Reguleren werkt beter dan stimuleren

Een conclusie die je zou kunnen trekken uit de evaluatie van het Nederlandse klimaatbeleid, door CE Delft in opdracht van de Tweede Kamer, is dat de overheid tegenwoordig maar wat doet. Besluiten worden na 2005 amper systematisch geëvalueerd en als het al gebeurt, dan op manieren die niet met elkaar vergelijkbaar zijn, omdat de ene evaluatie heel anders wordt uitgevoerd dan de andere. Daardoor kun je moeilijk bepalen welk beleid het beste werkt.

Als je die relativering in aanmerking neemt (die gevolgen heeft voor de hardheid van de cijfers), zijn er wel een paar interessante conclusies uit het rapport te trekken. Zo blijkt energiebesparing de beste vorm van klimaatbeleid, al was het maar omdat daardoor minder andere – veelal duurdere – maatregelen nodig zijn. Vergroten van het aandeel duurzame energie, zorgen dat er meer biobrandstof wordt bijgemengd in benzine kosten steeds meer dan verwacht.

Maar er had wel meer werk gemaakt kunnen worden van energiebesparing. In de industrie werd de prikkel om zuinig te zijn met energie ernstig gehinderd door de korting die de grootverbruikers op hun energieverbruik kregen. Met als gevolg dat de besparing gemiddeld slechts 0,5 procent was, terwijl bij business-as-usual eigenlijk al ten minste 0,8 procent energie bespaard wordt.

In de eerste jaren dat Nederland serieus klimaatbeleid begon te ontwikkelen (rond de eeuwwisseling), kostte het tussen de 44 en 100 euro (in de huidige prijs) om één ton CO2-uitstoot te voorkomen, schrijven de onderzoekers. Het bedrag wordt overigens ongeveer 11 euro per ton lager wanneer je de bijkomende voordelen van het beleid (zoals minder verzuring, minder fijnstof en andere luchtvervuiling) meerekent.

Volgens de onderzoekers werd dankzij het klimaatbeleid de CO2-uitstoot aanvankelijk jaarlijks met zo’n 2,3 Mt gereduceerd, later met ongeveer 2,1 Mt per jaar. Je kunt daar overigens niet zomaar uit concluderen dat de BV Nederland ieder jaar tussen de 100 en 230 miljoen euro kwijt was aan de emissiereducties (van 44×2,3 tot 100×2,3). Desgevraagd legt een van de onderzoekers uit dat een vergelijkbaar bedrag (dat steeds iets afneemt jaarlijks nodig is om die reductie voort te zetten.

Volgens de evaluatie uit 2005 was, aldus CE Delft, 9 miljard euro aan investeringen nodig om 11,4 Mt emissiereductie te behalen. Met andere woorden zo’n 780 euro per vermeden ton CO2. De overheid was na 2003 zo’n één tot 1,5 miljard euro kwijt voor haar beleid, staat elders in het rapport:

CE Delft heeft ook gekeken naar de beste manier om het beleid uit te voeren. Het blijkt dat dwingende maatregelen, dat wil zeggen heffingen en reguleringen, veel effectiever zijn dan pogingen om met zachte hand iets te bereiken. Opmerkelijk vinden de onderzoekers dat brandstofaccijnzen wel degelijk tot een daling van het verbruik leiden. ‘Het grote publiek heeft het beeld dat energiegebruik, brandstofgebruik en automobiliteit nauwelijks gevoelig zijn voor de prijs ervan’.

Convenanten (het summum van polderpolitiek) werken nauwelijks. En ook subsidies zijn alleen effectief in de aanloopfase naar een nieuwe techniek, om innovatie te stimuleren en te helpen bij de marktintroductie. Want iedereen kan gebruikmaken van subsidiegelden, ook de degenen die hun plan zonder extra geld toch wel hadden uitgevoerd.

Overheidscampagnes om het gedrag van burgers te beïnvloeden hebben maar weinig effect. Een bescheiden uitzondering vormt de campagne over ‘Het Nieuwe Rijden’ (goede bandenspanning, minder remmen, beter schakelen, enz.) wel enig effect heeft gehad. Maar ja, dat is dan ook een simpele manier om niet alleen broeikasgassen, maar ook geld te besparen.