Een kapper in New York werkt vanuit een mobiele kapsalon. ‘Laagopgeleiden wordt in Nederland de mogelijkheid ontnomen zichzelf te verwezenlijken.’ (Foto Reuters)   Een kapper in New York werkt vanuit een mobiele kapsalon. ‘Laagopgeleiden wordt in Nederland de mogelijkheid ontnomen zichzelf te verwezenlijken.’ (Foto Reuters)

De verzorgingsstaat verstikt migranten

Gepubliceerd: 24 november 2007 10:30 | Gewijzigd: 24 november 2007 11:19

De zorgende staat werkt de achterstand van migranten in de hand, want hij leidt tot inertie. In New York worden de talenten van mensen beter benut dan in Nederland.

Heleen Mees

Rem Koolhaas, de wereldberoemde Rotterdamse architect, legt in Delirious New York, a retroactive manifesto (1978) de filosofie bloot die ten grondslag ligt aan de stad New York. Volgens Koolhaas is Manhattan het strijdtoneel voor de laatste fase van de westerse beschaving.

Het einde van de geschiedenis voorspellen is altijd riskant, maar volgens mij is New York het ultieme model voor een samenleving zonder grenzen. Het is de stad van de toekomst.

De bevolking van Manhattan groeide begin 19e eeuw zo snel dat er een plan nodig was om het eiland te organiseren. Een speciale commissie adviseerde in 1811 om het eiland op te delen in twaalf Avenues lopend van noord naar zuid, en 155 Streets lopend van oost naar west. Manhattan werd aldus in 2.028 blokken gesneden. Uit democratisch oogpunt kregen de avenues en straten nummers in plaats van namen. Omdat de blokken die de straten en avenues op Manhattan vormen allemaal aan elkaar gelijk zijn kan niemand, geen projectontwikkelaar of architect, het eiland domineren met zijn visie of ideologie. De stad heeft geen centrum, geen hart en ook geen inner circle. Het heeft iets egalitairs. Zodra je je eigen buurt verlaat ben je weer een nieuwkomer in je stad. Iedere buurt in New York is min of meer economisch zelfstandig. Of, zoals de Amerikaanse schrijver E.B. White het omschreef, ieder deel van de stad is een stad in een stad in een stad. Een stad die niet hypermodern is of van de nieuwste snufjes voorzien, maar een stad die met garen en plakband bijeen wordt gehouden. De oplettende toeschouwer ziet ook het hechte sociale weefsel van de stad. Metropolis is het werk van mensenhanden.

Precies zoals White het meer dan een halve eeuw geleden voorspelde, vind je op steenworp afstand van mijn huis in New York een deli, een stomerij, een bakker, een Starbucks, een kledingmaker, een nagelstudio, een slijterij, een bloemenstalletje en een parkeerservice. De winkels zijn de hele week tot negen uur ’s avonds open en de deli zelfs dag en nacht. Nannies zorgen voor de kinderen in de buurt en dogwalkers laten de honden uit. Koeriersdiensten en taxi’s rijden af en aan. Volgens White is er in New York om de paar blokken wel een Main Street, een dorpsstraat. De straat waar ik woon heet toevallig ook echt Main Street.

De afzonderlijke buurten van New York zijn zo compleet en er is zo’n sterke gemeenschapszin dat menig New Yorker zijn leven doorbrengt in een gebied kleiner dan een plattelandsdorp, aldus White. Hij vertelt over een vrouw die een paar straten verderop ging wonen. Toen ze een week later niettemin naar haar vaste kruidenier toeging, was die bijna in tranen – om het weerzien.

E.B. White schreef deze anekdote in 1949, maar hij is nog altijd actueel. Toen mijn vader in de zomer van 2003 overleed, en ik pas maanden later terugkeerde naar New York, vertelde de postbode dat hij zich zo’n zorgen om mij had gemaakt. Die aardige bejegening is typerend voor New York. In plaats van de oppervlakkigheid en anonimiteit die worden geassocieerd met het leven in de grote stad, kenmerkt New York zich juist door een sterke onderlinge betrokkenheid.

Behalve de hoogwaardige dienstverlening die je in New York aantreft, zoals zakenbanken en advocatenkantoren, zie je ook veel vormen van laagwaardige dienstverlening. Het gaat om banen die in Nederland helemaal niet bestaan, zoals de waterschenkers in restaurants, de liftbedienden in de vele wolkenkrabbers die New York rijk is en de schoenenpoetsers die op kantoor langskomen.

