Belangrijk: Voor het goed functioneren van nrc.nl maken wij gebruik van cookies (meer informatie).
Hiervoor hebben wij wel eerst je toestemming nodig. Klik op de groene knop als je hiermee akkoord gaat.

Uitspraak 9: Betalen bij zelfmoord

Moet een patiënt de rekening betalen van het ziekenhuis dat tegen diens wil hem redde van een poging tot zelfmoord?

Met een reactie van Ton Hartlief

De Zaak. Een man probeert zelfmoord te plegen en wordt met spoed naar het ziekenhuis gebracht. Daar wordt hij gered. De rekening voor de behandeling bedraagt ruim 3200 euro. Maar de patiënt weigert te betalen. Het ziekenhuis stuurt na enige tijd de deurwaarder. De patiënt zegt tegen zijn wil te zijn gered en acute behandeling te hebben geweigerd. En dus ook de rekening. Het ziekenhuis erkent eigenmachtig te zijn opgetreden.


Wat voor soort kwestie is dit?

Dit gaat niet over straf of boete, maar over verbintenissen tussen burgers. Over afspraken maken, dus. Wanneer mag je betaling eisen. Wanneer is er sprake van een opdracht. Hoe is de verhouding tussen een hulpverlener en een patiënt. Hoe en wanneer ontstaan verplichtingen: om te betalen dan wel om bijstand te verlenen. Burgerlijk recht dus.

Hoe beredeneert het ziekenhuis de vordering?

Het ziekenhuis zegt ten eerste dat de patiënt moet betalen op basis van artikel 7:453 Burgerlijk Wetboek. Daarin staat: „De hulpverlener moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard.” Het ziekenhuis zegt dat het mensen moet helpen die in een levensbedreigende situatie verkeren en het geen medische hulp mag weigeren.

En dus moet de patiënt ook betalen?

Nee, de kantonrechter in Rotterdam zegt dat dit artikel alleen slaat op de verplichtingen van een ziekenhuis bij een tevoren afgesproken behandeling. En die was er niet. Bovendien zijn dit gedragsregels die tussen medici onderling gelden en niet tussen patiënten en ziekenhuizen.

Die was dus mis. Heeft het ziekenhuis meer argumenten?

Ja, de dokters wijzen in het wetboek van Strafrecht een gedragsnorm aan. In artikel 450 staat dat je een boete krijgt of celstraf als je iemand nalaat te helpen „indien de dood van de hulpbehoevende volgt”. Maar ook daar is de kantonrechter niet van onder de indruk. Het risico dat je zelf straf krijgt betekent niet dat je bij een ander een rekening mag innen voor je goeie gedrag.

Einde oefening dus. Patiënt heeft gewonnen?!

Nee, de kantonrechter is creatief en draagt een rechtsgrond aan waar het ziekenhuis niet op kwam. Volgens de rechter speelt hier ‘zaakwaarneming’ een rol. ‘Het zich op een redelijke grond inlaten met de behartiging van eens anders belang’. Degene wiens belang wordt behartigd is dan juridisch verplicht de schade van de zaakwaarnemer te vergoeden.

De vraag is dan of het mogelijk is iemands belang te behartigen tegen diens wil. In de jurisprudentie en de doctrine is aanvaard dat dit alleen kan onder uitzonderlijke omstandigheden. Bijvoorbeeld bij een poging tot zelfmoord. Gaat het daarbij om een schreeuw om aandacht of juist om de uitvoering van een goed beredeneerd plan? „Voor degene die te hulp schiet, is het antwoord onbekend” zegt de rechter. Diens twijfel mag de doorslag geven voor ‘redelijke’ belangenbehartiging. Ook als de patiënt zegt dat hij niet behandeld wil worden, mag de arts betwijfelen of hij dat ‘echt’ niet wil. Redelijk handelen in dit geval is dus rechtmatige belangenbehartiging. Daaruit ontstaan verplichtingen. Het ziekenhuis mag incasseren.

Lees de uitspraak hier.

