezin acht het Hof een ‘gebruikelijke wijze’ om in huishoudelijke taken te voorzien. Dat de stiefmoeder nu de verzekeraar een uitgave bespaart telt niet omdat ook voordat de vader hertrouwde er geen externe hulp was ingehuurd. Er was dus geen concrete schade. In een gezin is er bovendien een onderlinge zorgplicht die ‘normaal’ is. En dat mag doorwerken in de relatie met een verzekeraar.

Waarom is de Hoge Raad het daar niet mee eens?
De Hoge Raad vindt het “onredelijk” om de onderhoudslast van andermans jonge kinderen op een nieuwe partner te leggen, in plaats van op de aansprakelijke voor de dood van de vorige. Dat het gezin geen extra uitgaven deed doet er niet toe. Meestal schieten familie, vrienden en bekenden immers toe met kosteloze hulp. Belangrijk is dat na een ongeval niet met een verzekeraar gebakkeleid hoeft te worden of de schade nu abstract of concreet is. Meteen na een ongeval moet de behoefte van de kinderen ‘tot aan hun meerderjarigheid’ kunnen worden vastgesteld zonder rekening te houden met de vraag of een ouder hertrouwt. Dan wel wanneer de kosteloze burenhulp stopt.

Lees het vonnis hier Reageren?  Nuanceren en argumenteren verplicht.

Geplaatst in:
Civiel recht
Lees meer over:
Hoge Raad

4 reacties op 'Uitspraak 14: Voor- en nadeel van een stiefmoeder'

Ton Hartlief, hoogleraar privaatrecht

1. Overlijdensschade wordt juridisch relatief zuinig behandeld. Zijn de nabestaanden ook echt financieel behoeftig, alle concrete omstandigheden in aanmerking genomen? Zijn ze dat niet, dan bestaat er geen recht op vergoeding. Dat is bijzonder, omdat het er normaal gesproken niet toe doet of het slachtoffer financieel tegen een stootje kan. Alleen bij schade door overlijden is dat relevant.

2. Overlijdensschade wijkt op meer punten af: de wet geeft precies aan wie er recht hebben op vergoeding en van welke schadepost. De wet beperkt de vergoeding tot gederfd levensonderhoud en begrafeniskosten. In deze zaak heeft de Hoge Raad alleen hoeven oordelen over het levensonderhoud dat de kinderen hebben gederfd. Door het wegvallen van hun moeder moest op een andere wijze in de huishouding worden voorzien.

3. Het hof wees vergoeding af. Ten eerste omdat er ten tijde van de uitspraak geen betaalde kracht was ingehuurd. Er waren dus niet daadwerkelijk kosten gemaakt. Ten tweede omdat uiteindelijk juist in de huishouding werd voorzien door de stiefmoeder.

4. ‘Concreet of abstract?’ is hier de hamvraag. Alleen als je deze twee door het hof aangetroffen ‘obstakels’ mag wegdenken, hebben de kinderen immers een recht op vergoeding. Wat de stiefmoeder betreft was het eigenlijk wel duidelijk dat het hof op het verkeerde spoor zat. De Hoge Raad had al in de jaren ’80 beslist dat het meewegen van de bijdrage aan het levensonderhoud van de stiefouder een onredelijk en daarmee rechtens onaanvaardbaar resultaat zou opleveren. Het effect is immers dat de onderhoudslast van de kinderen feitelijk op de nieuwe partner zou rusten. Mijn indruk is dat de pijn vooral zit in het feit dat de veroorzaker van het verkeersongeval en zijn verzekeraar hiervan zouden profiteren.

