Avontuurtje in de bergen
Rosie vond mij voordat ik haar vond. Om 11 uur 11 voor de ingang van het station van Valence. “Raoul,” hoorde ik, draaide me om en daar stond ze. Breed lachend, in de zon. De Puck-patch die ik voor haar in Antwerpen had achtergelaten op de borst gespeld, helemaal klaar en pronto voor een drie dagen durend avontuurtje in de orde van Puck.

Rosie in de Geheime Orde van Puck. Foto NRC / Raoul de JongRosie in de Geheime Orde van Puck. Foto NRC / Raoul de Jong
Rosie is een van mijn beste vrienden. Ze woont in Antwerpen en werkt als architect in Gent. We zagen elkaar voor het laatst in Brussel, tijdens mijn absolute dieptepunt. Daar heb ik niet over geschreven toen: de avond nadat ik wegliep van de hitsige monnik nam ze trein en nam me mee uit eten. We hadden het over De Liefde, over de bergen over waarom ik dit in Godsnaam zou doen en aan het eind van die avond wist ik weer een beetje wie ik was, dankzij Rosie. Toen was ik uitgehongerd, trillerig en angstig. Nu, achthonderd kilometer en talloze avonturen verder, maakt heel weinig me nog bang en schijnt de zon.
Het plan is om into the wild te gaan. Van mijn pad langs de Rhone afwijken naar links, richting de bergen en daar een plekje te vinden waar we drie dagen zullen kamperen, vuurtjes stoken en samen dansen, net als in Moonrise Kingdom. Gewoon, omdat we daar zin in hebben. We huren een fiets voor Rosie, kopen eten in een supermarkt, drinken nog een cola in het eerste dorpje dat we tegenkomen en zijn dan klaar om de wereld te verlaten. Maar het universum heeft het allemaal wat anders bedacht.
“Waar gaan jullie zo naar toe met die rugzak?” vraagt een vrolijke blonde vrouw aan een tafel vol veertigjarige dames. Naar de waterval?! Maar dat is nog heel veel kilometers fietsen, stijl omhoog. Bovendien wordt het bijna donker en woont zij zelf ook in de natuur. Waarom komen we niet slapen bij haar? Ze weet niet wie we zijn, hoe we heten en waarom we dit doen, maar nee, dit is geen grapje. En ook al weten we dat dit aanbod eigenlijk te mooi is om af te slaan, toch twijfelen we. Dus gooien we maar een muntje op.

De boerderij. Foto NRC / Raoul de JongDe boerderij. Foto NRC / Raoul de Jong
Over de heuvels fietsen we naar Hélènes huis, terwijl Hélène achter ons aanrijdt, heel langzaam. Samen met haar man Jean-Marc, zoontje Elliot, hond Ebgy en kat Bianco, woont ze in een oude boerderij bovenaan een heuvel (zie boven). Een enorme boerderij is het. Ooit van een rijke familie, nu opgedeeld in negen appartementen. Jean-Marc en zij hebben het mooiste en het grootste stuk. Met een grote tuin waarin ze hun eigen groenten verbouwen. Ook het huis verbouwen doen ze zelf, enigszins tot Hélènes frustratie: ze zijn al tien jaar bezig en ze zijn nog steeds niet klaar.

Hélène. Foto NRC / Raoul de JongHélène. Foto NRC / Raoul de Jong
Hélène geeft kookles op een school voor moeilijk lerende kinderen. Daarnaast zingt ze in een koor, gaat elke zaterdag joggen met een groep vriendinnen en organiseert jeugdtoneel voor de kinderen uit de omgeving. Hélène is van de cultuur, Jean-Marc is meer van de aarde. Een lieve, verlegen man die werkt als elektricien. Computers heeft hij geen verstand van, zegt hij. Hij raakt ze zo min mogelijk aan. In zijn vrije tijd verbouwt hij groenten. Dat is veel werk, maar computeren is dat ook en misschien wel veel vermoeiender.

Groentekas in de tuin. Foto NRC / Raoul de JongGroentekas in de tuin. Foto NRC / Raoul de Jong
Hij leerde groenten verbouwen van zijn ouders. Zaadjes plant je als de maan groeit bijvoorbeeld. Ik vraag hem of hij zijn kennis ook doorgeeft aan zijn kinderen en hij laat me een verdwaalde maïskolf zien, tussen de bloemen. Die maïskolf is van Elliot. Want zo doet Elliot het: één maïskolf, één boon en daar is hij dan heel trots op.
Samen doen we een experimentje met twee stukjes ijzerdraad. Als je daarmee heel geconcentreerd door de tuin loopt, zouden ze moeten trillen als er ergens water in de bodem zit. Ze trillen vlak voor de ingang van de schuur, een keertje, bij Jean-Marc. Bij mij doen ze dat niet en daarna doen ze het ook niet meer bij hem en daarna hebben we er wel weer genoeg van en dégusten we de zelfgemaakte dessertwijnen van Hélène, frambozen en perzik en vlierbes. Warm en rozig vallen we in slaap, Ebgy voor de deur op de wacht en een spinnende Bianco tussen ons in.
De volgende dag laten we onze fietsen bij Hélène en Jean-Marc en trekken alsnog de bergen in. Niet als independent spirits, meer als twee kinderen, op weg geholpen door onze nieuwe ouders. Hélène geeft ons appels, tomaten en een pot alcoholische besjes gemaakt door haar moeder. Jean-Marc tekent onze route en zwaait ons uit: “Tot morgen!”
Als dit een boek was konden we nu niet voor jullie doen wat we toen voor jullie deden. Maar dit is de twintigste eeuw en dit is het internet, welkom! Dus zullen we nu voor jullie dansen. Verscholen tussen de bosjes, bovenop een berg in het wild.
Dan stoppen we met dansen, eten de alcoholische besjes van Hélènes moeder en zien dit:

Dan dit:

En dan dit:

En toen huilden we. Als wolven.
Raoul kreeg voor zijn tocht van de ANWB Human Nature travel gear, een rugzak en een jack van The North Face en een iPad van Mangrove.