Als ik in Amsterdam ben valt het me telkens opnieuw op wat voor gesegregeerde samenleving het is. Terwijl ik in New York voortdurend in aanraking kom met mensen in allerlei soorten, kleuren en maten, heb ik in Amsterdam hoofdzakelijk van doen met mensen die net als ik blank en hoogopgeleid zijn. Alleen bij de Albert Heijn en C1000 krijg ik soms de kans om een paar woorden te wisselen met meisjes met hoofddoekjes die achter de kassa zitten.

John Mollenkopf, een Amerikaanse onderzoeker werkzaam bij de City University van New York, heeft de positie van de eerste en tweede generatie migranten in het onderwijs en op de arbeidsmarkt in New York en Amsterdam met elkaar vergeleken. Amsterdam doet het op beide gebieden aanmerkelijk slechter dan New York, waar meer dan 90 procent van de migranten aan het werk is. Ook de arbeidsdeelname van migrantenvrouwen is in New York opvallend hoog.

De verklaring hiervoor moet volgens Mollenkopf worden gezocht in de regulering van de arbeidsmarkt en het niveau van de sociale bijstand in Nederland. In de Verenigde Staten zijn migranten op zichzelf aangewezen en de ongereguleerde arbeidsmarkt is veel toegankelijker voor migranten dan de strikter gereguleerde Europese arbeidsmarkt.

In New York doen de kinderen van migranten het op school niet veel slechter dan de andere ‘autochtone’ leerlingen. Dat is in schril contrast met migrantenkinderen in Nederland. In 2003 beschikte slechts 35 procent van de Turkse en Marokkaanse jongvolwassenen in de leeftijdscategorie van 20 tot 34 jaar over een startkwalificatie. Van hun autochtone leeftijdsgenoten had bijna 80 procent een startkwalificatie. Ayaan Hirsi Ali zegt in Paul Scheffers boek Het land van aankomst dat de verzorgingsstaat de integratie van minderheden hindert omdat er voor migranten om te overleven geen absolute noodzaak is om zich aan de Nederlandse samenleving aan te passen. Het moderniseringsproces kan tot stilstand komen in een uitkeringssituatie, aldus Hirsi Ali.

Volgens mij is de werkelijkheid grimmiger. Het langdurig afhankelijk zijn van een uitkering werkt vervreemding en apathie in de hand. Een uitzichtloze uitkeringssituatie leidt niet tot stilstand. Die leidt tot terugval.

Wie het multiculturele drama wil begrijpen, hoeft alleen maar te kijken naar de lage participatiegraad en de hoge uitkeringsdruk onder migrantengroepen in Nederland. Tegenover 46.000 mannen van Marokkaanse afkomst die in 2004 betaald werk hadden stonden 32.000 Marokkaanse mannen tussen de 15 en 65 jaar die een uitkering ontvingen. Dat wil zeggen dat de uitkeringsdruk onder Marokkaanse mannen met 70 procent dat jaar vier keer zo hoog was als onder autochtone mannen. Mannen van Turkse afkomst doen het iets beter dan Marokkaanse mannen.

Als we naar de uitkeringsbalans bij vrouwen kijken dan zien we dat vrouwen het over de gehele linie een stuk slechter doen dan mannen. In 2004 hadden 36.000 vrouwen van Turkse afkomst tussen de 15 en 65 jaar betaald werk tegenover 37.000 Turkse vrouwen die een uitkering ontvingen. Ook bij vrouwen van Marokkaanse oorsprong vinden we een uitkeringsdruk van meer dan 100 procent. Onder autochtone vrouwen is de uitkeringsdruk met 23 procent aanzienlijk lager, hoewel dat nog altijd 5 procentpunten hoger is dan de uitkeringsdruk onder autochtone mannen (zie tabel).

Een halve eeuw geleden voorspelde de filosofe Hannah Arendt al een maatschappij waarin niet genoeg arbeid zou zijn om iedereen tevreden te stellen (Vita Activa, 1958). Ze had er geen vertrouwen in dat arbeidskracht, als die niet werd opgebruikt in de strijd om het naakte bestaan, automatisch zou worden aangewend voor ‘hogere’ activiteiten. Arendt waarschuwde voor de apathie en het verlies aan initiatief die de overvloedmaatschappij bedreigen. Ze pleitte daarom voor een herwaardering van het ‘actieve leven’. Alleen door te handelen en initiatief te nemen kunnen mensen hun eigen individualiteit tegenover andere mensen kenbaar maken.

