Tegenover elk sociaal probleem lijkt een reclamecampagne te staan. De SIRE-campagne ‘Onbewust Asociaal Gedrag’ tegen het soort gedrag dat ernstig afbreuk doet aan de kwaliteit van leven in Nederland en de meeste andere westerse landen, waaronder (en met name ook) mijn eigen land, berust op de veronderstelling dat dit gedrag meer ondoordacht dan kwaadaardig is en dat een vriendelijk geheugensteuntje mensen er wel weer aan zal herinneren beleefd te doen. Is dit een realistische veronderstelling? En zo niet, is die campagne dan alleen maar een keynesiaanse stimulans die enkele mensen werk verschaft die anders niet genoeg te doen hadden om hun tijd te vullen?
Sommige ergerlijke en zelfs gevaarlijke gedragingen zijn inderdaad alleen maar ondoordacht. Zo hoorde ik laatst van een politieagent dat het beste wat je als automobilist tegen een bumperklever kunt doen gewoon afremmen is. Zowat de helft van de mensen die zo rijden, is gewoon niet geconcentreerd en bevindt zich in een soort trance die alle automobilisten kennen. Wie afremt, maakt hen weer bewust van zichzelf en dan houden ze wel op. Daarmee blijft de ándere helft van die bumperklevers natuurlijk wel vervelend en agressief.
De mens is niet een puur rationeel wezen, maar hij is ook weer niet puur irrationeel. Informatie en bezinning daarop kunnen invloed hebben op zijn gedrag. Toen bijvoorbeeld de informatie over de gevaren van roken aan het licht kwam en bekend werd gemaakt, nam het roken af, eerst onder artsen en toen onder de bevolking als geheel, meestal in verhouding tot het opleidingsniveau.
Maar er zijn twee dingen die de doelmatigheid van de SIRE-campagne zullen beperken.
Ten eerste wordt ons gedrag vroeg in ons leven gevormd en wordt ons doen en laten in het dagelijks bestaan veel meer beïnvloed door de opvoeding die we als kind hebben gekregen dan door bewuste reflectie. Als ik bijvoorbeeld opsta wanneer een nieuw iemand binnenkomt, denk ik niet bij mijzelf: zal het deze persoon genoegen doen als ik opsta om hem begroeten? Ja, ik denk over het algemeen van wel; en omdat de som van het genoegen in de wereld meer zal toenemen als ik opsta dan de som van de pijn door mijn inspanning om op te staan, is het mijn plicht dit te doen.
Nee, de reden dat ik opsta is omdat ik van mijn moeder heb geleerd dat het zo hoort als er een nieuw iemand binnenkomt. Ze heeft niet uitgelegd waarom en ik weet ook niet zeker of ze dat wel had kúnnen uitleggen, maar haar inspanningen waren zo geslaagd dat ik me nu diep van binnen uiterst onbehaaglijk zou voelen als ik niet zou opstaan.
De tweede reden dat de campagne weleens niet zou kunnen werken, is dat heel wat onaangenaam gedrag, in elk geval in Groot-Brittannië, waar ik de helft van de tijd woon, niet ónbewust maar béwust is. Als ik bijvoorbeeld naar de mensen kijk die in mijn vaderland op straat spugen, dan denk ik in het algemeen niet dat ze vatbaar zouden zijn voor het argument dat hun gedrag esthetisch onaangenaam voor anderen is en onhygiënisch op de koop toe. Natuurlijk heb ik dit argument niet echt op hen uitgeprobeerd, want dan steken ze me misschien wel neer. Het enige wat ik van hun gezicht kan aflezen als ze zich van hun vreselijke slijmlast ontdoen, is dat ze me daarvan niet onbewust lijken, maar veeleer erop uit zijn de verhitte wereld hun ego op te leggen. Zij dulden geen bemoeienis; spugen is voor hen wat plassen tegen een boom is voor een hond: territoriumafbakening. De wereld is van mij, met alles erop en eraan.
Ik had laatst een gesprek dat tekenend is in dit verband. In mijn woonplaats is een tweedehandsboekwinkeltje en de eigenaar was afwezig. Hij had zijn winkel toevertrouwd aan een van die vele jonge vrouwen in Engeland die nog het meest op valse schapen lijken. Ik kwam om een boek over de dichter Shelley te kopen. De radio stond keihard aan met vreselijke rapmuziek, afgewisseld met platte praatjes.
„U moet het niet verkeerd opvatten”, zei ik, „maar dit is volgens mij niet de juiste muziek voor een boekwinkel.”
„Oh, mij stoort het niet”, zei ze. „Ik vind het wel leuk.”
„Maar de klanten”, zei ik. „Die vinden het misschien wel niet leuk.”
„Het lastige is dat er niet zoveel goede zenders zijn.”
„Misschien zou stilte wel het beste zijn. Misschien hoeft er wel helemaal geen muziek aan te staan.”
„Maar ik ben hier achtenhalf uur!”
Achtenhalf uur zonder rapmuziek! Kan een mens nog meer tekort worden gedaan? Probeer eens een advertentie op haar uit en kijk wat je daarmee opschiet.
|
Bellen bij de kassa, spugen op straat of met je tas in trein of bus een lege plek bezet houden. Volgens SIRE, de Stichting Ideële Reclame, is dit onbewust asociaal gedrag. In maart begon SIRE een campagne hiertegen. De stichting hoopt dat mensen, wanneer zij zich eenmaal bewust zijn van dit gedrag, meer rekening houden met elkaar. SIRE is een onafhankelijke stichting die geen banden heeft met de overheid: „SIRE richt zich op onderbelichte maatschappelijke onderwerpen, met het oogmerk deze publiekelijk aan de orde te stellen, bespreekbaar te maken en te agenderen bij burgers, opinieleiders en besluitvormers.” |
Theodore Dalrymple is een Britse arts en essayist. Hij schreef onder meer het boek Beschaving of wat er van over is.

AEX: 317,06 





