Ja, zo zijn de parasieten

Zelden, hoogst zelden, vind ik woordgrapjes leuk. Dat ze het staatssecretarisje van cultuur Halbe Zijlstra de laatste tijd Halve Zoolstra noemen vind ik leuk. Halve Zoolstra heeft, in opdracht van de PVV en de receptietijgers van de VVD, de bijl gelegd aan de laatste wortels van wat nog Nederlandse cultuur heet. De eerste wortels zijn

De regering waakt…De regering waakt…

Zelden, hoogst zelden, vind ik woordgrapjes leuk. Dat ze het staatssecretarisje van cultuur Halbe Zijlstra de laatste tijd Halve Zoolstra noemen vind ik leuk. Halve Zoolstra heeft, in opdracht van de PVV en de receptietijgers van de VVD, de bijl gelegd aan de laatste wortels van wat nog Nederlandse cultuur heet. De eerste wortels zijn er de afgelopen decennia door de PvdA afgehakt, het betere voorbereidende werk. Een van de kleinere, o zo olijke besparinkjes die Halve Zoolstra nu uitvoert geldt de literaire tijdschriften.

Als ik de woorden ‘literaire tijdschriften’ hoor haal ik mijn wenkbrauwen op, zonder dat ik maar één seconde het triomfantelijke erop loshakken van deze politieke half-aap wens bij te vallen.
Literaire tijdschriften, bestaan die dan nog?

Ik moet de argeloze lezer op dit blog kort uitleggen wat een literair tijdschrift ongeveer was. Ik ga er, misschien iets te enthousiast, vanuit dat het begrip ‘literatuur’ nog enigszins bekend is. Een literair tijdschrift, lezer, was een regelmatig, maar meestal onregelmatig verschijnende kruising tussen een vouwblad en een boek, waarin lezers die het lezen niet konden laten alvast kennis konden nemen van wat er op literair gebied stond te gebeuren, terwijl ze intussen geprikkeld werden met een mengelwerk van boze geluiden, lyriek en teksten waaraan vaak meer drift dan bezinning te pas kwam. In tijdschriften, daar gebeurde het. Daar kregen de polemicus, het aanstormende genie en de zwoeger die een langere rijping nodig had alle kansen. Als de gewichtige zwoegers onze aanstormende genieën in de weg zaten begonnen de aanstormende genieën gewoon een eigen tijdschrift.

Je had literaire tijdschriften die al een eeuw bestonden, je had literaire tijdschriften die meteen na het eerste nummer al bezweken. Het literaire tijdschrift was de keuken, de kansel en het exercitielokaal van de literatuur. Als literaire tijdschriften zo belangrijk waren, waarom heb ik er dan nooit van gehoord? Goede vraag, lieve lezer. U hebt nooit van literaire tijdschriften gehoord omdat ze al een tijdlang niet meer bestaan. Literaire tijdschriften zijn morsdood.

Nu de literatuur nog, hoor ik Halve Zoolstra sissen. Het gecastreerde haantje Rutte staat er bij en lacht. De biertappende hormoonophoping Opstelten staat er bij en schuddebuikt. De witte poederwolk Wilders staat er bij en snuift van genot. Verhagen valt nergens te bekennen, want hij kronkelt ergens daar beneden, tussen de palingen in de snotemmer.

Heren, houdt u alstublieft uw rotcenten bij u! Koop er vakantievilla’s, glimmende auto’s en kamermeisjes van, of slik ze vers van de geldpers door! Ik wens u alle geluk met uw geld, dat niet eens uw geld is, maar onder valse voorwendselen afgetroggeld van de bevolking. Bombardeer er met uw handen op de rug verre landen mee, geef het desnoods cadeau aan uw bankierende vriendjes. Maar val ons niet lastig met uw gore praatjes over kunst en cultuur, over vrijheid van meningsuiting en beschaving. Blijf met uw bloedvingers, uw graaiblikken, uw verzeepte en verzande hersenen, uw armzalige pogingen tot enige schijn van herseninspanning af van onze cultuur. U mag uw rotcenten houden, heren, graag zelfs, die centen zijn ons probleem niet, uw half-apendom is het probleem – verlos ons van uw minachtende, denigrerende praatjes over kunst.

Haal die grijns van uw gezicht, anders doet een ander het binnenkort voor u.

