Belangrijk: Voor het goed functioneren van nrc.nl maken wij gebruik van cookies (meer informatie).
Hiervoor hebben wij wel eerst je toestemming nodig. Klik op de groene knop als je hiermee akkoord gaat.

Uitspraak 13: Hetze of journalistieke vrijheid

Moet een webpublicatie toestemming hebben om iemand met naam en toenaam te beschrijven? De rechtbank Den Bosch dwingt een website tientallen artikelen te verwijderen.

Met reacties van Corien Prins en Christiaan Alberdingk Thijm

De Zaak. Een discussieplatform voor actiegroepen op internet wijdt tientallen artikelen aan een zakenman. Twaalf jaar geleden was de man gehoord in een groot strafrechtelijk onderzoek naar Johan de V. alias ‘de Hakkelaar’. De website, Kleintje Muurkrant, ziet een verband met het beleggingsfonds Terra Vitalis dat de zakenman sindsdien exploiteert. De zakenman eist verwijdering van zijn naam en een verbod voor de toekomst.

Waarop is de eis gebaseerd?

De zakenman vindt dat de Wet Bescherming Persoonsgegevens de redactie verplicht om hem toestemming te vragen om zijn naam te publiceren. Nu dat niet is gebeurd lijdt hij schade, ook omdat zijn goede naam is aangetast. De manier waarop hij wordt genoemd vindt de zakenman feitelijk onjuist, niet ter zake en onvolledig. De redactie handelt onrechtmatig, zegt hij.

Hoe verweert de redactie van kleintje Muurkrant zich?

Die beroept zich op de wettelijke uitzondering op de plicht om toestemming te vragen, namelijk als er een ‘aantoonbare noodzaak’ is. Die noodzaak is journalistiek van karakter. De zakenman is beheerder van een beleggingsfonds in teakplantages op Costa Rica en belooft verdacht hoge rendementen. De Autoriteit Financiële Markten heeft dit fonds, Terra Vitalis, in onderzoek. De redactie vindt dat het de man met naam mag beschrijven op basis van journalistieke maatstaven.

Hoe beoordeelt de rechter het verweer?

Die vindt dat er geen sprake is van een ‘noodzaak’ om de naam van de zakenman te noemen. De man is destijds namelijk niet vervolgd als gevolg van het Octopussy-onderzoek. De informatie die de website ophaalt vindt de rechter „erg gedateerd en weinig relevant”. Daar mag een publicatie niet op terug komen. „Het zou te dol voor woorden zijn als iedereen die ooit in een strafrechtelijk onderzoek is gehoord maar nooit is vervolgd, dat nog decennia later in besmuikte zin op internet tegengeworpen krijgt.”
Ook vindt de rechter niet dat de website zich bezig houdt met degelijke objectieve informatieverzameling zoals de omschrijving van ‘noodzaak’ in de wet luidt. Eerder het tegenovergestelde. De rechter zegt dat de „toonzetting en bewoordingen” die de site gebruikt duiden op „een vorm van hetze”. Het actuele maatschappelijke belang, de teakbeleggingen, wegen niet zwaar. De Autoriteit Financiële Markten heeft de vergunningen van de zakenman immers niet ingetrokken.

Wat is het oordeel?

Er is sprake van ‘lichtvaardig en onrechtmatig herhalen van persoonsgegevens’. De naam van de zakenman moet van de site af. Maar een verbod op herhaling in de toekomst zou censuur betekenen. Dus die eis wordt niet toegewezen.

Wat was het gevolg?

De website verwijdert knarsetandend een hele reeks artikelen over Terra Vitalis. De sitebezoekers krijgen te horen dat de Raad van Toezicht van het omstreden fonds wordt voorgezeten door een plaatsvervangend raadsheer van het aanpalende Gerechtshof Den Bosch. „Mogen we daaruit enige conclusie trekken? Nee. Maar God hoort ons brommen.” Het beleggingsfonds ging eind augustus failliet.

