Het is geen recht, het is Supersnelrecht!
Snel- en supersnelrecht, wie kan er tegen zijn? Het klinkt goed. Net als snelkookpan en supermarkt. Maar tussen droom en daad liggen praktische en rechtsstatelijke bezwaren.
Supersnelrecht is juridisch mogelijk sinds eind vorige eeuw en vooral geschikt voor eenvoudige delicten: heterdaadjes of bekennende verdachten. Denk aan hooligans, winkeldieven en raddraaiers. De politiek vraagt altijd om snelrecht bij ordeverstoringen, mits ze publiciteit trekken. Onlangs nog bij het incident met bedreigd ambulancepersoneel, bij de scholierenstakingen en de oud-en nieuw vernielingen.
VVD-leider Rutte liet bij de Algemene Beschouwingen nog een motie aannemen, waarbij snelrecht werd geëist bij geweld tegen publieke dienstverleners. Snelrecht komt uit dezelfde gereedschapskist als ‘lik op stuk’, ‘buurtrechter’ (zie aldaar), Pluk ze, Zero tolerance, Vetverkeerd, Doe-Normaal-Bevel, Halt en Stopreactie. Eergisteren kondigde de rechtbank Rotterdam meer delicttypen op de supersnelrecht-zittingen aan te brengen. Lees hier het bericht. Het verschil tussen snelrecht en supersnelrecht is hier te lezen. Snelrecht betekent ruwweg betalen binnen twee weken of voor de rechter komen binnen twee maanden. Bij supersnelrecht komt de verdachte binnen 2 tot 3 dagen op de zitting, bij de rechter, meteen uit de politiecel. Rechtbank en OM in Rotterdam zijn enthousiast. Maar dat geldt niet voor alle rechtbanken. Lees hier een eerder bericht. En de getergde redactie van het OM, hier.
Rechters willen geen stempelmachine van justitie en politie worden, zeker niet bij groepen verdachten. Geen straf zonder schuld is immers het fundament van strafrecht. Dat moet netjes uitgezocht kunnen worden. De verdachte moet schuld (culpa) hebben, dus verwijtbaar hebben gehandeld. Daar moet bewijs voor zijn. De rechter wil ook eenvoudige zaken kunnen voorbereiden. Net als de verdediging trouwens. Om tot een passende straf te komen is er soms advies van de reclassering nodig. Ook het slachtoffer moet gelegenheid hebben om eventuele schadevergoeding als eis in te brengen. Dat kan allemaal niet binnen twee dagen. Recht vraagt zorgvuldigheid en dus tijd.
In 2000 schreef Advocaat-generaal J. Wortel al in een lange conclusie onder een arrest over supersnelrecht dat de politierechter zich vaak genoodzaakt zal zien de zitting aan te houden. ,,Optimaal gebruik van kostbare zittingsruimte is derhalve allerminst verzekerd.”
Wortel vertegenwoordigt weliswaar het openbaar ministerie bij de Hoge Raad maar is volstrekt onafhankelijk. Hij behandelt in dit arrest uitgebreid de rechten die de verdachte moet opgeven om voor ‘supersnelrecht’ in aanmerking te komen. Zo is er geen sprake van een onafhankelijke en onbevooroordeelde rechterlijke toetsing van de beslissing om de verdachte in voorarrest te houden. Dat dezelfde rechter over de zaak oordeelt als over de gevangenhouding is niet juridisch vanzelfsprekend.
Maar hij ziet ook voordelen. In overweging 34 zegt Wortel dat supersnelrecht er toe kan leiden dat verdachten na veroordeling meteen in het Huis van Bewaring komen. Ze blijven dus kort in de cel op het politiebureau. ,,Voor een ieder die weet hoe een politiecel er uit ziet behoeft geen verder betoog dat het tenuitvoerleggen van de bewaring op een politiebureau een uit nood geboren, maar tamelijk afzichtelijke, misstand in de Nederlandse strafrechtspleging vormt.”
Reageren? Nuanceren en argumenteren verplicht
