Na lamelos-houmevast een efficiëntere EU

  

Als de Europese midzomernachttop een succes is geworden, is dat vooral te danken aan de Duitse bondskanselier Merkel, roulerend voorzitter van de Europese Unie. Al is duidelijk dat de afloop ongewis zou zijn geweest zonder de assistentie van de Franse en Britse regeringsleiders. Sarkozy en Blair hielden de Poolse president Kaczinsky uiteindelijk binnenboord in een spelletje lamelos-houmevast op hoog niveau. Wat verder ook het oordeel is over de manier waarop de Polen bij de onderhandelingen de Duitse bezetting van hun land gedurende de Tweede Wereldoorlog inzetten, dit spel om behoud van invloed in Europa is knap gespeeld. Polen wilde in een nieuw Europees verdrag er wat betreft ‘stemgewicht’ bij Europese besluitvorming niet op achteruitgaan. Maar Merkel hield voet bij stuk. En Kaczinsky blokkeerde vervolgens een succesvolle uitkomst. De afloop was dat de Franse president en de vertrekkende Britse premier met de Poolse president een compromis sloten: alles blijft voorlopig hetzelfde, maar op termijn gaat Polen in stemgewicht achteruit, net als overigens andere middelgrote en kleine landen.

Een besluit met een ingebouwd tijdmechanisme, dat sterk doet denken aan de wijze waarop de Turkse toetreding werd geregeld. Als deze vergelijking opgaat, liggen jaren van verder sjacheren en chicaneren tussen Warschau en Brussel in het verschiet.

Maar voor het moment telt dat iedereen tevreden huiswaarts is gekeerd van de top. Ondanks alle verschillen van mening voorafgaand aan de ontmoeting tussen Europese regeringsleiders en ondanks alle compromissen die noodzakelijkerwijs nodig waren voor een succesvol verloop. Het geheim van een geslaagde top is dat er formeel geen verliezers zijn. De problemen die ontstonden met de Poolse vierkantswortel, werden opgelost omdat in de Europese politieke algebra alleen kan worden vooruitgerekend en negatieve uitkomsten niet bestaan. Aan twee jaar constitutionele crisis na het Franse en het Nederlandse ‘nee’ tegen een Europees grondwettelijk verdrag is een eind gekomen en dat is winst.

Premier Balkenende (CDA) zei na afloop in Brussel dat hij ‘heel blij’ was met het resultaat. Zijn kabinet staat nu voor de opdracht de uitkomst van de top ook voor de Nederlandse burger aanvaardbaar te maken. Of, realistischer: verdedigbaar. De eventuele blijdschap van de minister-president is daarbij een minder relevant gegeven. Het komt er eerder op aan dat Balkenende en de overige leden van zijn kabinet een afgewogen winst- en verliesrekening opmaken van de onderhandelingen in Brussel. Of de grondwettelijke karaktertrekken al of niet uit de verdragsteksten verwijderd zijn, is voor veel mensen een kwestie van de buitenkant, van cosmetica. Het gaat om vrees voor verlies van soevereiniteit, om invloed van het nationale parlement in Brussel. En om meer, nationale, controle op de verdere uitbreiding van de Unie. Een juichverhaal is niet nodig, zeker als er niet iets is om over te juichen.

In de Tweede Kamer slaat het nieuwe verdrag de eurosceptische partijen, SP, PVV en SGP, veel ‘constitutionele’ argumenten uit handen. Ook zij zullen, tijdens het debat deze week, met een beter verhaal moeten komen.

Bij het opmaken van de winst- en verliesrekening telt niet alleen de vergelijking met de afspraken van twee jaar geleden, maar ook met het vigerende Verdrag van Nice. Aan de pluskant is dan te noteren dat de Europese Unie efficiënter zal worden bestuurd, dankzij een vaste voorzitter die 2,5 jaar mag blijven, dankzij terugdringing van het aantal mogelijke veto’s voor de lidstaten en de verkleining van het aantal eurocommissarissen van 27 naar 18. Bovendien wordt het ‘democratisch tekort’ teruggedrongen door de grotere rol voor het Europees Parlement en de grotere invloed van de nationale parlementen. Een gelukkige bijkomstigheid is dat het te vergaande Nederlandse voorstel, om nationale parlementen de mogelijkheid te bieden Europese wetgeving te blokkeren, het op de top van Brussel niet heeft gehaald.

Afgesproken is dat Brussel zich niet met ‘diensten van algemeen economisch belang’ mag bemoeien, wat inhoudt dat bijvoorbeeld pensioenstelsels een zaak van de nationale regeringen blijven. Minder geslaagd, ondanks de vreugdekreten van de Franse president Sarkozy hierover, is het schrappen van de passage waarin vrije concurrentie als een van de doelstellingen van de Europese Unie werd genoemd. De vraag is wel wat dit in de praktijk betekent: in de bestaande EU-verdragen is dit artikel evenmin te vinden, terwijl de vrije markt wel als basaal uitgangspunt van de gemeenschappelijke markt kan worden beschouwd. Veelzeggend is dan ook de voetnoot die aan het verdrag is toegevoegd, waarin wordt uitgesproken dat in de bestaande interne markt de vrije concurrentie niet mag worden verstoord.

Het Europa van de idealistische federalisten maakt plaats voor het Europa van de pragmatici. Het subsidiariteitsbeginsel is een wijze leidraad: regel Europees wat het beste Europees kan; regel nationaal wat het beste nationaal kan. Het voeren van een gemeenschappelijk beleid voor asielzoekers en immigratie en een gezamenlijke bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, nu opgenomen in het verdrag, zijn goede voorbeelden van de meerwaarde die de Unie biedt. De grondrechten zijn niet in de verdragstekst opgenomen, maar moeten het slechts doen met een verwijzing naar het bestaande Handvest. De vraag is of dit veel uitmaakt. Het Europese Hof van Justitie ontwikkelt nu al op basis van het Handvest jurisprudentie waar de lidstaten zich naar hebben te schikken. Zij het dat de Britten het voor elkaar hebben gekregen dat het Handvest niet voor hen geldt; volgens de oude traditie dat het Verenigd Koninkrijk, is het niet met één been dan toch ten minste met enkele tenen, buiten de Unie wil blijven.

Politieke compromissen, onvermijdelijk als ze zijn, staan zelden borg voor consistente en evenwichtige besluitvorming. Het verdrag draagt daar de sporen van. De voetnoten lijken niet minder belangrijk dan de verdragstekst zelf. Ongetwijfeld zit de duivel weer in het detail. In de Intergouvernementele Conferentie mogen de lidstaten de puntjes gaan zetten op de vele i’s die daarnaar nog op zoek zijn. Het is te hopen dat zij zich houden aan de afspraak dat er over het in 2008 te ratificeren verdrag niet opnieuw zal worden onderhandeld. Europa heeft genoeg gepraat.

zoeken

in