Geplaatst in:
Civiel recht
Lees meer over:
arts
belangenbehartiging

15 reacties op 'Uitspraak 9: Betalen bij zelfmoord'

Ton Hartlief, redacteur NJB, hoogleraar privaatrecht aan de Universiteit van Maastricht

Een aardige uitspraak waarin enkele uitgangspunten van het privaatrecht aan de orde komen. Voor een recht op vergoeding moet in ons wettelijk systeem een grondslag worden aangeboord. Zonder wettelijke grondslag ontstaat er namelijk geen verbintenis en dus geen recht op vergoeding (art. 6:1 BW). Voor de hand liggende bronnen voor die vergoeding zijn het contract (‘we hebben dit gewoon afgesproken’) en onrechtmatige daad (‘u hebt onrechtmatig jegens mij gehandeld en u moet daarom mijn schade vergoeden’). De weg van het contract is hier echter niet gelukt, nu vaststaat dat de betrokkene geen opdracht tot de behandelingen heeft gegeven. Van een afspraak kon daarom niet worden gesproken.

Het ziekenhuis heeft vooral benadrukt dat het niet anders kon dan de betrokkene behandelen. Daarbij heeft het onder meer gewezen op medische gedragsregels en op art. 450 Wetboek van Strafrecht. Helemaal ‘to the point’ zijn deze argumenten niet. Zij brengen hooguit een verplichting tot (be)handelen mee, maar geven daarmee nog geen recht op vergoeding van de daarmee gemoeide kosten.

Het zijn eerder argumenten die de betrokkene, zou hij juist niet behandeld zijn, tegen het ziekenhuis had kunnen aanvoeren, bijvoorbeeld bij een vordering uit onrechtmatige daad: ‘U heeft onrechtmatig jegens mij gehandeld door mij niet te behandelen. U hebt stilgezeten, waar handelen plicht was. Kijk maar naar uw eigen gedragsregels en art. 450 Sr’. Of in een levensbedreigende situatie, het antwoord ‘maar u wilde helemaal niet behandeld worden en daarom hebben we het gelaten’ het ziekenhuis vrijuit doet gaan, lijkt mij zeer de vraag. Soms moeten anderen, beter dan de betrokkene zelf, weten wat goed voor hem is. Dat laatste klinkt ook wel enigszins door in de uitspraak van de rechter.

De zaakwaarnemingsconstructie biedt hier uitkomst. Het ziekenhuis heeft zich op redelijke gronden met de belangen van een ander ingelaten en heeft dan recht op vergoeding. Dit lijkt mij ook adequaat, zelfs al was dit tegen de wil van de betrokkene. Het argument dat twijfel over de werkelijke wil van de betrokkene niet ten laste van de belangenbehartiger mag komen, is sterk. Of dit echter toch moet leiden tot een recht op de normale contractuele prijs is nog even de vraag. Van een contract is immers geen sprake. Ligt niet eerder een vergoeding van de werkelijk door het ziekenhuis gemaakte kosten voor de hand? Is dat niet de schade van het ziekenhuis?

Hier hebben we het natuurlijk over een uitzonderlijk geval. Het zal vaker voorkomen dat patiënten niet bij kennis zijn als ze binnen worden gebracht en dus ook geen eigen beslissing kenbaar kunnen maken. De normale contractuele route werkt dan niet. Ook in die gevallen kan zaakwaarneming soms uitkomst bieden. Anderen kunnen voor de patiënt de beslissing nemen dat behandeling goed voor hen is. Sterker nog: de zaakwaarnemer is dan wettelijk bevoegd om de betrokkene te vertegenwoordigen. In juridische zin komt dan wel degelijk een contract tussen patiënt en ziekenhuis tot stand. Uiteraard heeft het ziekenhuis dan wel recht op vergoeding van de normale contractuele prijs.

Rob Polak

Ik ben het eens met veel van wat Hartlief schrijft. Zijn observatie dat de schade van het ziekenhuis niet gelijk is aan de normale contractuele prijs, maar aan de werkelijke kosten, heeft mogelijk een pijnlijke consequentie. Als het ziekenhuis op de behandeling verlies heeft gemaakt, zou de patiënt nog meer moeten betalen dan de EUR 3.200 die hem nu in rekening is gebracht. Het is de vraag of deze patiënt met die last moet worden opgezadeld.