5. Die abstractie moeten we dus in ieder geval maken. Ook op het tweede punt, er zijn helemaal geen kosten gemaakt, is dat echter nodig. En ook hier kan ik instemmen met de Hoge Raad. Hij heeft goed gevoel voor hoe het werkt. In de regel is na het wegvallen van een van de ouders sprake van noodoplossingen. Familie, vrienden of bekenden springen bij om de kinderen op te vangen. Al was het maar omdat er in de huishoudpot niet onmiddellijk een budget voor professionele hulp beschikbaar is. Tegelijkertijd zijn dit voorzieningen die de omgeving niet voor de eeuwigheid bedoelt en al helemaal niet om de veroorzaker te bevoordelen.

6. De beslissing van de Hoge Raad is een gelukkige: het is niet nodig dat er ten tijde van de uitspraak daadwerkelijk kosten worden gemaakt. Hij schept daarmee een kader waarin nabestaanden en veroorzaker (en zijn verzekeraar) zo snel mogelijk met elkaar in overleg treden. Ze moeten bepalen of er behoefte is aan vervangende hulp en welke passende vergoeding daarvoor beschikbaar moet komen. Tegelijkertijd kan de omgeving gewoon hulp bieden zonder dat men zich hoeft te bekommeren om de vraag wat daarvan de nadelige consequenties zouden kunnen zijn in de onderhandelingen tussen nabestaanden en de ‘betalende kant’.

7. Concreet is dus het uitgangspunt (zie 1) maar met enkele zinvolle abstracties die het toch al lastige debat stroomlijnen en het makkelijker maken om een adequate voorziening te treffen voor de belangen van de kinderen. Prachtig, lijkt me.

w.f.c. hony

volgens mij is uitspraak van het hof in tegenspraak met de uitspraak van de hogeraad en het hof amsterdam inzake mijn kinderen het hony/tijsterman arrest

Fred van Overbeeke

Laat ik voorop stellen dat ik het eens ben met ‘annotator’ Hartlief die de Hoge Raad lof toezwaait voor deze uitspraak. In de toekomst wordt nu hopelijk voorkomen dat minderjarige kinderen bij het wegvallen van een ouder maar moeten afwachten of de laedens, in dit geval de WAM-verzekeraar, niet gaat chicaneren met betrekking tot de kosten van de huishoudelijke verzorging. Soms wordt er dan getraineerd met het opmaken van een definitieve schadeberekening, zoals ook in het onderhavige geval. En wordt er bijvoorbeeld op gerekend dat buren en familieleden en de overige gezinsleden bijspringen, zodat er ten tijde van de definitieve onderhandelingen of een rechtsgeding gesteld kan worden: ‘Kijk maar, de huishouding draait zonder problemen door, en er is zelfs geen betaalde hulp ingehuurd…’.

Nu zeg ik dit met enig voorbehoud, want verzekeraars wisten vaak ook niet beter. Tot aan de laatste jaren is er nauwelijks enige jurisprudentie gevormd met betrekking tot het wetsartikel dat hier in het geding is, namelijk art. 6:108 BW dat bij overlijden de vergoeding regelt voor de nabestaanden. Deze regeling is , althans in de geest, min of meer een voortzetting van het oude burgerlijk wetboek, en is rond 1980 enigszins opgepoetst om in 1992 met het nieuwe BW ingevoerd te worden. Die geest dateert nog van dertig, veertig jaar geleden toen de wereld nog overzichtelijk was, en gaat er nog geheel van uit dat nagelaten betrekkingen eigenlijk niet méér mogen verkrijgen dan waaraan zij zeer strikt genomen behoefte hebben.
Nog in het jaar 2000 bijvoorbeeld bepaalde de Hoge Raad op strenge toon dat een arm gezin op Curaçao van een weduwe met drie minderjarige kinderen, die hun man en vader bij een autoongeval hadden verloren, geen ongestoord genot mocht hebben van een vrijgevallen verzekeringssom. Het ontvangen bedrag moest in mindering worden gebracht op de schadevergoeding.

