‘De Nederlandse orkesten moeten in de komende decennia [rekening] houden met een aanzienlijke vermindering van concertgangers.” „Orkesten moeten flexibeler werken om te overleven.”
Met deze apocalyptische uitspraken vestigde de voorzitter van het Contactorgaan Nederlandse Orkesten (CNO), Peter IJzerman, afgelopen maand de aandacht op de dreigende teloorgang van de Nederlandse symfonische sector (NRC Handelblad, 7 april). Het lijkt erop alsof de vette jaren definitief voorbij zijn: „We moeten met een vernieuwing niet alleen de orkestwereld redden maar ook bijna de klassieke muziek zelf.”IJzerman wil dat doen door „anders, beter, flexibeler en efficiënter [te] gaan werken.”
Maar het kan ook anders. Eerst wat feiten.
De belangstelling voor klassieke muziek is en blijft stabiel. Het publiek is in meerderheid 50+, maar dat is al vijftig jaar zo. Nederlanders brengen gemiddeld 1,9 miljoen keer per seizoen een bezoek aan een klassiek concert. De verdeling van die bezoeken over het land is nogal scheef: 40 procent van de symfonische concerten en bijna de helft van het publiek daarvoor zijn voor rekening van het Concertgebouw in Amsterdam. Daarnaast is er een bloeiend kamermuziekleven waar nog eens 750.000 mensen naar toe gaan. En wat te denken van de enorme belangstelling voor André Rieu, de bootjes die elkaar verdringen tijdens het Prinsengrachtconcert in Amsterdam en de massaal toegestroomde jongeren tijdens het Gergiev-festival? Wordt daar de klassieke muziek niet mee gered?
IJzerman steekt met zijn pleidooi voor grotere flexibiliteit zijn nek uit, maar lijkt daarmee over het hoofd te zien dat orkesten om te overleven vooral op anderen zijn aangewezen. Met die wetenschap hoeven de orkesten het leed van de wereld niet alleen op hun schouders te torsen maar kunnen ze die last – ‘hoe krijg ik de zaal vol?’ – verdelen. Twee partijen springen daarbij in het oog: De concertzalen: orkesten hebben een standplaats met een zaal, kantoren en repetitieruimten. De communicatie tussen orkest en de eigen zaal verloopt vaak stroef. Botsende belangen bij het gebruik van faciliteiten, de programmering en het delen van informatie spelen daarbij een rol. Orkesten buiten de Randstad bedienen ook nog de omliggende gemeenten, waar de verstandhouding met het podium vaak niet veel beter is. En dat terwijl ze elkaar zo vreselijk hard nodig hebben om die andere anderen te bereiken, van wie ze pas echt afhankelijk zijn.
* Het publiek. Uit onderzoek van Bureau promotie Podiumkunsten blijkt dat Nederland uiteenvalt in 2,6 miljoen huishoudens die klassieke muziek volledig negeren; 2,2 miljoen huishoudens die thuis wél luisteren maar allerlei drempels ervaren die hen van een bezoek aan de concertzaal afhouden; en 2,3 miljoen huishoudens – light users en heavy users – die tussen de drie en tien keer per seizoen naar een concert gaan.
Als we de negeerders buiten beschouwing laten, zijn er dus meer liefhebbers van het genre – lees: potentiële bezoekers – dan de door IJzerman opgevoerde 2,6 miljoen die één keer per week naar klassieke muziek luisteren. Maar zien we die terug in de concertzaal?
Het belangrijkste motief voor cultureel uitgaan is: een gezellig avondje uit. Of je nu een incidentele ‘passant’ bent of een hardcore fan: bezoekers van klassieke concerten stellen sociale motieven gelijk aan of zelfs boven inhoudelijke motieven. Blijkbaar vinden veel Nederlanders het ondanks hun belangstelling voor klassiek niet gezellig in de concertzaal. Desgevraagd antwoorden ze dat ze er hun vrienden liever niet mee naar toe nemen. Wie één keer na afloop van een concert door de dienstdoende gastheer met jas en al naar de uitgang is gedirigeerd (‘We gaan sluiten!’), bedenkt zich wel tweemaal alvorens nog een keer ‘gezellig’ naar een concert te gaan. Degenen die zich hierdoor niet laten weerhouden, vinden overigens wel dat de dirigent aan het begin van het concert best contact met zijn publiek mag maken door wat over het programma te vertellen, en het orkest mag ook best wat meer speelvreugde uitstralen. Eenvoudige aanpassingen die bijdragen aan het gevoel van een geslaagd avondje uit.
De communicatie van orkesten en concertzalen is nu voornamelijk gericht op de heavy users. Deze vertegenwoordigen zo’n 15 procent van het totale bezoekersbestand en zijn de kurk waar de klassieke muzieksector op drijft: zij kopen gezamenlijk ongeveer de helft van de kaartjes. De overige 85 procent van de bezoekers koopt de andere helft. Deze laatste categorie komt dus minder vaak maar is wel bijna zes keer groter dan de eerste.