Willem Labots

Een interessante casus, waaruit helaas de angel is weggenomen doordat in doctrine en wetsgeschiedenis (kennelijk) de uitzonderingsregel van zelfmoord is opgenomen. Want ja, het kan natuurlijk die befaamde ‘schreeuw om aandacht’ zijn geweest. Dus is er gerede twijfel over de vrije wil van gedaagde.
Goed overigens van die kantonrechter om wat speurwerk te verrichten, en wat een tekortschieten van de gemachtigde van het ziekenhuis om, zelfs na bij rolopdracht in de gelegenheid te zijn gesteld om een subsidiaire grondslag aan te geven, geen vonk van juridische inspiratie te vinden ondanks het feit dat zaakwaarneming niet onbekend zal zijn in een ziekenhuisomgeving, zoals Hartlief ook aangeeft. Laten we het er maar op houden – voor de gemoedsrust van de advocatuur – dat in dit geval de gemachtigde geen advocaat was maar het waarnemend hoofd van personeelszaken…

J. Ophey

Lijkt de rechter in eerste instantie de betrokkene gelijk te geven (er was immers geen overeenkomst), de twijfel van de hulpverlener aan de wil van de betrokkene blijkt uiteindelijk de reden waarom de rechter in het voordeel van het ziekenhuis beslist.

Ik citeer:“Een man ‘probeert’ zelfmoord te plegen …”
Zo begint het artikel. In het woord ‘proberen’ is alle nuance verdwenen; het impliceert immers een zelfmoord’poging’.

Vervolgens verder in het artikel: “Gaat het daarbij om een schreeuw om aandacht of juist om de uitvoering van een goed beredeneerd plan? „Voor degene die te hulp schiet, is het antwoord onbekend” zegt de rechter.”
Dit is beslist niet waar. De medische hulpverlener (én de rechter) zal zich zeer terdege moeten afvragen of er sprake is van een daad die medisch gezien niet persé tot de dood hoeft te lijden of een daad die alle schijn van een omkeerbare handeling wegneemt.
Het is níet de twijfel aan de wil van de betrokkene die de doorslag geeft maar de aard van de handeling.

Alle juridische en medische regels ten spijt, twijfelen aan de wil van de betrokkene kan uitmonden in een ramp voor de betrokkene.

Rob Jonquière (directeur NVVE)

Uit het verhaal lijkt het dat de betrokkene niet in het bezit was van een behandelverbod (dat tenminste niet op zich had) en ook niet een leesbare en aanwezige verklaring had geschreven waarin hij de opzettelijke bedoeling van zijn handelen nader had aangeduid.

Wat zou er aan de uitspraak veranderd zijn geweest als dat wel het geval was? M.i. had niet alleen het ziekenhuis geen rekening mogen sturen want het handelde immers tegen de wil van de betrokkene, de laatste had een tuchtrechterlijke procedure kunen beginnen en mogelijk via een civiele procedure zelfs ook een schadevergoeding kunnen eisen.

Tom Thalhammer

Zorgelijk in de rechterlijke uitspraak – afgaande op de tekst in het NRC artikel – is de zin “Ook als de patient zegt dat hij niet behandeld wil worden, mag de arts betwijfelen of hij dat echt niet wil”. Dit zou er op neer kunnen komen dat een behandelverbod consequent genegeerd zou mogen worden, alleen maar omdat een willekeurige arts dat wenselijk vindt. Naar mijn overtuiging volstrekt in strijd met het zelfbeschikkingsrecht over het eigen leven en hoogst onwenselijk. Mijns inziens zou de arts, als hij/zij al een zo ingrijpende beslissing neemt, moeten aantonen dat het behandelverbod tot stand gekomen is, terwijl betrokkene handelingsonbekwaam was.

Janssen

Reactie op Rob
Zo’n behandelverbod (wil), moet je beschouwen als een wil die in strijd is met de openbare orde en de goede zeden en dus moet je beschouwen als een niet-bestaande. Een dergelijke wil ontneemt niet het verbintenissenrecht voortvloeiende uit zaakwaarneming.

Martin Holterman

@Janssen:

Dat waag ik te betwijfelen. (Zeker weet ik het niet, dat geef ik toe.) Men zou daartegen in kunnen brengen dat a) zelfmoord als zodanig niet strafbaar is (hulp bij zeldoding uiteraard wel, vgl. art. 294 lid 2 Sr, maar daar is hier geen sprake van), en b) de menselijke zelfbeschikking is een dusdanig groot goed dat het zelfs in de Grondwet, art. 11 Gw is neergelegd.

Art. 450 Sr lijkt me niet voldoende om daarmee strijd met de wet aan te nemen, dus zou het een kwestie van strijd met de (ongeschreven regels van) openbare orde en goede zeden moeten zijn. Wat mij betreft zijn beide kanten van de zaak juridisch verdedigbaar.