Hier nog even het arrest van 4 februari 2000, waarin de duffe juridische sfeer van het jaar 1970 geheel tot uitdrukking komt. De HR wijst er op dat het in zowel het oude als het nieuwe recht niet gaat om schade van de overledene zelf, maar om schade die de nabestaande lijdt door het derven van levensonderhoud dat hij van de overledene ontving. De tekst is letterlijk:

“Het recht op schadevergoeding krachtens dit artikel is in zoverre beperkt dat geen recht op schadevergoeding bestaat, voor zover de nabestaande, gezien zijn financiële omstandigheden en de stand waarin hij leeft, ondanks deze schade als niet-behoeftig kan worden aangemerkt (vgl. HR 19 juni 1970, NJ 1970, 380). Bij het bepalen van de behoefte van de nabestaande behoort in beginsel zijn gehele financiële positie in aanmerking te worden genomen. Hieruit vloeit voort dat alle gunstige financiële omstandigheden de behoefte van de nabestaande kunnen beperken en dat daarmee uit dien hoofde – derhalve anders dan bij wege van voordeelstoerekening – ook bij de hem verschuldigde schadevergoeding rekening moet worden gehouden. Dit geldt ook voor een uitkering uit hoofde van een verzekering als de onderhavige levensverzekering”.

Uit datzelfde stoffige jaar stamt ook het volgende arrest:

Uit HR 3 april 1970, NJ 1970, 379 volgt dat het irrelevant is met welk doel de verzekering is gesloten en eveneens welke opofferingen degene die de verzekering is aangegaan zich daarvoor heeft getroost. Dit vloeit volgens de Hoge Raad voort uit de omstandigheid dat door de verzekeringsuitkering de behoeftigheid van de nabestaanden vermindert.

De negatieve uitspraak voor de weduwe kwam negen jaar nadat de op een weg wandelende vader was doodgereden. De automobilist en zijn verzekeraar hadden ten langen leste gewonnen, dat staat vast. Evenals het feit dat onze verlichte moderne tijd anno 2000 het dus had moeten afleggen tegen de op dit punt verkalkte geest van de jaren zeventig, overigens strikt gehandhaafd door de Hoge Raad.

Vermeldenswaardig is nog dat het Hof van Justitie op het eiland de ontvangen verzekeringssom die verbonden was aan de (aflossing van) de hypotheek, buiten de schadeafwikkeling had willen laten, en dat de Conclusie van A-G Spier er toe strekte dat het oordeel van het Hof niet berusttte op een onjuiste rechtsopvatting. Maar ondanks dit advies
casseerde de Hoge Raad.

Het verdient aanbeveling om zeer beknopt enkele zinsneden uit de conclusie van prof. mr. J Spier aan te halen.

- “Ik kom aldus op een van de bezwaren tegen het huidige stelsel: het hinkt op twee gedachten. Er is, los van starre dogmatiek – die niet meer past in de huidige tijd – geen overtuigende reden waarom gevallen van dood en letselschade (dan blijft een verzekering wél buiten beschouwing, FvO) zo fundamenteel verschillend zouden moeten worden behandeld”.

- “Naar de kern genomen komen alle opvattingen die strekken tot het niet in aanmerking nemen van sommenverzekeringen er op neer dat de laedens (de aansprakelijke, de veroorzaker van het ongeval, FvO) niets met dergelijke verzekeringen te maken heeft. Ze zijn niet in zijn belang afgesloten; het ligt niet in de rede dat hij zou profiteren van opofferingen die de benadeelde (of zijn nabestaanden) zich hebben getroost.”

- “Ook aan eerdere rechtspraak, vooral van de Hoge Raad, moet vanzelfsprekend groot belang worden gehecht. Reeds de rechtszekerheid eist dat niet te gemakkelijk wordt afgeweken van gevestigde jurisprudentie, zeker niet in gevallen waarin de praktijk zich daarnaar richt. Maar rechtspraak heeft, evenmin als wetgeving, eeuwigheidswaarde. De rechtspraak van Uw Raad is daarvan doordrongen. Naarmate de inzichten veranderen, slaat ook Uw Raad nieuwe richtingen in. Op bepaalde terreinen is die ontwikkeling significant. Er is een onmiskenbare trend – die op zeer brede steun kan bogen – om ruimer oog te hebben voor de gevolgen van dood en letsel dat door anderen is berokkend”.

