Waarom de weigerambtenaar mag weigeren
Weigerambtenaren zijn geen zeurende dwarsliggers. Volgens Sjoerd de Jong wordt de discussie over het trouwen van homo’s vertroebeld door vier schijnargumenten.
Ja, natuurlijk ben ik voor het homohuwelijk.Nou ja, het ‘homohuwelijk’ bestaat niet – net zo min als het ‘homorijbewijs’. Het burgerlijk huwelijk is sinds kort opengesteld voor personen van het gelijke geslacht, daar komt het op neer; er is geen nieuw soort huwelijk verzonnen.
Ik vind ook dat alle ambtenaren van de burgerlijke stand zouden moeten meewerken aan de feestelijke ceremonie die daarbij plaatsvindt. Uit een besef van dienstbaarheid dat bij hun beroep past.
Maar toch.
Ik begin te twijfelen als ik hoor en lees hoe de overheid wordt aangespoord ‘weigerambtenaren’ te verbieden. Dat gebeurt met een angstaanjagende verbetenheid en vaak eerder met slagzinnen dan met argumenten. Tegelijk is de verdediging van christelijke weigerambtenaren soms ook tamelijk pover. Zoals die van de nieuwe CDA-coryfee Mona Keijzer, die in de Volkskrant de zaak zo samenvatte: ,,Ik vind het oké dat jij homo bent, vind jij het oké dat ik er moeite mee heb twee homo’s in de echt te verbinden?’’ Ik ben oké, jij bent oké, heette het ooit.
Maar of het ‘oké’ is dat iemand homo is – daar zegt Mona niets over.
Kern van het conflict is of een verplichting aan ambtenaren om elke huwelijksvoltrekking bij te wonen moet prevaleren boven hun recht op gewetensbezwaren. Dat vraagt om een pragmatische afweging van individuele rechten, plichten en maatschappelijke belangen. Maar zowel door ‘gedogers’ als door ‘verbieders’ wordt die vaak te makkelijk voorgesteld. Alsof het louter gaat om zeurende dwarsliggers versus lex dura, sed lex (de wet is hard, maar het is de wet).
Maar hoezo eigenlijk lex en waarom eigenlijk dura?
Het ‘gewoon de wet uitvoeren’-argument
Het simpelste, maar ook bedrieglijkste argument: niet zeuren, uitvoeren! Handhaven, zou Rita Verdonk zeggen.
Een eerste, algemene kanttekening bij dit argument is dat zelfs de wet niet altijd alles is, ook niet voor een ambtenaar. Wetten en regels kunnen oneerlijk of zelfs onrechtvaardig zijn. En soms gaat het geweten dan boven de wet, nog los van de vraag of daar dan ook altijd een ‘regeling’ voor moet komen. Waren er bijvoorbeeld maar meer ‘weigerambtenaren’ geweest in de jaren 1940-1945.
Ja, toen waren we bezet door een niet legitieme macht. Maar dat gold toch niet voor de wetten in het zuiden van de Verenigde Staten, toen de zwarte burgerrechtenbeweging daar op gang kwam, of later de vrouwenbeweging. Goed, dat ging om het bestrijden van ongelijkheid, nu gaat het die ambtenaren er juist om ongelijkheid in stand te houden. Maar dat neemt het argument nog niet weg dat het geweten soms boven de wet gaat.
Er is bovendien een tweede, veel concreter probleem met dit argument. Want wat bepaalt de wet nu eigenlijk inzake het huwelijk? Niet dat ambtenaren verplicht zijn een praatje te houden bij een huwelijk. Ambtenbaren zijn overheidsdienaren die nagaan of voldaan is aan de formele vereisten voor een huwelijk (geen bigamie bijvoorbeeld), maar ze voltrekken dat huwelijk niet. Dat is een zaak tussen burgers. De huidige weigerambtenaren beweren, voor zover ik weet, niet dat homo’s geen boterbriefje mogen krijgen. Ze willen alleen niet meewerken aan de ceremonie die bruidsparen daar graag bij willen.