Terug naar het literaire tijdschrift. De rol en de taak die ik beschreef dateren van jaren her. Wat u hier leest, lezer, las u vroeger in een literair tijdschrift. Onze papieren tijdschriften zijn niet zomaar verdwenen. Er waren doorslaggevende hindernissen. De distributie, de beperkte oplage, de exclusiviteit en dat het soms maanden duurde voordat je woede-uitbarsting in de boekhandel lag, om er een paar te noemen. Al die knelpunten zijn door internet opgelost.

Er vindt as we speak een discussie plaats over de toekomst van het literaire tijdschrift op papier. Hier en daar kwijnen namelijk nog wat papieren kasbloempjes weg. Achterhaalde vragen duiken in die discussie op als: moet het literaire tijdschrift niet herleven? Verdient het literaire tijdschrift geen mond-op-mondbeademing? In het kader van de culturele kaalslag misschien begrijpelijke vragen, maar het blijft toch zoiets als over doodkisten discussiëren in een crematorium. ‘t Is definitief te laat. Het enige bijzondere aan de discussie is dat ze plaats heeft op internet. Lees de posts en comments maar na op De Contrabas, het enige ware zenuwcentrum voor uw literatuur op internet.

Soms, als het niet over geld gaat, maar over iets zinnigs, komen in die discussie zelfs vragen naar boven als: wat kan een literair tijdschrift wat internet niet kan? De antwoorden blijven uit.

Voor iemand me nu de tempel uitjaagt omdat ik weer eens niet weet waarover ik praat: ik heb de opkomst en ondergang van het literaire tijdschrift op de huid meegemaakt. Ik debuteerde op de klassieke, trage en, naar men zei, meest strategische manier in een literair tijdschrift, ik ben om en nabij een kwarteeuw redacteur geweest van een literair tijdschrift en ik heb, nog in dit millennium, een literair tijdschrift opgericht. Zo, dat is eruit.

Enkele kanttekeningen zijn me daarom misschien geoorloofd. Alles, ik herhaal het, met de diepste wens dat het in elke uithoek van Nederland literaire tijdschriften zal gaan regenen en dat de voltallige regering genadeloos zal kapseizen, maar tevens glunderend van plezier dat ik dit op internet kan doen.

Literaire tijdschriften zijn na de tweede wereldoorlog nooit meer dan de aanhangwagens van de uitgevers geweest. De uitgever had het laatste woord. De uitgever kon een tijdschrift de nek omdraaien, wat bijvoorbeeld Ronald Dietz radicaal en onaangekondigd deed met Maatstaf, waarvan ik redacteur was.

Literaire tijdschriften gingen nooit tegen het belang van een uitgeverij in. Veel blabla over onafhankelijkheid bij de redacties, maar zo zat het gewoon. Dat was de realiteit. De Gids hoorde bij Meulenhoff, Tirade bij Van Oorschot, Maatstaf bij Bert Bakker. Omdat De Arbeiderspers als literaire laatkomer nog geen tijdschrift had nam het Maatstaf van Bert Bakker over. Een literair tijdschrift was in die periode iets van een must. De Bezige Bij experimenteerde met het ene tijdschrift na het andere, allemaal Bij-wagens van de uitgeverij (sorry voor het rottige woordgrapje).

Voor de uitgeverij betekende het literaire tijdschrift in die Verschrikkelijke Internetloze Jaren dat ze auteurs konden binnenkruien, over een overloop beschikten voor onrijpe auteurs, nog onrijper auteurs een tijdje konden zoethouden en arme debutanten aan een bijbaantje als redacteur konden helpen.

Naast de paar literaire tijdschriften, die het indrukwekkend klinkende predicaat ‘gezaghebbend’ meekregen, bestonden er allerlei kleinere initiatieven, zowel landelijk als lokaal. ’t Kon zijn dat zich daarin een nieuwe beweging aandiende, ’t kon ook zijn dat de schijterige uitgevers er zich niet de vingers aan wilden branden, maar in negenennegentig op de honderd gevallen waren het reservaten van rancuneuze typetjes. Arrogante mini-bolwerkjes van kleine talenten die elkaar en zichzelf geweldig vonden.

In de jaren tachtig viel het charmante uitgeversbedrog dat literair tijdschrift heette niet langer vol te houden. De identiteit van de uitgeverijen verwaterde, de productietijden werden langer zodat het aantal actuele bijdragen afnam en de zogeheten voorpublicaties in tal en last groeiden, en de culturele supplementen van NRC Handelsblad en, in het kielzog daarvan, De Volkskrant hadden voor een deel de rol van de tijdschriften overgenomen. In de krantenbijlagen kon je wél actueel reageren, ze plaatsten er ook gedichten en langere essays en ze betaalden soms aanzienlijk beter.

