Een journalist moet rondlopen, een reportage hoeft dat helemaal niet
Moet een reportage ‘rondlopen’? Niet letterlijk, natuurlijk – dat moet de journalist doen die de reportage schrijft.
Een beetje human interest aan het begin en aan het eind – is dat soms verplicht?
Maar het verhaal van de journalist ‘loopt’ vaak ook ‘rond’: het begint en eindigt met dezelfde scène, of dezelfde persoon. De geitenhoeder in Kunduz ‘opent’ de reportage, met zijn klacht over wangedrag van politieagenten (het voorbeeld is fictief), en keert aan het eind terug voor een treffende dagsluiting.
Een lezer uit Blaricum vraagt zich af waarom journalisten ook in deze krant zo vaak deze stijlfiguur gebruiken. Hij schrijft: „Bij (achtergrond)artikelen wordt in de krant vaak dezelfde methodiek gehanteerd: eerst een stukje human interest, vervolgens wordt het onderwerp breder getrokken en lees je waar het eigenlijk om gaat. Daarna wordt afgesloten met het vervolg van het stukje human interest.”
Als voorbeeld noemt hij een al wat ouder artikel (Importgas bedreigt Nederlandse kwaliteit, 3 februari) over de gevolgen voor bedrijfsleven en consument van een verandering in de samenstelling van het gas dat ook voor cv-ketels wordt gebruikt.
Aan het begin daarvan wordt, aldus de lezer, „conform het door mij gesignaleerde systeem ene Ferdinand Bronner ten tonele gevoerd. Hij heeft na dertig jaar ellende met een geiser een cv gekocht en kan eindelijk lekker douchen. Dan komt een bruggetje: hoe lang kan Ferdinand nog genieten van zijn aanschaf? Vervolgens komt het eigenlijke artikel. En aan het einde komt Ferdinand terug met de opmerking dat hij het wel ziet gebeuren, omdat hij toch garantie heeft.”
Is deze methode verplichte kost? „Behalve dat het systeem zo vaak wordt gehanteerd dat het gaat irriteren, getuigt het van weinig originaliteit”, vindt de lezer.
Verplicht is deze ‘methode’ zeker niet. De krant heeft geen rigide regels voor zulke reportages – behalve natuurlijk dat ze goed leesbaar moeten zijn en geschreven in correct en concreet Nederlands.
Maar komt deze ‘methode’ echt zo vaak voor?
We komen hem inderdaad geregeld tegen in de krant, ten minste een dozijn keer in twee weken kort na Ferdinand Bronner.
Priscilla Koh, wetenschapper in Ho Chi Minh Stad, mocht een reportage aftrappen én afsluiten, en zo ook Carlo Barosci, drugsgebruiker te Antwerpen; Jake Diliberto, Afghanistanveteraan in Washington; Margot Holtman, studente aan de kunstacademie in Amsterdam; Joao Labrincha, jongere te Lissabon; piloot Emile op de vliegbasis Leeuwarden; Zeke Rucker, feestende toerist te Cancún; Dave Hendriks, vastgoedadviseur in Amsterdam; en Bahrudin, lid van een islamitische knokploeg in Jakarta.
En dan heb ik er vast nog een paar gemist. En interviews en portretten van één persoon buiten beschouwing gelaten.
Is dat erg? Nee, als het goed geschreven stukken zijn, helemaal niet. Maar ik geef toe, het kán een makkelijk maniertje worden.
Journalisten hebben niet altijd zo geschreven. Zakelijk schrijven was altijd al het devies. Mooi schrijven is er meestal later bijgekomen.
Bij The New York Times was het in de jaren vijftig van de vorige eeuw niet ongebruikelijk dat verslaggevers die niks te doen hadden, op de redactie een kaartje legden, kranten lazen of aan hun grote roman werkten. Wanneer de nieuwschef met een opdrachtbriefje uit zijn kantoor kwam, gingen ze aan het werk.
Dat werd anders, toen hoofdredacteur A.M. Rosenthal van verslaggevers begon te eisen dat ze ook zelf met ideeën kwamen, en beter gingen schrijven. Het moest afgelopen zijn met het saaie ‘fabrieksproza’ dat een talent als Gay Talese bij de krant had doen vertrekken. Het mocht wel wat persoonlijker.
Overigens trok dezelfde Rosenthal ook weer aan de handrem, toen de redactie gaandeweg werd bevolkt door linkse types van wie hij liever helemaal geen stukken in de krant wilde, laat staan persoonlijke.
Maar zijn aanpak beklijfde en ook bij andere kranten nam de druk om ‘creatief’ te schrijven toe. Ook om commerciële redenen, trouwens: de lezer moest worden ‘verleid’ en vastgehouden.
Sindsdien wemelt het in de journalistiek van het soort reportages dat de lezer bedoelt: een ‘scène’ aan het begin, het verhaal afdraaien, en hup, weer terug naar het begin. Ik heb het hier ook gedaan, met de abonnee die zijn krant langs de weg vond. Aan het begin van mijn stuk kwam hij vertellen dat hij de krant gelukkig weer in de bus kreeg, en aan het eind dook hij weer op.
Liep mooi rond, ziet u.
Ook lezers zijn eraan gewend geraakt. Toen eerdergenoemde Jayson Blair van The New York Times erop was betrapt dat hij in zijn stukken deed alsof hij mensen thuis had bezocht terwijl hij ze in feite alleen aan de telefoon had gehad, bleken sommige slachtoffers daar helemaal geen moeite mee te hebben. Zo ging dat toch in de journalistiek? Je staat die aardige jongeman te woord aan de telefoon, en ziet jezelf terug in je huiskamer aan het begin (en eind) van zijn artikel.
Maar het kan gaan vervelen. Bovendien, het gevaar is ook dat het ‘middenstuk’ van zo’n verhaal – waar de meeste informatie staat – er stilistisch bekaaid vanaf komt.
Ik ben het dus met de lezer eens, dat dit ‘systeem’ met mate moet worden gebruikt. Eén sprekende taxichauffeur of kippenboer hoeft niet de alfa én omega te zijn van een mooie reportage.