In Nederland is er als gevolg van de verzorgingsstaat een overschot aan laagopgeleiden. Of, zoals Hannah Arendt het zou zeggen, „er is te weinig arbeid om ze tevreden te stellen”. In een verzorgingsstaat worden laagopgeleiden gedwongen tot inactiviteit. Ze krijgen daardoor niet de kans om hun eigen individualiteit tegenover andere mensen kenbaar te maken. Of om het iets minder deftig te zeggen: laagopgeleiden wordt in Nederland de mogelijkheid ontnomen om zichzelf te verwezenlijken.

Bovendien dwingt de hoge belastingdruk, die zo kenmerkend is voor de verzorgingsmaatschappij, mensen die wel een baan hebben ertoe om allerlei laagwaardig werk zelf te doen. Het is te kostbaar om het werk uit te besteden, of de diensten worden überhaupt niet aangeboden. Een goede nanny is in Nederland óf onvindbaar, óf onbetaalbaar. Dat laatste ontmoedigt hoogopgeleide vrouwen weer om een volwaardige carrière te ambiëren. Ik heb dit fenomeen ooit omschreven als de vrijetijdsparadox.

In Nederland zie je veel van dergelijke ongerijmdheden. Er staan vaak lange rijen bij de kassa’s omdat winkelpersoneel te duur is. Voor zoiets simpels als een manicure moet je twee weken van tevoren een afspraak maken om ervan verzekerd te zijn dat er plaats is. En op een stralende voorjaarsdag kan het zowaar gebeuren dat een terras gesloten blijft ‘wegens gebrek aan personeel’.

De verzorgingsstaat blijkt een verstikkende deken te zijn voor de grote groepen migranten die de afgelopen decennia naar Nederland zijn gekomen om hun geluk te beproeven. De zorgende staat werkt de achterstand van migranten in de hand, in plaats van dat die hun kansen vergroot.

New York doet het in dit opzicht beter dan Nederland. Dat geldt voor alle migranten, maar in het bijzonder voor vrouwen en migrantenkinderen. Voor een migrant in spé biedt Nederland misschien een betere uitgangspositie qua huisvesting en sociale bijstand, maar New York biedt de beste uitkomsten. In New York worden de talenten van mensen gewoon beter benut dan in Nederland. De lage arbeidsdeelname en hoge uitkeringsdruk onder migranten kunnen' deels worden verklaard door uitsluitingsmechanismen die niet louter institutioneel van aard zijn.

Uit onderzoek uitgevoerd onder Nederlandse werkgevers blijkt bijvoorbeeld dat die een grote voorkeur aan de dag leggen voor alles wat blank is én een Y-chromosoom heeft. Aan de andere kant spelen ook het (bruto) minimumloonniveau en de hoogte en toegankelijkheid van de sociale uitkeringen een rol. Degenen die op het eerste gezicht het meest lijken te profiteren van de verzorgingsstaat, blijken er in werkelijkheid het meest onder te lijden te hebben. De verzorgingsstaat moet worden omgebouwd tot een kansenmaatschappij.

De ervaring in New York leert dat mensen veel beter in staat zijn om voor zichzelf te zorgen dan wij denken. In Nederland zou ook het uitgangspunt moeten zijn dat iedereen die daartoe fysiek enigszins in staat is tot zijn 65ste economisch zelfstandig moet zijn. De Nederlandse arbeidsmarkt moet dan wel toegankelijker worden voor nieuwkomers. Het volstaat niet om de arbeidsmarkt te dereguleren. Er is ook positieve actie naar Amerikaans model nodig.

In de Verenigde Staten geldt dat bij voldoende geschiktheid de voorkeur uitgaat naar een kandidaat uit de ondervertegenwoordigde groep. Op die manier wordt ook voor subtiele vormen van uitsluiting gecompenseerd en wordt ruimte gecreëerd voor sociale mobiliteit. Tegelijkertijd moet er iets worden gedaan aan de segregatie in het lager en middelbaar onderwijs en moeten de kosten van persoonlijke dienstverlening fiscaal aftrekbaar worden voor mensen die minimaal 36 uur per week buitenshuis werken.