Raadsheer Jan Wolter Wabeke stelde daarom in NRC Handelsblad al een eenvoudige oplossing voor: laat homostellen maar kiezen of ze een ‘kaal’ huwelijk willen, of een feestelijke plechtigheid. Aan het eerste moet ook een weigerambtenaar meewerken, voor het tweede moeten ze maar een ander vragen.
Dat klinkt redelijk. Want is het in de eerste plaats de taak van de overheid om te garanderen dat ieder homostel kan trouwen, of dat nergens een weigerambtenaar rondloopt? Zolang het eerste het geval is, wordt de wet gewoon uitgevoerd. Anders wordt het als ambtenaren zich actief zouden verzetten tegen de wettelijke taken die ze moeten uitvoeren voor het sluiten van een huwelijk – maar dat is (nog) niet aan de orde.
Het paspoortargument
Een aangepaste versie van het eerste argument. Dit komt erop neer dat ambtenaren zich niet moeten ‘bemoeien’ met de vraag wie met wie trouwt. Zomin als ze het verstrekken van een paspoort mogen weigeren. Hier met dat papier!
Maar het uitgeven van een paspoort en het voorbereiden van een huwelijk zijn verschillende ambtelijke taken. Het hebben van een paspoort is een verplichting die door de overheid aan burgers is opgelegd. Trouwen is een vrijwillige handeling tussen burgers onderling. De analogie gaat dus niet op.
Bovendien, een ambtenaar mag zich best ‘bemoeien’ met de vraag wie er trouwt en waarom – dat moet hij zelfs, om gedwongen huwelijken, bigamie en ‘schijnhuwelijken’ te voorkomen. Zoals hij zich ook ‘bemoeit’ met de vraag of je Nederlander bent, als je een paspoort aanvraagt.
Kortom, ook dit argument schiet tekort.
Het Zuid-Afrika- argument
Dit argument is een verweer tegen de eerdere oplossing dat homo’s toch altijd door een andere ambtenaar kunnen worden getrouwd. Ja, zoals een zwarte man in Zuid-Afrika altijd wel één blanke taxichauffeur kon vinden die hem meenam – als hij maar zijn best deed. Maar dat moet niet hoeven, het is zijn recht!
Ja, dat is kwetsend. Maar toch gaat dit argument in deze vorm nog niet op. In Zuid-Afrika was het de maatschappelijke en wettelijke norm om zwarten anders te behandelen dan witten. Hier is het juist de norm dat homo’s gelijk worden behandeld. Het burgerlijk huwelijk is opengesteld voor personen van hetzelfde geslacht. Punt uit.
Het ‘vervang door Joden’-argument
Het demagogische argument. Vervang „homo’s” nu eens door „Joden”, en vind je dan nog dat ambtenaren mogen weigeren hen te trouwen?
Dit is een populaire wisseltruc. Harry de Winter gebruikte hem in een advertentie tegen Geert Wilders (vervang ‘moslims’ door ‘Joden’). Sympathisanten van Poetin zetten hem in om de straf voor de vrouwen van Pussy Riot milder voor te stellen dan die is (vervang ‘kerk’ door ‘moskee’).
Maar het blijft een truc. Je kunt woorden niet zomaar wisselen zonder de betekenis van de hele zin te veranderen. Probeer het eens bij een verkeersagent: ,,Vervang ‘rood’ door ‘oranje’ en vindt u dan nog steeds dat ik niet mag doorrijden?’’
De vraag is of ambtenaren naar eigen voorkeur een bepaalde groep mogen uitzonderen. Nee, dat mag niet. Maar mogen ze weigeren een feestelijk praatje te komen houden voor een bepaalde groep? Dan gaat het er in dit argument om of ‘Joods-zijn’ in de context van het burgerlijk huwelijk net zo’n eigenschap is als homoseksueel zijn. Het eerste is een etnische of religieuze aanduiding, het tweede drukt een seksuele voorkeur uit. En feit is nu eenmaal dat het in het Nederlands burgerlijk huwelijk om het laatste gaat, niet om het eerste.