Misschien helpt het om de aandacht wat meer op de light users te vestigen en hen te verleiden om wat vaker te komen. Maar daar heb je dan wel de hulp van de zalen bij nodig. Die weten namelijk waar ze wonen, hoe vaak ze komen, wat hun smaak is en wat ze eraan uitgeven. Light users willen alleen liever geen vuistdikke seizoensbrochures maar toegankelijke, begrijpelijk informatie, met foto’s van mensen zoals zij. Stel je voor dat die 85 procent per seizoen allemaal één keer extra komt*
IJzerman geeft aan dat de manier van werken in de orkestsector tot ‘onwrikbaarheid’ leidt. Je voor een heel seizoen vastleggen lijkt inderdaad marktgericht opereren in de weg te staan. Toch zijn er heel wat sectoren in de Nederlandse economie die met een jaarplanning of ‘target’ werken. Het verschil tussen de kunstsector en de rest van ondernemend Nederland is echter dat de rest het aanbod aan de vraag aanpast, en de kunstsector niet, anders was het ook geen kunst, maar koekjes of waspoeder, en dat maken orkesten niet.
Programmeurs van orkesten maken concertprogramma’s, meestal rond een thema, gebeurtenis of componist en die worden vervolgens in de vorm van abonnementen aan de eerder genoemde heavy users verkocht. Daarbij plannen ze inderdaad jaren vooruit. Dat orkestmusici dat vervolgens ook gaan doen valt hun niet te verwijten. Wij gieten onszelf en elkaar in deze sector – nolens volens – in het beton van de lange termijn, jaar in jaar uit en er is op dit moment niemand die ons uit deze verlammende omhelzing weet te bevrijden. De suggestie om orkesten op te delen voor specifieke taken of muziekvormen is dan ook beslist nader onderzoek waard.
In een bij het artikel geplaatst kader staat een zinnetje waarvan de betekenis bij vluchtige lezing misschien niet meteen tot je doordringt: „De Nederlandse orkesten organiseren jaarlijks 1806 activiteiten, waarvan ruim de helft concerten en begeleiding van opera, ballet en koor, plus 745 andere, meestal educatieve activiteiten.” (cursivering WW).
Wat gebeurt daar, voor wie en wat is het effect van die inspanningen? Educatie bij orkesten wordt meestal verzorgd door een (1) parttime kracht die 1-2 dagen per week, zonder budget en zonder directe relatie tot de andere afdelingen binnen het orkest of de zalen zijn of haar werk tracht te doen.
Het voorstel om ‘systematische muziekeducatie’ te gaan verzorgen, smaakt naar levertraan: het is niet lekker maar het moet omdat het gezond is. Educatie is een door Haagse beleidsmakers naar binnen geschoven ‘winkeldochter’.
Dat kan heel anders. Door educatie niet als een op zichzelf staande, marginale taak te beschouwen maar als een zichtbare, goed gefinancierde marketingactiviteit in het ‘hart’ van de orkesten en concertzalen te integreren, ontstaat er een dynamiek, gericht op het ‘klaarstomen’ van jonge en nieuwe bezoekers voor een kennismaking met de verrassende, ontroerende en verrijkende wereld van de live klassieke muziek. Daar moet met de vakbonden over te praten zijn. Dan wordt educatie ineens inspirerend en renderend, met als opbrengst een positieve grondhouding bij meer Nederlanders ten opzichte van klassieke muziek, overgebracht door orkesten en zalen die zich door hun gezamenlijke optreden beter dan nu staande houden in de strijd om de tijd en het geld van de kunst- en cultuurconsument.
Uit de Marktbeschrijving Podiumkunsten 2006 en 2007 (uitgevoerd door TNS-NIPO in opdracht van Bureau Promotie Podiumkunsten en VSCD) blijkt dat 2,3 miljoen Nederlanders wel naar een voorstelling of concert willen maar allerlei drempels ervaren die hen van een bezoek afhouden. Argumenten om niet te gaan variëren van: ‘het is te duur’, ‘ik weet niet wat er te doen is’ tot: ‘ik weet niet hoe ik er moet komen’, ‘ik ga liever niet alleen’ en ‘het is altijd uitverkocht’. Dit laatste gold in 2006 overigens voor slechts 9 procent van de klassieke concerten in Nederland.
Uit datzelfde onderzoek blijkt dat de Nederlanders die wél gaan de door hen bijgewoonde voorstelling of concert als goed, mooi, gezellig, sfeervol, prachtig, intiem en geweldig ervaren. Concertbezoek brengt ontspanning, doet bezoekers ontkomen aan de dagelijkse sleur, maakt vrolijk, schenkt troost, ontroert, geeft energie en tilt hen boven alles uit. Dit zijn in onze 21ste-eeuwse postmateriële maatschappij zeer waardevolle assets waarmee wij ons kunnen onderscheiden van het overige vrijetijdsaanbod.
De klassieke muziek hoeft niet gered te worden, hij moet ‘relevant’ gemaakt worden. Bijna iedereen houdt van klassieke muziek. Maar nog niet iedereen weet dat.

AEX: 310,03 




