De bescheidenheid der peentjes

Mensen zeggen wel eens tegen mij: „Doe eens iets met groenten. Het is altijd vlees dat de klok slaat bij jou. En dan meestal ook nog eens zo veel vlees. Jij schrijft nooit eens over groenten.” Dat laatste is natuurlijk niet waar. Zo schreef ik eerder over coleslaw (dat past zo goed bij die met

Mensen zeggen wel eens tegen mij: „Doe eens iets met groenten. Het is altijd vlees dat de klok slaat bij jou. En dan meestal ook nog eens zo veel vlees. Jij schrijft nooit eens over groenten.”

Dat laatste is natuurlijk niet waar. Zo schreef ik eerder over coleslaw (dat past zo goed bij die met vogels gevulde kalkoen). Ook schreef ik over ‘vergeten groenten’ (dat ik zo’n bloedhekel heb aan die term) en over bloemkool (dat het op zichzelf vaak niet te vreten is). Maar ik ben de beroerdste niet en ga een uitdaging zelden uit de weg.

Dus gaan we het niet hebben over de Simmentaler biefstuk uit Overveen die bij ons deze week met stip de steakproef won. En ook niet over de langzaam gegaarde varkensprocureur die we de dag daarna perfect roze opdienden op een bedje van spitskool, met een jus van gepofte knoflook en ciderazijn. En zelfs niet over de meiknol, pastinaak en oerwortel die zo overheerlijk uit de oven kwamen doordat we de geklaarde boter waarin eerder de ganzenlever was gebakken, eroverheen hadden gegoten.

Nee, vandaag gaat het echt alleen maar over groenten. Om precies te zijn een groente in het bijzonder: het worteltje, wat mij betreft nog steeds een van de betere groenten.

Vaak speelt het worteltje een bijrol, als zoetmaker in de bouillon of stoof. Of dun geraspt door de salade. Maar het worteltje kan prima voor zichzelf zorgen. Klassiek geglaceerd met sinaasappelsap en boter, bijvoorbeeld, of in de worteltaart. In plaats van achtergrondsmaak in een groente- of kippenbouillon, kan de wortel ook de ster van de soep zijn. Bijvoorbeeld in wortel-koriandersoep met laos.

Die twintig winterpeentjes zijn van het kleinere formaat die met z’n zessen of achten in zakjes in de super liggen. Gebruik je van die grote losse, doe er dan twaalf. Schil de penen en snij ze in plakken. Snij de uien grof. Zweet de ui aan in olie op middelhoog vuur. Voeg de fijngesneden Madame Jeanette, het korianderzaad, de laos in stukken en de gekneusde serehstengel toe. Bak de plakken wortel even mee en blus af met het sinaasappelsap.

Voeg nu vier liter water en de steeltjes van de koriander toe, breng aan de kook en laat minstens een half uur zachtjes pruttelen. Haal nu de serehstengel eruit en zet de staafmixer erin. Zet terug op het vuur, doe de groentebouillon erbij en warm nog even door. Passeer de soep door een fijne zeef en maak af met zout, peper en een drupje limoensap naar smaak. Dien de soep op met een flinke hand vers gehakte koriander.

De soep kan ook op smaak gebracht worden met kokosroom, maar dat is een beetje afgezaagd. Een klodder zure room is lekker, maar dan heb je minder limoensap nodig. Met de staafmixer een klontje boter erdoorheen draaien geeft een fluwelen resultaat, een prachtig oranje schuimpje op de soep.

Zo. En nu niet meer zeuren, hè.

Wortelsoep

Voor 4 liter soep:

4 middelgrote uien

20 winterpeentjes

6 cm laos of galangawortel, geschild

1 Madame Jeanette-peper

1 stengel sereh, gekneusd

2 el korianderzaad, gekneusd

bosje koriander

sap van 3 sinaasappels

1 liter groentebouillon

1 limoen, zout, peper