Wat hadden wij allemaal niet aan mooie titels bedacht tijdens zijn laatste verblijf in het NIAS, kort voor de zomer, waarin hij zijn boek afschreef, titels als: Hofmans en hovelingen, Palavers in paleizen, of om de tegenstellingen uit te drukken: Champagne of chocomel, Fietsen en Ferrari’s of – meer literair – Schipperen naast God en Herfsttij van een huwelijk of – ietwat vulgair maar wel toepasselijk – Alles went, zelfs een vent of Samen maar op ons eigen. En wat is het geworden? Juliana en Bernhard! Tsja, dat kan natuurlijk ook.
Enigszins verbazend is ook de ondertitel: Het verhaal van een huwelijk, en wel om twee redenen. Het verhaal is immers nogal pretentieus. Zoals iedereen weet – en zeker iedereen die getrouwd is – zijn er over elk huwelijk verschillende verhalen te vertellen. De pretentie dat dit het verhaal is, gaat dus nogal ver. Anderzijds heeft de term een huwelijk juist weer iets denigrerends. Alsof het zomaar om een willekeurig huwelijk gaat! Maar ik geef toe: de term ‘Het huwelijk’ was niet beschikbaar want die is voorbehouden aan een ander vorstelijk huwelijk, niet dat van Juliana en Bernhard, maar van Beatrix en Claus. En de ondertitel: Een verhaal van een huwelijk zou het onderwerp tot bijna niets hebben teruggebracht.
Laten wij dus vrede hebben met deze titel en ondertitel maar wel bedenken dat het niet zomaar een huwelijk was, maar een zeer bijzonder huwelijk. En wel om verschillende redenen: het was een vorstelijk huwelijk, het was een zeer bestendig en zeer langdurig huwelijk en het was een huwelijk dat toen het gesloten werd onomstreden was. Dat is wel eens anders geweest, bijvoorbeeld bij de huwelijken van de prinsessen Irene, Beatrix en Margriet. Hun echtgenoten vertegenwoordigden, naar het woord van Wim Kan, alles waar Nederland eeuwenlang tegen had gestreden: Spanje, Duitsland en Schiedam. Bij Juliana en Bernhard lag dat anders. Dat huwelijk werd met groot enthousiasme begroet, omdat men de prinses graag een man gunde, omdat Bernhard een leuke man was en natuurlijk ook omdat hiermee de hoop op een troonopvolger nieuw leven werd ingeblazen.
Dat brengt ons bij het meest bijzondere aspect van dit huwelijk: het was een vorstelijk huwelijk. Vorstelijke huwelijken zijn in de loop van de geschiedenis enigszins van karakter veranderd. In vroeger eeuwen werden ze uitsluitend om dynastieke redenen gesloten. Soms leidde dit zelfs tot kinderhuwelijken. Zo trouwde onze eigen stadhouder Willem II al op vijftienjarige leeftijd met de toen tien jaar oude Mary Stuart. Welbekend is ook het succes van de Habsburgers die door een schrandere huwelijkspolitiek de macht verwierven in Oostenrijk, de Duitse landen, de Nederlanden, Bourgondië, Spanje, delen van Italië en de Nieuwe Wereld. Geen wonder dat de dichter schreef Bella gerant alii, tu felix Austria nube (Laat anderen maar oorlog voeren, maar blijft gij, gelukkig Oostenrijk, huwelijken sluiten!). Om dezelfde reden was later elk Europees vorstenhuis geparenteerd aan de Britse koningin Victoria.
In de loop der eeuwen is het dynastieke element wel wat verzwakt maar de huwelijken van de Oranjes, inclusief dat van koningin Wilhelmina, werden nog in belangrijke mate beheerst door het beginsel dat vorstelijke huwelijkskandidaten op zijn minst ebenbürtig moesten zijn. Bij Juliana daarentegen is voor het eerst sprake van een persoonlijke keuze, binnen zekere grenzen uiteraard. Het huwelijk was niet gearrangeerd, maar wel geprepareerd, zoals zoveel andere huwelijken dat in die tijd ook waren (en in verschillende landen nog steeds zijn). Dat het huwelijk mede hierdoor een succes was, staat wel vast. Dat het niet zonder problemen is verlopen ook. Dat is ook niet verrassend voor een echtverbintenis die zo lang heeft geduurd.
Er zijn nog meer opvallende dingen aan dit huwelijk. In de eerste plaats dat het een zeer bestendig huwelijk was. Ondanks de problemen die in dit boek worden beschreven, zijn de echtelieden bij elkaar gebleven. Dat is nogal bijzonder. Het geldt immers niet voor twee van hun vier dochters en, naar ik meen, ook niet voor meer dan 30 procent van alle huwelijken die thans worden gesloten. Het is mede hierdoor een van de langste echtverbintenissen uit de geschiedenis geworden. Het huwelijk duurde 67 jaar zodat zelfs de platina bruiloft nog ruim werd overleefd. En er was nog iets bijzonders: de echtgenoot trouwde niet alleen een rijke vrouw – dat kwam wel meer voor – maar ook een werkende en zeer machtige vrouw en dat was, zeker in die tijd, uitzonderlijk. Juliana was zo ongeveer de enige werkende vrouw in Nederland.
