De Uitspraak: ‘Mag een lijkschouwing plaatsvinden als de ouders dat weigeren?’

Mag een lijkschouwer obductie op een onverwacht gestorven kind verrichten, als de ouders dat weigeren? Met commentaar van NJB medewerkers Aart Hendriks, hoogleraar gezondheidsrecht in Leiden en Caroline Forder, bijzonder hoogleraar Rechten van het Kind aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. 

De Zaak. Een jongen van acht overlijdt onverwacht. Zijn doodsoorzaak is een raadsel. Bloed-, urine- en oogvocht onderzoek en een CT-scan gaven geen aanwijzing. Er zijn geen sporen van kindermishandeling.

Wel is er een stevige medische geschiedenis. De jongen leed aan epilepsie en was spastisch, als gevolg van zuurstofgebrek. Als baby van twee maanden werd hij met ernstige longontsteking en hartstilstand op de IC opgenomen. Het kind is vaker geopereerd en liep botbreuken op. De lijkschouwer vermoedt een mogelijk aangeboren hartafwijking of een erfelijke aandoening. Hij vraagt de rechter vervangende toestemming om lijkschouwing te mogen doen.

Wat zeggen de ouders? De ouders willen hun kind rust geven en zonder (extra) littekens begraven, in Turkije. Hij heeft genoeg ‘medische ellende’ meegemaakt in zijn korte leven. Om religieuze redenen moet begraven ook zo snel mogelijk, hoewel dat voor de ouders minder zwaar weegt. Dat door lijkschouwing erfelijke ziektes kunnen worden ontdekt die ook van belang zijn voor hun andere kinderen, is onvoldoende reden. Een lijkschouwing noemt de moeder ‘onverdraaglijk’.

Welk belang dient lijkschouwing buiten de ouders om? De wetgever maakt ‘nader onderzoek naar de doodsoorzaak’ mogelijk om kindermishandeling op te sporen. In de praktijk werden verklaringen van ‘natuurlijk overlijden’ afgegeven, terwijl behandelaars vermoeden dat er iets mis was. Dat werd dan in het belang van de ‘behandelrelatie’ met de ouders niet aan de orde gesteld. Jaarlijks overlijden ongeveer 200 kinderen met een onduidelijke doodsoorzaak. Bij 50 van hen zou mishandeling een rol hebben gespeeld. De verplichte ‘neutrale’ lijkschouwing moet dat ophelderen – dat zou minder belastend zijn dan een officieel justitieel onderzoek.

Wanneer mag de rechter de ouders wettelijk passeren? Dat mag al snel. Als er geen duidelijke doodsoorzaak is dat al voldoende.

Hoe weegt de rechter beide belangen af?

Eerst vraagt de rechter de arts nog eens met nadruk of er ècht niet een ‘minimaal vermoeden van een uitwendige doodsoorzaak’ (mishandeling) is. Maar dat heeft de arts niet. Ook uit de gezinssituatie valt geen vermoeden van een onnatuurlijke dood te destilleren. Er blijft alleen het vermoeden van een erfelijk belaste doodsoorzaak over, als reden om een lijkschouwing te bevelen. Andere gezinsleden kunnen dan behandeld worden, ook minderjarige.

En waar komt de rechter uit?

‘Alles afwegende’ vindt de rechter het algemene belang om kindermishandeling beter te kunnen bestrijden „in dit concrete geval” niet opwegen tegen het belang van de moeder. Als zij het ondraaglijk vindt dat haar dode kind geopereerd wordt voor een obductie dan geeft dat de doorslag. Het vinden van een eventueel erfelijke belaste doodsoorzaak vindt de rechter niet zwaar genoeg wegen. Dat is een ‘medisch ethisch nog te omstreden argument’.

En tenslotte stelt de rechter nog een open vraag. Als er geen enkele aanwijzing is dat een kind is overleden door mishandeling verbiedt dan dan artikel 8 EVRM, het recht op eerbiediging van het privéleven, niet sowieso een gedwongen lijkschouwing? Ook als de ouders ‘geen belang kunnen stellen’, dus hier neutraal in staan?

Lees hier de uitspraak (LJ BY8242)

Reageren? Volledige naamsvermelding verplicht.