Folkert Jensma

-Bekijk het vonnis


Geplaatst in:
Civiel recht
Lees meer over:
beleggingsfonds
internet

6 reacties op 'Uitspraak 13: Hetze of journalistieke vrijheid'

Corien Prins, hoogleraar recht en informatisering

Wat mij betreft legt Jensma met de venijnige conclusie van Kleintje Muurkrant – het beleggingsfonds ging eind augustus failliet – de vinger op de zere plek. Deed Kleintje Muurkrant in deze kwestie inderdaad aan serieuze onderzoeksjournalistiek? En heeft het beleggers terecht willen waarschuwen voor een beleggingsfonds waarvan de directeur in het verleden in zaken was met de Hakkelaar? Een beleggingsfonds dat uiteindelijk inderdaad failliet ging. Of was de berichtgeving weinig meer dan waar Jan en alleman zich dezer dagen op het internet mee bezig wenst te houden: Name and Shame in volstrekte willekeur?

Snel zoeken op internet leert dat de internetgemeenschap het oordeel van de rechtbank in ieder geval weinig kon waarderen. “Terra Vitalis of het einde van de onderzoeksjournalistiek”, kopt de website ‘crimesite.nl’ in een kritische reactie op het vonnis. De bekende internetcolumnist Peter Olsthoorn constateert dat Kleintje Muurkrant doorgaans grondig onderzoek doet en – in beperkte kring – is uitgegroeid tot een kleine autoriteit in misdaadintriges en banden tussen de boven- en onderwereld. “Kleintje hanteert een methode die niet strookt met wat gangbaar is in de pers. Maar levert (juist daardoor?) wel belangrijke onthullingen op die de gewone pers met haar focus op wat persbureaus en andere belangrijke belanghebbenden naar voren duwen, vaak liggen.”, aldus Olsthoorn.

Laat ik er maar eens even van uitgaan dat Kleintje Muurkrant inderdaad aan serieuze onderzoeksjournalistiek deed. Voor mij is dan het punt of die minder gangbare methoden van de digitale krant door de beugel kunnen. Moeten we – in het algemeen belang en gegeven de nieuwe mogelijkheden die internet – voor internetjournalistiek andere maatstaven aanleggen dan voor de gangbare vormen van journalistiek? Hier zijn drie overwegingen van de rechter relevant. De eerste is de toonzetting van de berichtgeving – een punt waar de rechtbank Den Bosch over valt. Wie taalgebruik, woordkeuze en wijze van bejegening op internet een beetje kent, weet dat de digitale wereld een totaal andere wereld is. En we doen er allemaal aan mee. Wat mij betreft hebben we te accepteren dat de journalistieke berichtgeving op internet een toontje scherper, feller en zo men wil venijniger is.

Dan het punt van de rechter over actualiteit van de informatie. Volgens de rechter is de informatie over het kennelijke beruchte verleden als kompaan van Johan V., alias De Hakkelaar, erg gedateerd en weinig relevant. Dat de informatie gedateerd was staat wel vast. Of ze ook weinig relevant is, is natuurlijk de vraag. Op voorhand weten we natuurlijk niet dat het mogelijk duistere verleden van de zakenman betekent dat hij ook nu nog beleggers een loer gaat draaien. Laten we er daarom maar vanuit gaan dat Kleintje Muurkrant zich opiniërend opstelde. Op zichzelf behoort dit tot de vrije sfeer van de waardeoordelen. Maar ergens liggen – ook voor de journalistiek – de grenzen. En die grenzen vinden we duidelijk terug in nationale en internationale rechtspraak (Hoge Raad in de zaak Het Parool/Van Gasteren van 1995; Hoge Raad 17 oktober 2006, Europees Hof voor de Rechten van de Mens, McVicar, 7 mei 2002). Ik zie niet in waarom de lijn die daar is getrokken niet ook zou gelden voor internetjournalistiek: Waardeoordelen zijn vrij. Ze hoeven niet bewezen te worden. Maar er moet wel voldoende grondslag voor het oordeel of het gerucht in de feiten zijn. En die feitelijke grondslag moet wel te bewijzen zijn. Met andere woorden, een internetkrant die een ernstige beschuldiging uit – zoals in deze zaak toch het geval – is verplicht de juistheid van de beweringen te verifiëren. Is dat niet mogelijk – domweg omdat je niet weet of de zakenman inderdaad na zovele jaren de onderwereld nog steeds een warm hart toedraagt en beleggers de dupe zullen worden – dan past een beschuldiging met naam en toenaam simpelweg niet.

En tenslotte: wederhoor. Wederhoor past niet in de werkwijze van Kleintje Muurkrant. Hier kan ik simpel over zijn. Wat mij betreft omvat de maat waaraan we de internetjournalistiek mogen en moeten meten onder alle omstandigheden de mogelijkheid van wederhoor. Als is het maar omdat dat wederhoor – evenals de beschuldiging nu – dan ook nog jaren later op het internet te vinden is.

