Consensus over meerderheidsbesluiten

This Thursday, Sept. 20, 2012 photo shows the exhibition hall of the Qatar National Convention Center (QNCC) in Doha, Qatar. Green buildings would seem an oddity in this tiny Gulf nation which has plenty of oil and gas and, according to the International Energy Agency, the highest per capita emissions in the world, closely followed by Gulf neighbors Kuwait, Bahrain and the United Arab Emirates. But attitudes about energy use are changing across the Gulf. There is a growing recognition that the once seemingly limitless fossil fuels will someday run out and that these countries need to chart a more sustainable path. (AP Photo/Osama Faisal) 'groen' expositiecentrum in Doha (Foto AP)

Waarschijnlijk zal over een paar weken wel weer het woord klimaatcircus in kranten opduiken. Onderhandelaars uit net iets minder dan 194 landen strijken dan weer neer voor hun jaarlijkse grote bijeenkomst over een nieuw internationaal klimaatverdrag. Dit keer vindt die plaats in Doha in Qatar – het land dat al jaren bovenaan de lijst prijkt van landen met de hoogste CO2-uitstoot per hoofd van de bevolking.

Iets van een circus heeft de bijeenkomst ook wel. Heike Schroeder van de universiteit van East Anglia en van het Tyndall Centre, concludeert in het tijdschrift Nature Climate Change, in een onderzoek samen met iemand van de universiteit van Colorado en van PriceWaterhouseCoopers, dat klimaattoppen hopeloos ‘verouderd’ zijn. En dat ze daardoor slecht uitpakken voor de zwakste landen.

Aan de eerste top in 1995 deden 170 landen mee, die gezamenlijk 757 delegatieleden stuurden. Op de grootste conferentie, in 2009 in Kopenhagen, waren 194 vertegenwoordig, met gezamenlijk 10.591 delegatieleden, een toename met 1.400 procent. Daarnaast waren bij Kopenhagen ook nog eens ruim 13.000 gedelegeerden van milieugroepen en andere organisaties betrokken. Dat groeiende aantal lijkt bijna omgekeerd evenredig aan de effectiviteit:

Poor countries cannot afford to send large delegations and their level of expertise usually remains significantly below that of wealthier countries. This limits poor countries’ negotiating power and makes their participation in each session less effective.

In Kopenhagen kwam de Braziliaanse regering bijvoorbeeld met ongeveer 600 officiële deelnemers. De armste ontwikkelingslanden hadden vaak niet meer dan een handvol delegatieleden. De invloed van de kleinere ontwikkelingslanden, stelt Schroeder, neemt daardoor sterk af. ‘Negotiations by exhaustion’ noemt Schroeder dat, de tegenstander uitputten door eindeloos door te vergaderen. Bovendien lijken de partijen steeds vaker langs elkaar heen te praten:

‘Our work shows an increasing trend in the size of delegations on one side and a change in the intensity, profile and politicization of the negotiations on the other. [...] These variations suggest the climate change issue and its associated interests are framed quite differently across countries.’

Haar voorstel is om delegaties kleiner te maken en representatiever (dat wil zeggen met deskundigen uit verschillende disciplines). Daarnaast doet ze de suggestie om besluitvorming op basis van consensus af te schaffen. Gewoon met meerderheden gaan werken. Maar zover zal het waarschijnlijk nooit komen, want daarvoor ontbreekt consensus.