Het auteursrecht is een groot goed. De Auteurswet daarentegen waarin dit recht is vastgelegd, is in haar huidige vorm veel te veel van het goede. In het digitale tijdperk schiet zij haar doel voorbij. Voor honderdduizenden 20ste-eeuwse rechthebbenden biedt zij geen bescherming, erkenning en beloning, maar louter uitzicht op vergetelheid. Een aanpassing van de Auteurswet aan de eisen van de 21ste eeuw is dringend gewenst. Blijft die aanpassing uit, dan is de opbouw van een digitale bibliotheek van serieus te nemen omvang en samenstelling een illusie.
En dat zou zonde zijn, juist nu de digitalisering van de ‘Collectie Nederland’ zich in een veelbelovende fase van schaalvergroting en stroomversnelling bevindt. De behoefte aan online beschikbare informatie uit Nederlandse erfgoedinstellingen neemt met de dag toe, zowel bij wetenschappers als bij het algemene publiek. Het bezoek aan digitale kranten-, beeld- en geluidsbanken stijgt spectaculair. Wetenschappelijke instellingen als NWO en KNAW bevorderen de systematische, grootschalige beschikbaarstelling van digitale content ten behoeve van innovatief onderzoek.
De overheid onderstreept het belang van grote onderling samenhangende digitale databestanden voor de versterking van de nationale kenniseconomie. Er is dus sprake van politieke wil en van een breed gedragen maatschappelijke behoefte. De internetgeneratie verwacht niet anders dan een volledig doorzoekbare digitale bibliotheek, waarin iedereen altijd de informatie kan vinden die hij of zij nodig heeft. Wetenschappers die ’s nachts willen doorwerken vanuit hun eigen studeerkamer. Studenten die gezamenlijk met hetzelfde bronnenmateriaal aan de slag kunnen. Journalisten die in één efficiënte zoekactie alle relevante kranten en tijdschriften tegelijk kunnen doornemen. Een moderne digitale bibliotheek zal hun die mogelijkheden moeten bieden.
Om die redenen is de Koninklijke Bibliotheek, de nationale bibliotheek van Nederland, actief betrokken bij diverse grootschalige digitaliseringprojecten. Bij elkaar zullen deze projecten vele miljoenen online doorzoekbare kranten-, tijdschriften- en boekenpagina’s opleveren. Daartoe voert de KB intensief overleg met uitgevers, redacties, auteurs en rechtenorganisaties, maar dat is bij lange na niet genoeg om een sluitende oplossing te vinden voor alle auteursrechtelijke problemen.
Oorzaak van die problemen is de huidige Auteurswet. Die voorziet in een beschermingstermijn van 70 jaar na publicatie, gedurende welke periode voor elk (her)gebruik van een werk voorafgaande toestemming is vereist van de rechthebbende, volgens het zogeheten opt in-beginsel. Let wel: die termijn van 70 jaar na publicatie van een werk geldt alleen indien de maker in dienst was als werknemer. Zo niet, dan geldt een nog veel langere termijn, namelijk 70 jaar na de dood van de maker. Met andere woorden, onder het auteursrecht vallen sowieso alle werken gepubliceerd na 1937, en bovendien alle werken uit de periode daarvóór, gecreëerd door freelancers die na 1937 zijn overleden.
Een voorbeeld. In 1921 verscheen bij uitgeverij Wolters in Groningen een heruitgave van Vondels Gijsbrecht van Aemstel, ingeleid en van aantekeningen voorzien door T. Terwey en C.G.N. de Vooys. Auteursrechtvrij, want Vondel schreef dit treurspel in 1637, is de voor de hand liggende conclusie, maar de schijn bedriegt. Vanwege auteur en uitgever zijn geen rechtsgeldige claims meer te verwachten, maar één van de twee bezorgers – De Vooys – blijkt pas te zijn overleden in 1955, en zodoende rust op deze publicatie uit 1921 nog auteursrecht tot 2025. Een instelling die deze uitgave online beschikbaar zou willen stellen, heeft derhalve vooraf toestemming nodig van eventuele erfgenamen van De Vooys.