Christiaan Alberdingk Thijm, specialist auteursrecht op het internet

Het recht op privacy kent vele gedaanten. Eén daarvan is de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), die — zoals de naam al doet vermoeden — regels bevat onder welke omstandigheden persoonsgegevens mogen worden verwerkt. De Wbp biedt onder meer bescherming tegen het doelloos aanleggen van informatieprofielen en -boterbergen. Informationele privacy noemt men dit aspect van het recht wel.

Het recht op privacy sijpelt ook op andere manieren door in ons recht. Denk aan het huisrecht, het verbod op stalking, het portretrecht en de bescherming van de eer en goede naam. Al die aspecten van de privacy worden in het Nederlandse recht weer op een andere manier gereguleerd (respectievelijk door de Grondwet, het Wetboek van Strafrecht, de Auteurswet en de onrechtmatige daad). Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een inbreuk op de privacy is het daarom van belang om eerst van te stellen wat het rechtsobject is waarvoor de bescherming wordt ingeroepen.

In dit geval gaat het om de bescherming van de eer en goede naam. Daar staat een ander hoogwaardig belang tegenover, namelijk dat van de uitingsvrijheid. Beide belangen c.q. rechten vinden bescherming in het EVRM. Niet één van die rechten gaat voor boven de ander, zo heeft de Hoge Raad begin dit jaar nog bevestigd in het Hemelrijk-arest (HR 18 januari 2008). Om te beoordelen aan welk recht in een gegeven situatie zwaarder gewicht dient te worden gegeven, is in de Nederlandse rechtspraak een wegingsproces ontwikkeld. Door weging van diverse factoren van feitelijke aard wordt bepaald of sprake is van schending van de privacy danwel of de uitingsvrijheid zwaarder weegt.

In de hierboven besproken zaak doet de voorzieningenrechter iets opvallends. Hij past de Wet bescherming persoonsgegevens toe in een zaak die gaat over een vermeende schending van de eer en goede naam. Daardoor wordt de uitingsvrijheid een slechte dienst bewezen. Het wordt ondergeschikt gemaakt aan het recht op privacy. En dat is niet de bedoeling.

Martin Holterman

L.S.,

Inderdaad, het merkwaardige hier is de vermening van privacyrecht en het recht omtrent aantasting van eer en goede naam. Daar komt nog bij dat de rechter zich hier een oordeel aanmatigt over de journalistieke kwaliteit van het werk van gedaagde. (rov 4.3.1: “weinig relevant”, rov 4.3.3 “een vorm van hetze”) Rov 4.3.2 is natuurlijk helemaal mis: Het feit dat de AFM geen aanleiding heeft gezien om eiser aan te pakken is nou net wat gedaagde aan de kaak heeft willen stellen.

Het voordeel van de rechtsregels over aantasting van eer en goede naam is nou juist dat de rechter zich niet over dergelijke inhoudelijkheden hoeft uit te spreken. Hij kan gewoon de stappen volgen: 1. Is de uitspraak lasterlijk? 2. Kan gedaagde haar uitspraken voldoende met bewijs onderbouwen? 3. zo niet, is er dan een andere rechtvaardiging? Het enige subjectieve element is de vraag in hoeverre de gedaagde in het kader van de persvrijheid het voordeel van de twijfel moet worden gegund. (Zoals in de VS onder New York Times v. Sullivan.)

Tenzij het woord “Noodzaak” uit de Wbp erg streng wordt geïnterpreteerd (wat zou inhouden dat er zelden of nooit sprake is van noodzaak), betekent toepassing van deze wet op journalistieke publicaties altijd een inhoudelijke toetsing door de rechter, en dat lijkt me iets dat, op z’n zachtst gezegd, niet goed past in ons democratisch systeem.

Tico van Hout Ondernemer

Voor de het juist voeren van deze discussie is het van belang te weten dat het beleggingsfonds, niet failliet is verklaard. Dit wordt ten onrechte in dit artikel gesteld. Wel is een bedrijf dat het fonds in Nederland verkocht in die periode failliet gegaan, dit bedrijf had geen banden met het in dit artikel genoemde zakenman.

