Opinie en onderzoek: wie is de man en waarom vindt hij wat hij vindt?
Wie is die man en waarom vindt hij wat hij vindt?Vorige week drukte de krant een opiniestuk af waarin relativerende kanttekeningen werden gemaakt bij de nationale ophef over seksueel misbruik (Focus bij misbruikzaak niet alleen op psychische schade, 30 maart).
De auteur is twee keer veroordeeld, en zit nu in de gevangenis; dat stond er niet bij
De auteur waarschuwde dat „gealarmeerde” ouders het juist erger kunnen maken, zodat een kind alsnog problemen krijgt. Ook wees hij erop dat het begrip ‘kind’ afhankelijk is van tijd en cultuur: „Onder de zestien bij ons, onder de achttien, veertien of twaalf elders.”
Maar wie was deze auteur? Onder het stuk stond T. van Willigenburg omschreven als „oud-hoogleraar medische ethiek bij het Academisch Medisch Centrum en thans verbonden aan Kant Academy”.
Maar filosoof Van Willigenburg is ook twee keer veroordeeld wegens misbruik van minderjarige jongens. En dat stond er niet bij. Op dit moment zit hij een gevangenisstraf uit. Achter de aanbeveling in zijn stuk voor een „praktische overtuiging over wat hoort en niet hoort en een nuchtere omgang met degene die moeite heeft die grens te respecteren”, had dus kunnen staan: „zoals ondergetekende”.
De krant corrigeerde de omissie maandag, na verificatie van informatie over de auteur. Een moment van onachtzaamheid van de redactie dus. Gelukkig werd het snel rechtgezet.
Chef Opinie Maarten Huygen zegt nu dat hij het stuk niet had geplaatst als hij dit had geweten. Waarom niet? „Omdat de auteur twee keer is veroordeeld voor misdrijven met slachtoffers. Tegenover hen is het ongepast om hem in de krant impliciet nog eens voor zijn zaak te laten pleiten.” Impliciet is hier dan wel het kernwoord.
Hoe kan zoiets gebeuren?
De strafzaak tegen Van Willigenburg had niet in de krant gestaan – dus daar kon de redactie Opinie het niet van weten. Die kende hem alleen van twee eerdere opiniestukken, over andere onderwerpen.
Zijn veroordeling was wel bekend onder filosofen. Uit die kring bereikte het bericht de ombudsman, en vervolgens de redactie.
Toch had de redactie het eerder kunnen, en moeten, weten. Een korte zoektocht met Google levert al meteen informatie op over zijn veroordeling. Je hoeft niet van elke auteur die een stuk instuurt het doopceel te lichten, maar bij beladen onderwerpen als pedofilie is prudentie wel geboden.
Dan rijst nog wel de vraag: moet zoiets eigenlijk uitmaken? Het gaat er tenslotte om wat iemand beweert, niet waarom hij het beweert of wat zijn achtergrond is.
In de journalistiek ligt dat toch net anders: die moet de lezer ook informeren over de achtergrond van auteurs – waar relevant. Een wetenschapper die ooit in opspraak raakte wegens plagiaat, kan nog best een stuk schrijven over het melkoverschot zonder dat daar die plagiaataffaire wordt bij gehaald. Maar ik zou het toch even goed controleren. En het wordt natuurlijk anders als hij in een stuk betoogt dat plagiaat de normaalste zaak ter wereld is – dan wil je als lezer graag weten dat het hier een ervaringsdeskundige betreft.
Dat geldt niet alleen bij vergrijpen. Ook bij een pleidooi voor regeringsdeelname van de SP – fictief voorbeeld – hoort de vermelding dat de auteur bestuurslid is van een plaatselijke SP-afdeling.
Achter die gewoonte zit geen vulgair marxisme: je mening wordt bepaald door je belangen. Als de krant dat geloofde, hoefden er helemaal geen opiniestukken meer te worden afgedrukt, maar alleen lijsten met persoonsinformatie.
Wat zit er dan wel achter?
Lezers zijn gebaat bij informatie over auteurs omdat die, als het goed is, hun deskundigheid op een bepaald gebied en/of hun betrokkenheid bij een onderwerp duidelijk maakt. Of nog beter: de auteur moet dat in het stuk zelf vermelden
Nog iets, ook over transparantie.
Deze week verscheen het rapport van Thom Meens, over de berichtgeving over prins Friso, waar ik zelf tweemaal kritische kanttekeningen bij heb geplaatst. Zijn conclusies stonden woensdag in de krant, en ze logen er niet om (Verslag Meens over Friso-berichtgeving, 4 april).
Het siert de hoofdredactie dat die Meens heeft ingeschakeld, hem zijn werk heeft laten doen en nu ruiterlijk excuses heeft aangeboden.
Toch had ik het nog beter gevonden als naast zijn conclusies ook het onderliggende rapport in enigerlei vorm was gepubliceerd. Kranten als TheWashington Post, TheNew York Times en LA Times deden dat bij zulke gelegenheden ook, soms zelfs met een lijst namen en functies van betrokken redacteuren (compleet met hun leeftijd). Goed, Amerikanen zijn daar radicaal in.
De hoofdredactie wilde dat niet, om personen en bronnen te beschermen. Een begrijpelijke overweging, maar publiceren kan natuurlijk ook geanonimiseerd, of gekuist om recht te doen aan bepaalde vertrouwelijke informatie.
De Volkskrant maakte, na de beschuldiging van martelen door Nederlandse militairen in Irak, een extern onderzoek in 2007 ook niet volledig openbaar, met het oog op bronbescherming. Maar de krant publiceerde wel een zeer uitgebreid (niet geanonimiseerd) feitenrelaas op de website van de krant.
Dan kan de lezer tenminste ook zien waar de onderzoeker zijn conclusies op baseert.