De discussies in de literaire tijdschriften en de Oorlog der Stromingen aldaar raakten meer en meer op de achtergrond. De redacties (ingeblazen door de uitgevers) begonnen steeds vaker themanummers te maken. Zoiets verdoezelde de lange productietijd, de nummers kregen iets ‘blijvends’, bewaarnummers weetjewel, maar het waren eigenlijk verkapte boeken. Een achterhoedegevecht.

(Het kan niet anders of internet is nu weer bezig de aard en de betekenis van de culturele supplementen te veranderen. De zoon die de vader opat wordt opgesmikkeld door de kleinzoon. Ik volg het met argusogen.)

Ik wist dat literaire tijdschriften hun beste tijd hadden gehad toen ik probeerde het tijdschrift dat Awater zou heten van de grond te krijgen. Ik wilde per se geen regeringsgeld, geen fondsgeld, geen ziekenfondsgeld om dat tijdschrift op te starten. Er kon, zo dacht ik, een basis worden gevonden in een koppeling met de Poëzieclub: de redactie kon op zo’n manier zelfstandig blijven en clubleden hebben graag een fysiek cadeautje dat bindt. Maar een gegarandeerde oplage was er. Als ik aan de twee jaar denk van vernederend bedelen bij bedrijfsleven en particulieren zie ik met vrees de toekomst tegemoet van het ‘particulier initiatief’, zoals voorgesteld door de gebraden haantjes van de regering. De heren van de VSB-bank zaten in hun dure designstoelen, luisterden beleefd en staken even deftig hun kop in het zand. Bij andere bedrijven was het beschikbare sponsorbedrag op weg naar het goeie doel overleden aan de derderangsschrijvers die in de toewijzingscommissie zaten. Dezelfde derderangsschrijvers die je in de commissies en adviesraden van de regering tegenkwam.

Wat had ik voor het blaadje nodig? Niet meer dan het bedrag dat één VVD-receptie van één departement op één vrijdagmiddag kost. En de heren lopen, zoals we weten, receptie in en receptie uit, intussen hun binnenzakken bevoorradend voor het weekend op de bank thuis. Het is werkelijk een wonder dat het tijdschrift er toch nog is gekomen. Het kent nog altijd de meeste abonnees van alle tijdschriften. Wat overigens niet moeilijk is, als je naar de andere tijdschriften kijkt.

Ik wil hier niet uitweiden over de tegenwerking, verdachtmakingen en regelrechte sabotage die ik in die bedeljaren heb ondervonden van dezelfde lui uit de literaire wereld die me nu vragen solidair te zijn.

Op internet kan het literaire tijdschrift weer bloeien als nooit tevoren. Ik ben dol op papier, maar papieren tijdschriften zijn een sta-in-de-weg. Een complete De Gids? Vierentwintig meter. Een complete Maatstaf? Vijf meter. Alle jaargangen van Tirade? Idem dito. De antiquariaten bieden ze aan voor oud-papierprijzen. De bibliotheken verpulpen ze.

Misschien moet er één literair tijdschriftje blijven bestaan, om te koesteren en om te zien wat de spartelende oogappel voortbrengt. Dat mag voor mij Hollands Maandblad zijn. Niet alleen omdat ik erin debuteerde, maar ook omdat het intelligent, open en vrij van sektarische en ideologische belangetjes wordt geleid. En altijd blijft het literaire tijdschrift zinvol van een paar nieuwkomers die de literatuur omverschoppen en de zelfbenoemde licentiehouders doodverklaren. Maar zo’n tijdschrift heeft geen subsidie nodig. Zo’n tijdschrift wil niet eens subsidie.

Het literaire tijdschrift is een luis, een vlo. Een kabouter trapt die met gemak dood. Maar onze regeringskabouters rukken aan de woning die dat soort luizen herbergt. In die woning schuilen de dichters, de violisten, de filosofen, de Hamlets. Het zwaarst gesubsidieerde en in de watten gelegde deel van onze maatschappij, de politici, doen wat parasieten per definitie doen: hun eigen woning aantasten en opvreten.

Regeren betekent niet dat de analfabeten de getalenteerden de wacht aanzeggen. Nu is dat zo.