Fred van Overbeeke

Gezien de verhoogde omloopsnelheid van de ‘Uitspraak’-casussen op dit weblog – ik dacht dat het de bedoeling was er één te plaatsen in de twee weken – moet ik me haasten om alsnog een beschouwing toe te voegen. Dat is nodig. Want eigenlijk vind ik dat de voorgaande reacties de kern van de zaak niet raken. Betrokkene beroept zich namelijk uitdrukkelijk op de Wet bescherming persoonsgegevens. Hij legt dus uitsluitend deze wet ten grondslag aan zijn vordering, en zijn eis behelst slechts om zo snel mogelijk zijn persoonsgegevens te doen verwijderen van de website. Daar heeft hij recht op gelet op de bepalingen van de Wbp. Hij heeft immers aan Kleintje Muurkrant geen toestemming gegeven.

Maar de Wbp stelt wel enkele voorwaarden. Aangezien de Wbp aan de ‘verantwoordelijke’ (zo noemt de wet degene die de website beheert) het recht geeft om aan te tonen dat hij over een rechtvaardigingsgrond beschikt – die bovendien een milder regime kent ten aanzien van ‘journalistieke uitingen’ – voert betrokkene v.d. M. (we zullen hem X noemen) een aantal argumenten aan om de rechter in de gelegenheid te stellen die rechtvaardigingsgrond – dus de ‘aantoonbare noodzaak’ om zonder toestemming tot publicatie van persoonsgegevens over te gaan, te beoordelen en te toetsen aan de Wbp. Onder meer geeft X aan, voorzien van bewijsstukken, dat de in de publicaties vermelde persoonsgegevens feitelijk onjuist zijn, voor het doel van de verwerking onvolledig en niet ter zake dienend. Daardoor lijdt hij schade en wordt zijn goede naam aangetast. Daarmee kan de rechter aan de slag.

Let wel, anders dan bij een vordering op grond van onrechtmatige daad die moet leiden tot bijvoorbeeld een veroordeling wegens aantasting van eer en goede naam, een rectificatie en een schadevergoeding, is de vordering van X slechts gericht op verwijdering van de website van zijn persoonsgegevens. Niet méér.

Wat mij er toe beweegt om nu nog – ondanks het feit dat redacteur Folkert Jensma inmiddels aan de lopende band nieuwe Uitspraken ter commentariëring genereert – terug te komen op deze casus, vindt zijn oorzaak in de hier op dit weblog gepubliceerde reacties. Ik ben bang dat bijvoorbeeld inzender Alberdingk Thijm de verkeerde conclusie trekt als hij stelt: “Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een inbreuk op de privacy is het daarom van belang om eerst vast te stellen wat het rechtsobject is waarvoor de bescherming wordt ingeroepen. In dit geval gaat het om de bescherming van de eer en goede naam”. Dat lijkt me geen juiste gevolgtrekking.

Misschien dat die eer en goede naam speelt in het hoofd van aanlegger X, maar het kenbare rechtsobject in dezen is toch bescherming tegen het ongewenste gebruik van persoonsgegevens waarvoor de Wet bescherming persoonsgegevens in 2000 in het leven is geroepen. Dat verzoek honoreert de rechter dan ook. Na toetsing van de aangevoerde argumenten aan de wet veroordeelt de rechter Kleintje Muurkrant om de personalia van X binnen vijf dagen na vonnis van de website/forum te verwijderen.

Gelet op het voorgaande worden naar mijn mening in de hier geplaatste reacties dan ook onjuiste conclusies getrokken ten opzichte van de voorzieningenrechter die zich immers niet geplaatst ziet voor een vermeende schending van eer en goede naam, maar voor de toepassing van de Wbp. Deze overigens nog weinig gehanteerde wet (ook al zijn er inmiddels interessante zaken geweest op het gebied van inzagerecht)is niet in een handomdraai tot stand gekomen en ziet ook op de nodige waarborgen voor een eventuele voorrangspositie van de uitingsvrijheid. Regels daaromtrent zijn expliciet gemaakt in de aangehaalde Richtsnoeren (december 2007) waarin tevens wordt verwezen naar de actuele rechtspraak op het terrein van botsende grondrechten.