Maar zijn die er ook, en zo ja, hoe vind je die? Dat is de essentie van de problematiek van de zogeheten ‘verweesde werken’, dat wil zeggen werken waarvan de auteursrechthebbenden onbekend of onvindbaar zijn. In dit concrete geval zijn er nog aanknopingspunten – een naam en een sterfjaar – en kun je op zoek gaan, maar in talloze andere gevallen ontbreken ook dit soort basisgegevens.
Neem bijvoorbeeld een willekeurig geïllustreerd tijdschrift uit hetzelfde jaar, Panorama. Aan één nummer uit jaargang 1921 kunnen zomaar tientallen freelance journalisten, fotografen, tekenaars, schrijvers, advertentieontwerpers en niet te vergeten ingezondenbrievenschrijvers hebben meegewerkt. Allemaal mogelijke rechthebbenden, maar probeer dat maar eens te achterhalen, om te beginnen al hun namen, vervolgens al hun sterfjaren, en voor zover die na 1937 lagen, al hun eventuele erfgenamen. Dat kost zeeën van tijd, en de kans om alle rechthebbenden te traceren is buitengewoon klein.
En dat is dan nog maar één tijdschriftnummer. Denk aan de vele miljoenen pagina’s kranten, tijdschriften en boeken die op digitalisering wachten, laat er een realistische vermenigvuldigingsfactor op los, en het resultaat is een opsporingsactie van mythologische proporties, die aanzienlijk meer tijd en dus geld zou kosten dan alle digitaliseringprojecten bij elkaar. En dan is er nog geen stuiver betaald aan rechthebbenden. Als bij het vaststellen van de vergoedingen, geheel in de geest van de Auteurswet, wordt uitgegaan van het aantal potentiële rechthebbenden, dan praten we bovendien over duizelingwekkende bedragen, die in ieder geval erfgoedinstellingen onmogelijk kunnen opbrengen.
Maar ook commerciële bedrijven schrikken terug voor deze consequenties. Wie denkt dat bovengenoemde voorbeelden een vertekende voorstelling van zaken geven, moet eens uitrekenen waarom Google in zijn enige grote digitaliseringproject binnen het Nederlandse taalgebied – 300.000 boeken in de universiteitsbibliotheek van Gent – niet verder gaat dan 1867. Zekerheidshalve wordt een termijn van twéémaal 70 jaar gehanteerd, om elk risico van auteursrechtelijke claims uit te sluiten.
Erfgoedinstellingen én commerciële bedrijven houden dus gepaste afstand van de gevarenzone, met als gevolg dat alle door hen op te bouwen digitale databestanden onevenwichtig van samenstelling zullen zijn. De digitale bibliotheek van de 21ste eeuw heeft straks een immens zwart gat. 20ste-eeuwse werken zullen er slechts mondjesmaat in voorkomen. Honderdduizenden auteurs zullen nooit meer gevonden worden. Voor hen is de kans op een ‘toevallige vondst’, gevolgd door een tweede – digitaal – leven, definitief verkeken.
Dit scenario kan onmogelijk de bedoeling zijn van een wet die de rechten van auteurs moet beschermen. Vóór alles heeft een auteur er recht op te worden gelezen. Het is dan ook de hoogste tijd voor een ‘internetuitzondering’ voor niet-commercieel gebruik in de Auteurswet. En dan eentje die beter doordacht is dan de aanpassing van 2004. Sindsdien mogen erfgoedinstellingen weliswaar hun eigen collectie digitaal beschikbaar stellen aan het publiek, maar uitsluitend via een besloten netwerk dat alleen in het eigen gebouw te raadplegen is. Zo werkt internet natuurlijk niet.
Dat is het ministerie van Justitie zich inmiddels ook bewust. Eind vorig jaar zegde minister Hirsch Ballin de Tweede Kamer toe een onderzoek te laten verrichten naar oplossingen die in andere landen zijn ontwikkeld voor de problematiek van de verweesde werken. Aanstaande maandag is de bewindsman openingsspreker op een groot internationaal Auteursrechtsymposium in Amsterdam, dus de verwachtingen zijn hooggespannen.