Arresten van 2005 en 2008

Tot zover de situatie in 2000. Ik keer nu terug naar het heden. Er zijn inmiddels twee nieuwe uitspraken verschenen. Het is verheugend dat in de hier in het weblog besproken casus (van de ‘stiefmoeder’zal ik maar zeggen) en ook in een arrest van 16 december 2005 een aantal handreikingen zijn gedaan aan zowel de nabestaanden als aan de feitenrechters en de verzekeraars. Want laten we eerlijk zijn. Dat de laatstgenoemden in hun benaderingen de grenzen van de wet hebben opgezocht valt hen niet ten diepste te verwijten. Bij al die open normen en het soms diffuse en inconsequente taalgebruik van de subonderdelen in het wetsartikel kan je het de verzekeraar niet kwalijk nemen dat er naar gestreefd wordt met een eigen invulling zo weinig mogelijk schadevergoeding te hoeven betalen. Meer kritiek heb ik echter op de rechtspraak. Het lijkt er op dat in beide casus de lagere rechter, de rechtbank, meer oog heeft gehad voor de geest van de wet dan de beroepsrechter. Zowel het hof in Amsterdam als in Den Bosch hebben soms de vreemdste redeneringen te berde gebracht. Met name inzake de vergoeding voor huishoudelijke verzorging. Dat gaat dan niet alleen om de inschakeling van een stiefouder. Zo vonniste hof Den Bosch dat de man die na het dodelijke ongeval van zijn partner alleen overbleef slechts een zeer gering bedrag aan huishoudelijke hulp kon claimen. En dat moest afgelopen zijn zodra hij weer een vriendin in huis nam.

Over het geheel genomen hebben beide arresten bijgedragen tot meer helderheid. Soms was dat ten overvloede, en hadden feitenrechters het beter moeten weten. In ieder geval is nu duidelijk dat een nabestaande die met de overledene toekomstafspraken heeft, bijvoorbeeld om een nieuw huis te bouwen en daarin te gaan wonen en beiden dienaangaande al de nodige contractuele verplichtingen hebben aangegaan, recht heeft op schadevergoeding waarin deze grotere ‘behoeftigheid’ is verdisconteerd. Zo ligt nu ook vast dat de rechter mag beslissen tot abstracte schadevergoeding, en dat inzoverre mag worden afgeweken van de regel bij persoonsschade dat alleen het werkelijke (concrete) geleden nadeel, dus vermogensschade, mag worden vergoed. Het hoogste rechtscollege heeft ook de verzekeraars aangespoord om eens wat vlugger op te schieten, liefst al spoedig na het overlijden, bij het bepalen en uitkeren van schadevergoeding voor noodzakelijke huishoudelijke ondersteuning, met name als er sprake is van minderjarige kinderen. En, – toch ook wel aardig – er wordt tevens een tip gegeven richting de nabestaanden.
De Hoge Raad wijst er op dat er voor een objectieve benadering (abstracte begroting) des te meer aanleiding is nu het hier gaat om nog niet ingetreden schade, en verwijst uitdrukkelijk naar art. 6:105 BW waarin is bepaald dat de rechter de vrijheid heeft deze zelfstandig te begroten en de schuldenaar te veroordelen tot betaling. Mij lijkt dat hier aan de weduwe of weduwnaar een stok achter de deur, in de vorm van een kort geding op deze grondslag, wordt aangereikt in het geval van een ál te trainerende verzekeraar.

