Minister Plasterk (Media, PvdA) stuurde op 14 november een brief aan de Tweede Kamer over het persbeleid. Aan die brief was uitvoerige advisering door de Raad van Cultuur en het Stimuleringsfonds voor de Pers voorafgegaan. Het Fonds bepleitte onder meer dat stimuleringsmaatregelen tot behoud en verbetering van de pluriformiteit niet meer mediagebonden kunnen zijn. De papieren uitgeefproducten worden steeds meer in de elektronische omgeving van het internet aangeboden.
Papieren uitgevers zijn al in een transformatieproces en zullen in de komende jaren belangrijke innovaties moeten invoeren, die leiden naar een blijvend nieuw multimediaal product. Hetzelfde gebeurt bij de omroep. Minister Plasterk schrijft dat de overheid de pers geen forse bijdrage aan dat innovatieproces zal leveren, omdat dit de verantwoordelijkheid van de branche zelf is.
Maar diezelfde minister maakte zich er een week later samen met acht andere EU-staten sterk voor dat eurocommissaris Kroes geen mededingingsregels mag toepassen op internetactiviteiten van de publieke omroep. Deze moeten uit publieke middelen worden gefinancierd, net zoals de publieke omroep. Commissaris Kroes moet daarvoor maar een uitzondering maken bij de toepassing van staatssteunregels.
Er zijn geen argumenten waarom de internetactiviteiten bij de publieke omroep wél publiek gefinancierd zouden moeten worden en bij de pers niet. De websites van kranten en omroep vervullen namelijk dezelfde functie: aanbod van nieuws, publieksparticipatie, nieuwe platforms met aangepast informatieaanbod, documentatie van het nieuws en archivering. Zij moeten bovendien de informatie gratis aanleveren, omdat het publiek steeds meer is opgevoed in de dwaling dat informatie op het internet gratis is.
Op dit moment genereren de internetactiviteiten van de kranten nog onvoldoende reclame-inkomsten, zodat deze moeten worden gesubsidieerd uit de inkomsten van de papieren producten. Dat betekent dat de gebruikers van de papieren producten die wel voor de informatie betalen via de losse verkoop of abonnementen in feite de free riders op het internet financieren. Dat is op den duur een onhoudbare situatie.
Bij de publieke omroep komt de kruissubsidie uit de publieke financiering van de publieke omroep, en ook dat is op den duur een onhoudbare situatie. Aangezien pers en omroep niet zullen kunnen overleven zonder mee te gaan in de transformatie als gevolg van het internet, lijkt hier sprake van een typisch geval van marktfalen, waar de overheid een belangrijke taak heeft.
De overheid kan om te beginnen de concurrentievoorwaarden op het internet voor pers, commerciële en publieke omroep gelijktrekken. Als zij vindt dat de publieke omroep voor haar internetactiviteiten ook een beroep op de reclamemarkt kan doen, zullen de activiteiten op afstand van de publieke taak moeten worden geplaatst. Dan zal echter snel blijken dat dit gratis medium vooralsnog niet uit de reclameopbrengsten kan overleven. Wanneer zij vindt dat er een publiek belang van informatievoorziening met deze transformatie gemoeid is, dan zal ze de mogelijkheid voor subsidie op gelijke voorwaarden voor de mediamarkt ter beschikking moeten stellen. Dat betekent een scherpe wijziging van het mediabeleid en herverdeling van publieke middelen die nu naar de omroep gaan.
Dit kan voor de politiek onmogelijk als een verrassing komen. Er wordt immers door wetenschap en adviesorganen al jaren op aangedrongen het mediabeleid radicaal bij te stellen om een antwoord te geven op het snelle veranderingsproces dat de media doormaken.
De minister schrijft in zijn persbrief dat het kabinet de hoofdlijnen van het WRR-advies Focus op functies onderschrijft. Dat advies geeft aan dat nieuwsvoorziening, opinie en achtergrond, kunst en cultuur, een publieke functie vervullen, zodat daar een taak voor de overheid kan liggen. Wat de brief verzuimt te vermelden is dat de WRR beargumenteert dat die publieke functie niet meer aan de hand van een bepaald medium kan worden gedefinieerd.
Andere media, en vooral multimedia, zullen in toenemende mate die functie naast of in verbinding met klassieke media gaan vervullen. De principieel andere aanpak die het advies in 2005 bepleitte, is niet opgevolgd. Het mediabeleid is langs de oude sporen blijven doorkachelen.
Laat er dus maar een Stimuleringsfonds voor de Media komen. Laat dat fonds gevoed worden uit een deel van het geld dat nu naar de publieke omroep gaat. En laten alle mediabedrijven die aan de door dat fonds op te stellen criteria van publiek belang voldoen, toegang tot dat fonds hebben.
In Brussel zal men ook anders tegen een dergelijke aanpak aankijken.
Uit de persbrief van minister Plasterk (Media, PvdA) blijkt dat gratis kranten voortaan ook subsidie kunnen vragen van het Stimuleringsfonds van de Pers. Tot nu toe was dat alleen mogelijk voor betaalde persorganen.
Om de kwaliteit van de journalistiek te verbeteren, wil het kabinet meer nadruk leggen op journalistieke zelfregulering. Drie jaar lang zal Plasterk een subsidie van 150.000 euro verlenen aan de Raad voor de Journalistiek zodat deze ook een ‘ombudsfunctie’ kan vervullen. Het kabinet wil verder dat de ontwikkeling van een breed gedragen beroepsethiek meer prioriteit krijgt.
Journalistenvakbond NVJ reageerde teleurgesteld. „Met het toegankelijk maken van het Stimuleringsfonds voor gratis dagbladen is de kwaliteitspers niet geholpen", zei secretaris Thomas Bruning.
Egbert Dommering is hoogleraar informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam.

AEX: 341,95 