J. v. Bijsterveld

Als hij echt dood wil dan was hij tijdens de rechtzaak er niet meer geweest. Had hij ook de rekening niet hoeven te betalen.

Ofwel: die man staat te liegen als hij zegt dat hij dood wil en pleegt dus meineed.

Hij kan hoogstens zeggen dat hij destijds dood wilde en nu niet. Wat hem sowieso een ondankbare etter maakt. Maar juristen ook de mogelijkheid geeft om te zeggen dat hij tijdens zijn zelfmoordpoging (of show) wilsonbekwaam was.

Rob Jonquiere

reactie aan Janssen en Holterman

Het lijkt erop alsof in deze discussie geheel voorbij wordt gegaan aan een wet die alles van doen heeft met (medisch)handelen: de Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst (WGBo, 1995). Deze bepaalt dat een behandeling alleen met toestemming van de betrokkene mag plaats vinden. Onthouden van die toestemming of weigering tot behandeling betekent mutatis mutandis dat er niet behandeld mag worden. Een (schriftelijk) behandelverbod is dus rechtsgeldig en van rechtswege afdwingbaar. Dat verbod dient natuurlijk wel ook ten tijde van de (hier ongewenste) behandeling aanwezig en bekend te zijn. De WGBo kent wel voorbehoud voor de arts, maar die moet dan (eventueel rechterlijke)verantwoording afleggen waarom in dat specifieke geval het “tenzij…” heeft gegolden en welke “goede gronden” hij daarvoor had.

Coen Drion

Beste Rob,

In algemene zin (dat wil zeggen: in normale omstandigheden) heb je gelijk dat de WGBO uiterst relevant is. Zoals de naam van die wet al zegt, is voor rechtstreekse toepasselijkheid van de WGBO nodig dat er een overeenkomst is (de geneeskundige behandelingsovereenkomst). In deze procedure moest de kantonrechter op grond van de wederzijdse uitlatingen van partijen echter concluderen dat er nu juist geen enkele overeenkomst tussen de man en het ziekenhuis tot stand was gekomen. De rechter moest vervolgens te rade gaan bij wat de wet aan mogelijkheden biedt in buitencontractuele verhoudingen en kwam uit bij de zaakwaarneming.

Artikel 6:198 BW luidt als volgt: “Zaakwaarneming is het zich willens en wetens en op redelijke gronden inlaten met de behartiging van eens anders belang, zonder dat de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen.”. De Hoge Raad heeft op 19 april 1996 uitgemaakt dat er geen sprake is van zaakwaarneming als degene met wiens belangen men zich wil inlaten, dat niet wil, behoudens uitzonderlijke omstandigheden. In de literatuur wordt wel gezegd dat in geval van een zelfmoordpoging toch sprake kan zijn van (rechtsgeldige) zaakwaarneming, ook al verzet degene die die poging heeft gedaan zich daartegen.

Denkbaar zou zijn geweest dat de kantonrechter, ter verdere adstructie van het overnemen in dit vonnis van hetgeen hierover in de literatuur wordt betoogd, aansluiting zou hebben gezocht bij de WGBO. Op diverse plaatsen in de WGBO wordt immers geregeld wanneer een hulpverlener, indien de patiënt of zijn vertegenwoordiger toestemming daartoe onthoudt, toch medische handelingen mag verrichten. Kort gezegd, kan de hulpverlener dan toch medische handelingen van ingrijpende aard verrichten in het geval die kennelijk nodig zijn om ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen. Doodgaan is zo’n ernstig nadeel (wat kunnen juristen dingen soms stom zeggen) en zou dus, in deze analoge toepassing van de WGBO, ook een redelijke grond opleveren als bedoeld in artikel 6:198 BW. Maar de kantonrechter vond het kennelijk niet nodig om deze analoge toepassing van de WGBO te hanteren (en daar kan ik zelf best mee leven).

Dat gezegd hebbend, blijft deze zaak mij intrigeren. Wat als de man de volgende dag weer naar hetzelfde ziekenhuis zou worden gebracht na een nieuwe zelfmoordpoging? Zou het ziekenhuis dan weer zonder toestemming een reddingspoging mogen ondernemen en de rekening daarvan presenteren? Daar kan men over aarzelen en ik zou zelf menen dat het ziekenhuis het dan niet zou mogen, tenzij het een evident knullige poging was of we er nog andere omstandigheden bij bedenken. Maar men kan (ook) hierover twisten.