Ik keer ten slotte terug naar die mijns inziens discutabele uitspraak in het jaar 2000. Zou het de Hoge Raad die nu goed bezig is de regelingen van art. 6:108 BW op een eigentijdse wijze in te vullen, niet sieren als de eerste de beste gelegenheid zou worden aangegrepen om die inmiddels verstarde dogmatiek van de (al dan niet) uitsluiting van verzekeringsuitkeringen, in het voordeel van nabestaanden te beslechten? Dat zou inderdaad een ‘omgaan’ betekenen ten opzichte van het behoeftigheidscriterium. So what? In de conclusie van de A-G en in de ruimschoots voorhanden literatuur zijn talrijke uitwegen aangegeven. Enige ruimhartigheid mag de Hoge Raad toch niet vreemd zijn?

Fred van Overbeeke

Het zou een tikje onwellevend zijn als we hier geen aandacht zouden schenken aan hetgeen de inzender hierboven, W.F.C. Hony, aan ons meldt. Hij verwijst naar het arrest Hony/Tijsterman van 5 juni 1981 waarin hij naar eigen zeggen figureerde als de vader die na het overlijden van de moeder de zorg van de kinderen op zich nam. De Hoge raad besliste dat de aansprakelijkheid van de dader die het ongeval veroorzaakte jegens een kind van de overledene niet wordt beïnvloed door het feit dat de overlevende ouder of een derde zich het onderhoud van het kind aantrekt.

Het ging hier om een gescheiden vrouw die met haar drie kinderen moest leven van een bescheiden alimentatie-uitkering en die door een ongeval om het leven kwam. De kinderen werden vervolgens opgenomen in het gezin van hun vader (naar ik begrijp W.F.C. Hony) en kwamen daardoor in een gezin met een hogere welstand. Voor hun verzorging was echter huishoudelijke hulp nodig. Het betrof hier ingehuurde professionele verzorging. De vraag was of zij terzake schadevergoeding konden vorderen.
De Hoge Raad overwoog: “Uitgaven die nodig zijn geworden door het wegvallen van de inbreng van de werkkracht van de overleden moeder bij de dagelijkse verzorging en opvoeding van achtergebleven minderjarige kinderen, vormen een schade die in beginsel voor vergoeding op grond van art. 1406 (oud) BW (vergelijkbaar met thans art. 6:108 BW) in aanmerking komt, ongeacht in welke situatie deze kinderen na het overlijden van hun moeder overigens komen te verkeren dankzij de wijze waarop de vader aan zijn verplichtingen voldoet, en ongeacht of de vader door het overlijden van de moeder van een alimentatieplicht jegens haar wordt bevrijd.” (criterium voor de behoeftigheidsbepaling in die jaren was nog ‘stand en fortuin’, FvO).

De Hoge Raad gaf hier ook nog aan dat ‘huishouding’ niet in strikte zin hoefde te worden uitgelegd, en spreekt van “uitgaven die nodig zijn geworden door het wegvallen van de inbreng van de overleden moeder bij de dagelijkse verzorging en opvoeding van de achtergebleven minderjarige kinderen”. Daarmee kreeg het begrip ‘huishouding’ een wijdere strekking, naast verzorging tevens opvoeding. Onduidelijk voor mij is in hoeverre in latere jurisprudentie met deze ruime interpretatie rekening is gehouden.

Een ander arrest uit die tijd is van 28 februari 1986. Daarin vinden we het stiefmoeder-aspect terug. De Hoge Raad moest zich uitlaten over de vraag of het onderhoud dat door de man met wie de weduwe hertrouwt of in concubinaat gaat leven aan haar minderjarige kinderen wordt verstrekt of zal worden verstrekt, in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van hetgeen deze kinderen behoeven. De Hoge Raad beantwoordde ontkennend, omdat dit tot de onredelijke situatie zou leiden dat de onderhoudslast dan op de stiefvader cq nieuwe partner zou komen te rusten in plaats van op de aansprakelijke partij.

Als dus inzender Hony bedoelde dat het hof in onze casus op grond van de oude arresten beter had moeten weten, dan heeft hij groot gelijk.