Eigenlijk vind ik het jammer dat de (helaas schaarse) beschouwingen zich hier niet hebben toegespitst op de Wpb, die immers strekt ter uitvoering van Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de publicatie van persoonsgegevens. De memorie van toelichting stelt dat de wet hoognodig is om de belangen van de burger op het gebied van elektronische verwerking, zoals internet, te beschermen. Ik citeer: “Sinds enige tijd maakt de omvang van de informatie en het gemak waarmee deze verkregen en verspreid kan worden een welhaast exponentiële groei door. Met behulp van geautomatiseerde zoeksystemen kan nu of in de naaste toekomst op nagenoeg elke werkplek of huiskamer een vrijwel onbegrensde hoeveelheid informatie snel worden geraadpleegd”. De memorie stamt uit 1998, dus is eigenlijk al achterhaald. Want de omvang van internet is inmiddels uitgedijd tot een wereldomspannend netwerk waarin – veelal blijvend! – miljarden en miljarden gegevens zijn opgeslagen en eenvoudig raadpleegbaar zijn gemaakt. In de memorie wordt gewaarschuwd dat er gevaren zijn die de menselijke waardigheid kunnen aantasten. Ik citeer: “Eén van de schaduwzijden van de informatiemaatschappij is de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die het gevolg kan zijn van een ongebreidelde vergaring, bewerking en verspreiding van persoonsgegevens”

Persoonsgegevens zijn nu op grond van de Wbp onderwerp geworden van regelgeving. En de doelstelling van deze wet is eigenlijk de burger een wat gemakkelijker toegang tot het recht te geven. Want wie vandaag ruzie heeft met zijn buurman kan morgen op internet lezen dat hij een pedofiel is, want een website is snel aangemaakt en anders kan er wel ergens anders op een website waar men het niet al te nauw neemt een plek worden gevonden. Wie dat overkomt staat voor de brandende vraag: krijg deze publicatie er maar eens af zonder advocaatkosten en zonder ongemak. In het huidige rechtssysteem lukt dat niet. Er zijn dus hoognodig regels nodig die efficiënter en effectiever kunnen worden toegepast. Hier in de onderhavige casus moest dat nog via dagvaarding. Ik heb begrepen dat ook verzoekschriftprocedures in de Wbp zijn voorzien. Gaarne doe ik een oproep aan de advocatuur om zich in deze wetgeving en procedures te verdiepen, en in voorkomend geval aan cliënten te adviseren. Er is op dit gebied dringend jurisprudentie nodig. Want, let wel, het gaat in dit soort zaken niet altijd om eer en goede naam, rectificatie en schadevergoeding, zoals onlangs nog in de zaak van Connie Breukhoven (LJN BD 5538). Nee, veelal willen slachtoffers niets liever dan zo snel mogelijk hun naam van dat beeldscherm zien verdwijnen, zodat zij kunnen terugkeren in de anonimiteit van de samenleving. Méér niet!

Ik vond het wel aardig dat Corien Prins in haar laatste alinea er voor pleit in ieder geval op internet wederhoor toe te passen. Die blijft dan óók – evenals de beschuldiging – nog jarenlang op internet te vinden. Tsja, dat is nu juist wat de Wbp wil voorkomen. Eigenlijk willen slachtoffers die ten onrecht hun personalia op internet gepubliceerd vinden, helemaal niet op internet reageren en helemaal niet nog jaren hun naam zien opdoemen – ze willen er van áf.

Misschien ben ik wat uitvoerig hier geweest. Maar ik dacht dat ondanks de wat hetzerige kop en die eeuwig er bij gesleepte journalistieke vrijheid, deze ‘Uitspraak’ hopelijk tot enige fundamentele beschouwingen ten aanzien van de Wbp en de bescherming van de burger zou leiden. Het begint soms op internet op kafkaiaanse toestanden te lijken.

Mogen we nog reacties tegemoetzien?

Onno de Boer

Ik sluit mij aan bij de voorgaande reactie van Fred, dit is een belangrijke discussie. Echter nieuwe wetgeving zal m.i. niet helpen vanwege het vaak grensoverschrijdende karakter van internet zelf.

M.a.w: de techiek leent zich er niet voor, en men wijkt nu al massaal uit naar buiten nederland gehoste websites (is dat de reden dat bv. HVV nog steeds niet vervolgd is voor bv. Opruiing omdat zij een .com domein gebruiken?)

Wat dat betreft is KM een ‘nette’ publicatie en mag de eiser van geluk spreken dat de site kennelijk in Nederland is en ook aanspreekbaar is.

Want had men de desbetreffende site bijvoorbeeld in de verenigde staten gehost, had men dan ook de KM publicatie in rechte kunnen betrekken?