Het zou moeten kunnen, want in diverse landen zijn al oplossingen uitgedacht. Zo kent Canada een Copyright Board die toestemming kan geven om een verweesd werk te gebruiken, mits de gebruiker ‘reasonable efforts’ heeft ondernomen om de rechthebbende te vinden. Betaling hoeft pas achteraf plaats te vinden, als zich alsnog een rechthebbende meldt. In de VS is een wetsvoorstel ingediend dat niet-commercieel gebruik van een verweesd werk toestaat voor een wetenschappelijk of educatief doel. Wel moet dit gebruik worden gestaakt – het werk moet van de website af – als een rechthebbende daar bezwaar tegen maakt. In Engeland wordt gedacht in dezelfde richting, met een Copyright Tribunal dat, als gebruiker en rechthebbende er onderling niet uitkomen, achteraf de hoogte van de vergoeding bepaalt – en afhankelijk van het soort gebruik(er) kan die ook op nul uitkomen.
Grote voordelen van het Angelsaksische model zijn de betaling achteraf en de mogelijkheid van terugtrekking van werken. Het nadeel is echter dat alle drie varianten uitgaan van een voorafgaande zoektocht naar rechthebbenden. En die is bij grootschalige digitaliseringprojecten volstrekt onrealistisch. Om dezelfde reden biedt ook de vergelijkbare suggestie van een ‘diligent search’, voorgesteld door de High Level Expert Group van het EU-programma i2010 Digital Libraries, geen soelaas.
Er is echter een systeem dat tegemoetkomt aan de randvoorwaarden voor massadigitalisering, en dat zowel het privaatrechtelijke belang van de auteursrechthebbenden dient als het publieke belang van bibliotheken, archieven en musea. Het heet ‘extended collective licensing’, en bestaat in Scandinavië. Daar kunnen rechtenorganisaties met gebruikers licentieovereenkomsten afsluiten die ook wettelijk bindend zijn voor niet-aangesloten en onvindbare rechthebbenden. Naar hen zoeken hoeft dan dus niet meer.
Er lijkt veel voor te zeggen het Scandinavische model ook toe te passen in Nederland. De juridische commissie van fobid, het nationale samenwerkingsverband van landelijke bibliotheekorganisaties, maakt zich er in ieder geval sterk voor. Het zou een enorme stap vooruit zijn. Toch kleeft ook aan dit model een bezwaar. Er moet vooraf worden betaald voor de licentieovereenkomsten, met als gevolg alsmaar groeiende, moeilijk te verantwoorden fondsvorming bij de rechtenorganisaties.
De beste en uiteindelijk meest kosteneffectieve aanpak bestaat uit een verfijnde combinatie van het Angelsaksische en het Scandinavische model. Oftewel, het afsluiten van extended collective licenses, maar dan op basis van het opt out-beginsel. De voordelen zijn evident: er is geen zoektocht naar verweesde werken meer nodig, erfgoedinstellingen hebben vooraf inzicht in de mogelijke financiële consequenties en betalen pas als een rechthebbende claimt. Anderzijds blijft diens recht op een vergoeding én op het weigeren van toestemming overeind staan.
De definitieve oplossing zou zijn een speciale internetparagraaf in de Auteurswet voor niet-commercieel gebruik door erfgoedinstellingen. Zoiets duurt natuurlijk jaren, en daarom is een voorlopige oplossing nu een eerste vereiste. Laat om te beginnen rechtenorganisaties aan erfgoedinstellingen een vrijwaring geven voor niet-aangesloten onvindbare rechthebbenden. Lukt het niet om de financiële aansprakelijkheid die zij daarmee overnemen te herverzekeren, dan ligt het op de weg van de overheid om zich hiervoor garant te stellen. Het is de enige manier om te voorkomen dat de 20ste eeuw in de digitale bibliotheek te boek komt te staan als ‘the missing link’.

AEX: 310,03 