Het minimumloonniveau in New York is met iets minder dan 8 dollar per uur redelijk vergelijkbaar met dat in Nederland, alleen komen er in New York geen extra lasten voor de werkgever bij. Dat zou in Nederland ook zo moeten zijn. Onder die voorwaarden kan de uitkeringsduur over de hele linie worden beperkt, bijvoorbeeld tot zes maanden. Voorzover er daarna nog enige vorm van ondersteuning wordt geboden mag dat alleen in een vorm die eraan bijdraagt dat mensen economisch zelfstandig worden.

Je zou overigens bijna vergeten dat niet louter ongeschoolde migranten hun geluk komen beproeven in New York. Integendeel. De stad is een ware talentenmagneet. De energie en opwinding van het leven in zo’n mensenkluwen zijn voor velen onweerstaanbaar. Ook in dit opzicht laat Nederland hopeloos veel kansen liggen.

Zoals de titel van het boek van Koolhaas al suggereert, is het leven in Metropolis lichtelijk verslavend. Koolhaas noemt het ‘een archipel van steden in steden’. Hoe meer elk ‘eiland’ zijn eigen identiteit viert, des te meer wordt de eenheid van de archipel als systeem versterkt en voor de toekomst bestendigd.

In deze archipel van steden staat geen bouwwerk op zichzelf. Zoals een bevriende New Yorkse architect ooit eens tegen mij zei: „Ieder gebouw in New York ontleent zijn kracht en schoonheid aan zijn omgeving.” Dat laatste geldt ook, of misschien nog wel meer, voor de mensen in New York.

In de film ‘Taxi Driver’ (1976) zien we het New York van de jaren zeventig met hoertjes, pooiers, dealers, bedriegers en freaks. Er is een scène waarin Travis Bicle (gespeeld door Robert de Niro) Charles Palantine in zijn taxi heeft, de Democratische kandidaat voor de presidentsverkiezingen. Palantine vraagt aan Bicle wat hem het allerergste stoort in Amerika. Volgens Bicle is het de stad New York, dat open riool, vol met vuil en uitschot. „If you become president, you have to clean up this shit.” Palantine reageert geschrokken. Dát is te veel gevraagd.

In de jaren tachtig was één op de zeven New Yorkers aangewezen op sociale bijstand. Onder leiding van burgemeester Giuliani werd in de jaren negentig een offensief gestart om mensen uit de sociale bijstand te halen en weer aan het werk te krijgen, deels via ‘Melkertbanen’. In de jaren erna halveerde het aantal uitkeringen ruimschoots terwijl meer dan een half miljoen mensen die tot dan toe van overheidssteun afhankelijk waren economisch zelfstandig werden. De nieuwe aanpak van criminaliteit leidde ertoe dat New York – ooit berucht vanwege de onveiligheid op straat – de veiligste werd van alle grote steden in de Verenigde Staten.

Toen Bill Clinton in 1991 presidentskandidaat was beloofde hij de kiezers dat hij als president „een einde zou maken aan de sociale bijstand zoals we die kennen”. Daarmee bedoelde hij de uitkeringen aan alleenstaande (tiener) moeders. Clinton hield woord. In 1996 werd een werkverplichting ingevoerd en de duur van de sociale bijstand beperkt. In 2004 was het aantal alleenstaande moeders dat onder de armoedegrens leefde (dat wil zeggen iets meer dan 1.500 dollar voor een moeder met twee kinderen) met eenvijfde gedaald in vergelijking met de jaren negentig. Ook was het aantal vrouwen dat aangaf te weinig te eten te hebben significant gedaald.

Jurist, econoom en columnist van NRC Handelsblad. Auteur van ‘Weg met het deeltijdfeminisme’.
 

Expertvideo's

Winnaars NRC-wedstrijd bekend. Bekijk de winnende YouTube-presentaties.

Expertdiscussie

Onderweg naar Europa sterven jaarlijks duizenden migranten.

Expertdiscussie

De hypocriete elite - waaronder Geert Mak - moet zich bekommeren om volkswoede, betoogt P. Waterdrinker.

zoeken

in

Opiniestuk of brief insturen?

Gesponsorde links

 

    Op zoek naar een serieuze relatie? Doe de psychologische PARSHIP-test en vind de partner die echt bij je past.
    Meld u nu gratis aan.