Cees Fasseur beschrijft van deze relatie de eerste twintig jaar, 1936 – 1956. Hij begint bij het begin, de ontmoeting, en eindigt bij de ontknoping van de Greet Hofmans Affaire in 1956. Er is dus, net als bij zijn Wilhelmina-boek, ruimte voor een vervolg. De affaire, althans de jaren dat de affaire speelde, krijgt veel aandacht. Ongeveer tweederde van het boek is eraan gewijd. Dat is heel begrijpelijk gezien de aandacht die deze zaak heeft gekregen maar eerlijk gezegd is het eerste deel, dat De Opmaat heet, minstens even onderhoudend.
Daarmee is de eerste kwalificatie van dit boek al gegeven: onderhoudend. Cees Fasseur – dat is inmiddels wel bekend – schrijft goed en geestig, is een groot causeur en een geboren verteller. Het boek is echter niet alleen onderhoudend maar ook belangwekkend omdat het gebaseerd is op zeer grondig en uitvoerig onderzoek in tot nu toe onbekende bronnen. Het is, zoals onze Belgische vrienden zo aardig zeggen: „Zeer goed opgezocht.” Het is ook van belang omdat het veel nieuws brengt en hardnekkige geruchten ontzenuwt. Niet alleen de stadhoudersbrief, maar bijvoorbeeld ook het veronderstelde complot om Juliana op te sluiten in de Wassenaarse Ursula-kliniek en nog veel meer. Als er al onthullingen zijn dan onthullen ze vooral dat er niets te onthullen valt. En het is natuurlijk een belangrijk boek omdat het gaat over een crisis die de monarchie op haar grondvesten heeft doen schudden al valt het welbeschouwd met de constitutionele spanningen nogal mee. Zo laat Fasseur zien dat de zo omstreden pacifistische toespraken tijdens het staatsbezoek aan Amerika daar nauwelijks enig opzien hebben gebaard. De Amerikanen vonden het geweldig een echte koningin te zien, die nog voortreffelijk Engels sprak ook. Wat zij zei, was van minder belang.
Het boek van Fasseur is openhartig, evenwichtig en fair. Er blijven ook na lezing hiervan natuurlijk nog altijd vragen over. De belangrijkste daarvan is wel deze: hoe was het mogelijk dat een zo intelligente en zelfstandige vrouw als Juliana zo volledig in de ban raakte van een vrouwelijke charlatan die haar ‘doorgevingen’ ontving van een overleden, homofiele, Veluwse kippenfokker die van elke kip een horoscoop trok? Ook Fasseur komt hier niet helemaal uit. Hij noemt een aantal factoren en spreekt ook over de tijdgeest – altijd het laatste redmiddel van de historicus – maar waarom Beel, Drees en Bernhard door die tijdgeest niet werden bezield en Juliana wel is niet duidelijk.
Er zijn nog meer vragen die onbeantwoord blijven, omdat ze onbeantwoordbaar zijn. Ze behoren tot het genre: wat als? Pascal vroeg zich al eeuwen geleden af hoe de wereldgeschiedenis zou zijn gelopen als de neus van Cleopatra korter was geweest. Zo kan men zich ook afvragen wat er gebeurd zou zijn, als het echtpaar geen vierde kind had begeerd of gekregen. Wij zullen het nooit weten.
Tenslotte dit. Er zijn drie kwesties die in verband met het koningshuis – en met deze affaire – met een zekere regelmaat aan de orde komen:
1) Welke staatsvorm is verkieslijk: een republiek of een monarchie? 2) Wat is beter: een constitutioneel of een zuiver ceremonieel koningschap? 3) Moet het Koninklijk Huisarchief open worden gesteld voor iedereen of moet het als een privéarchief worden beschouwd? Fasseurs boek geeft geen antwoord op deze vragen al kan men wel raden wat hij ervan vindt. Ik denk echter niet dat andersdenkenden zich door dit boek tot andere inzichten zullen laten brengen. Daarvoor zijn de opinies te geprononceerd en te krachtig geworteld in politiek en ideologie.
Hoe dit ook zij, het Huisarchief gaat weer dicht en dat is begrijpelijk genoeg. De correspondentie heeft immers soms een wel zeer persoonlijk karakter zoals blijkt uit een brief van Juliana uit Ottawa aan Bernhard in Londen waarin zij schrijft: „Ik weet nog steeds niet wat voor baan je hebt […]; ik weet niet in wiens gezelschap je slaapt. Ik weet niets, niets, niets!”
De lezers van dit boek weten niet alles, maar ze weten meer dan de vrouwelijke hoofdpersoon. Dat moet voorlopig genoeg zijn.
H.L. Wesseling is em. hoogleraar algemene geschiedenis aan de Universiteit Leiden.

AEX: 338,65 