En wat als de reddingspoging mislukt zou zijn. Zou het ziekenhuis dan aan de erven de rekening mogen presenteren, terwijl de erven bijvoorbeeld wisten dat de man serieus niet meer verder wilde leven? Ook hierover kan men aarzelen, hoewel ik zelf denk dat het ziekenhuis dat zou (moeten) mogen.

In de casus die leidde tot de kantonrechterzaak blijft buiten beeld in hoeverre de man verzekerd was, misschien omdat de man dat geen relevante omstandigheid vond en het ziekenhuis het ook niet aan de orde stelde. En misschien is het ook helemaal geen ter zake doenende omstandigheid, hoewel de Hoge Raad bij aansprakelijkheidszaken, ook in de medische hoek, het al dan niet bestaan van een verzekering (of een verzekerbaarheid) meeweegt bij zijn beslissingen.

Zaken op de rand van het ethische en het juridische zijn de moeilijkste die er zijn. Maar zij behoren ook tot de meest interessante. Deze zaak zal mij in ieder geval nog lange tijd heugen.

Marius de Man

Moet de patient betalen.

De patient wel. Zijn erfgenamen niet.
Of betaalt u wel voor een mislukte reparatie ?

Marius de Man

E. de Bruin

Ook aardig is deze zaak hier in Ierland: http://www.rte.ie/news/2008/0425/coombe.html.

Martin Holterman

@E. de Bruin:

Bedankt voor de Ierse verwijzing. Ik heb deze zaak inmiddels ook met een aantal (niet-Nederlandse) collega’s besproken, en het is interessant te zien hoe cultureel deze afweging tussen publiek belang en zelfbeschikking eigenlijk is. En dan is Ierland natuurlijk weliswaar Angelsaksisch, maar ook katholiek.

(Ik heb hier toevallig een Iers juridisch handboek staan, en dat waarschuwde in het hoofdstuk over onrechtmatig medisch handelen dat men niet te snel Engelse precedenten moest overnemen, omdat die gezien de Ierse grondwet, etc., maar in beperkte mate relevant zijn.)

@Rob Jonquiere: Helaas ben ik weliswaar jurist, maar geen expert op het gebied van medisch recht. Van de details van de WGBo ben ik dan ook niet op de hoogte. Bedankt voor de tip.

Uiteindelijk is het toch een afweging tussen verschillende rechtsplichten, waarbij in de praktijk ethische overwegingen de doorslag zullen geven. Persoonlijk heb ik veel sympathie voor het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt, maar of dat recht ook in alle gevallen de doorslag moet geven, is de vraag…

E de Bruin

Als aanvulling nog even dit bericht uit The Irish Times van vandaag 17 september:
A WOMAN who refused blood transfusions after having attempted suicide has been treated in hospital by direction of the High Court.

Mr Justice Daniel O’Keeffe heard yesterday that the woman, who cannot be identified for legal reasons, was recovering following treatment in a Dublin hospital.

Eileen Barrington, for the Health Service Executive (HSE), said the court, in a late sitting last Friday, had authorised staff at the hospital where she was being treated to administer all medically appropriate treatment. This included liberty to transfuse up to four litres of blood if necessary to safeguard her life, health and general welfare.

The court had directed the use of any necessary reasonable restraints which might be appropriate to facilitate transfusions.

Under the Mental Health Act 2001, the court is empowered to authorise medical treatment where a patient does not consent to the administration of blood transfusions and wishes to die by suicide.

Ms Barrington said that, since the original court order and the administration of transfusions, the woman’s condition had improved. Medical staff had administered two units of blood and felt it may not be necessary to administer any more.

The patient concerned had voluntarily accepted vitamin C and iron orally and was accepting fluids without the need of intravenous intervention. She was also taking antibiotics for cuts she had suffered.

Ms Barrington said the woman was continuing to refuse psychiatric medication but that this may be dealt with under the Mental Health Act. She had not eaten for the past three days and a further application might be necessary to allow staff to medically feed her.

Mr Justice O’Keeffe adjourned the matter until October 6th with liberty to the HSE to apply to the court if necessary in the interim.

© 2008 The Irish Times