Hoe zou je weigerambtenaren dan wel kunnen ‘aanpakken’?
Niet met een simpel beroep op de wet. Maar je zou kunnen zeggen dat het indruist tegen de menselijke waardigheid als ambtenaren zich mogen onttrekken aan een ceremonie die bij een huwelijk hoort. Dit is een aangepaste versie van het te grove Zuid-Afrika-argument.
Daar staat tegenover dat ook ambtenaren recht hebben op waardigheid en erkenning van gewetensbezwaren of geloofsovertuiging. De Grondwet bepaalt: „Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.” (Artikel 3).
Het begin van een praktische oplossing zou kunnen zijn om bruidsparen dan maar te laten kiezen, zoals Wabeke voorstelt. Een feestje, een stempel, of een andere ambtenaar. Zolang dat nog geen beletsel vormt voor het functioneren van de Burgerlijke Stand waar hij werkt, is er nog niet veel aan de hand. Daarbij hoort natuurlijk wel, dat een ambtenaar moet kunnen aantonen dat zijn gewetensbezwaren onoverkomelijk zijn en gebaseerd op een godsdienstige overtuiging.
De ‘kwetsuur’ van homostellen die weten of vermoeden dat ergens in het gemeentehuis een ambtenaar rondloopt die hen niet had willen trouwen, moet dan worden afgewogen tegen de ‘kwetsuur’ van de ambtenaar, die zich erbij moet neerleggen dat homo’s in zijn gemeente of stadsdeel gewoon kunnen trouwen volgens de wet, ongeacht wat de Bijbel of de Koran zegt.
Weigerambtenaren die het niet alleen oneens zijn met het feit dat homo’s mogen trouwen, maar zich daar ook actief tegen verzetten – bijvoorbeeld door te weigeren de formele vereisten van het huwelijk na te gaan – hinderen inderdaad de uitvoering van de wet en kunnen beter vertrekken uit overheidsdienst. Maar een ambtenaar die alleen de niet-verplichte ceremonie bij het huwelijk niet wil leiden, die zou moeten worden getolereerd en bij die ceremonie worden vervangen door een ander.
Mona Keijzer kwam er later, in Het Parool, nog eens op terug – en nu veel beter. „Iedereen moet de vrijheid hebben om overal te kunnen trouwen”, zegt ze eerst. „Dat is in Nederland goed geregeld, ben ik trots op. Maar het is wel fijn dat als je in een land woont dat zegt liberaal te zijn, je dan ook liberaal bent jegens mensen die dat vanuit religieuze overtuigingen niet kunnen. Er zijn genoeg andere ambtenaren die dat wel fantastisch vinden. Regel het dan met diegene, regel het met elkaar.”
Nog één probleem. Want stel dat de meerderheid van alle ambtenaren in een gemeente of stadsdeel in verzet gaat tegen het trouwen van homo’s, ook vanachter het loket, en de dienstverlening daardoor spaak loopt.
Dat is niet erg waarschijnlijk, maar ook niet helemaal denkbeeldig. Acceptatie van homo’s is nog lang geen gemeengoed, of het nu gaat om Staphorst of Amsterdam-West. Gelijkheid voor de wet is niet uit de lucht komen vallen, maar is altijd inzet van politieke en maatschappelijke strijd.
Wat dan? Zulke collectieve werkweigering zou reden zijn voor een dienstbevel van de burgemeester of de minister. Het huwelijk moet immers kunnen plaatsvinden, dat staat voorop.
Zolang dat niet aan de orde is, riekt de houding dat weigerambtenaren gewoon hun kop moeten houden naar moralisme en dwingelandij. Iedereen moet meedoen! Nee. Maar iedereen moet wel kunnen trouwen.
