Journalistiek, frustrerend en oppervlakkig?

 
Deze week was ik gevraagd te spreken op een bijeenkomst in Antwerpen. Aan een illuster gezelschap bestaande uit Vlaamse ondernemers en politici, allen gezegend met een grote belangstelling voor literatuur en journalistiek, mocht ik antwoord geven op de toch wel existentiële vraag: wat drijft mij en waarom schrijf ik? Hieronder een licht bewerkte versie van deze speech.
 
Ja, wat drijft mij eigenlijk? Daar moest ik toch wel even voor gaan zitten. Want wat drijft een mens om intussen bijna een kwarteeuw – bijna de helft van mijn leven tot nu toe – te wijden aan journalistiek? Wie dat doet, bedacht ik me, moet misschien wel goed gek zijn. Had ik eigenlijk niet beter iets nuttigs met dat halve leven kunnen doen?
 
Er is immers niks dat vluchtiger is dan journalistiek. Toen ik in 1988 besloot mijn baan als assistent aan het departement Geschiedenis op de universiteit in te ruilen voor een baan bij De Standaard, sprak mijn toenmalige prof mij bestraffend toe. ‘Je beseft toch wel dat je nu boeken schrijft voor de eeuwigheid’, zei hij plechtstatig. ‘En dat je straks niet meer gaat doen dan schrijven voor de krant van morgen.’ En om zijn punt kracht bij te zetten voegde hij daaraan toe: ‘Boeken komen in een bibliotheek terecht. Gazetten bij het oud papier.’
 
De man had natuurlijk gelijk. Ik veranderde van een geschiedschrijver die na vele jaren studie een evenwichtig oordeel zou vellen over, pak hem beet, het Humanisme in de 16e eeuw in een haastige, door deadlines opgejaagde kroniekschrijver van het dagelijks leven eind 20e eeuw. Een kroniekschrijver die zijn tijd niet zou besteden aan het zoeken naar dieper liggende verbanden, maar voortaan de waan van de dag achterna zou hollen.
 
Want hollen is wel degelijk het woord. Dagbladjournalistiek, dat is immers een snelle sprint. Dat is ‘s ochtends geconfronteerd worden met 40 of 48 of 64 pagina’s wit papier, die begin van de middag vol wijsheid moeten staan. Hoe anders ligt het bij de overige geschreven media. Een weekblad, dat is als de 1.000 of 1.500 meter. Een maandblad: de 5.000 of de 10.000 meter. En een boek een marathon; heerlijk lang en te maken in je eigen ritme. Maar een dagblad – dat is de sprint. En vooral: elke dag opnieuw. Driehonderd keer per jaar. Jaar in, jaar uit. In mijn geval nu al 23 jaar lang.
 
Dat vergt een bijzondere instelling. Driehonderd keer per jaar presteren. Dat is driehonderd keer per jaar die deadline halen. Driehonderd keer per jaar proberen om die ultieme analyse, die geweldige reportage of die prijswinnende foto in de krant te hebben. Dat is driehonderd keer per jaar een podium bieden aan hopelijk de beste columnisten. Dat is driehonderd keer per jaar ‘s ochtends de ochtendkranten openslaan en kijken of je niet geklopt bent. Dat is dus ook driehonderd keer per jaar falen. Want het is nooit goed genoeg. Het is driehonderd keer per jaar ontevreden zijn.
 
Zoals ik dat deed op De Standaard bespreek ik ook op NRC Handelsblad elke ochtend kort de krant van de vorige dag na. Dat was goed, dit kon beter, deze foto staat te klein, daar hoorde een illustratie bij, hier bleven we te oppervlakkig, en daar staat weer een d/t-fout. Die nabespreking, elke ochtend om acht uur, loopt om vijf of tien over acht naadloos over in de nieuwe krant. Stond dat betere opiniestuk of dat superieure interview in een van de collega-kranten? Dan kunnen we dat morgen alweer beter doen. Hebben we gescoord met een prachtige primeur of een fantastische analyse? Dan duurt de vreugde daarover welgeteld 24 uur. Wie er langer aan vasthoudt hoort niet in de dagbladjournalistiek thuis. Vluchtigheid is eigen aan ons vak.
 
Journalistiek is niet alleen vluchtig, ze dreigt ook oppervlakkig te zijn. Want, op gelukkig nu en dan een uitzondering na, we moeten toegeven dat we als journalisten soms niet meer kunnen dan aan de oppervlakte van het dossier krabben. Wat weten we eigenlijk van die regeringsvorming, van die beursgang, van die transfer, van dat politieonderzoek, van dat festival? In veel gevallen wel iets – soms iets meer; maar zelden alles. We hebben slechts voor een deel zicht op de waarheid.
En elke avond kunnen we niet meer doen dan die naar beste vermogen in de krant zetten: de waarheid zoals we die kennen om 13.30 uur, bij het zakken van de krant. Meer dan eens blijkt die waarheid er een dag of week later toch net iets anders uit te zien, een tikkeltje genuanceerder te zijn, een heel stuk gecompliceerder vooral, dan we de avond of middag daarvoor wel dachten. Eigenlijk zouden we bij elk stuk moeten afdrukken: dit is enkel de waarheid zoals we die vanmiddag bij het ter perse gaan van de krant meenden te kennen.
 
Daarom is ons vak soms bijzonder frustrerend. Want als journalist sta je er per definitie altijd buiten. Letterlijk soms; buiten voor de gesloten deur van de kleedkamer van de sportclub waar de trainer zijn ploeg de les leest; buiten voor de gesloten deur van de directiekamer waar over die fusie wordt gestemd; buiten aan de poorten van het torentje. Een journalist mag niet in de koffiekamer van de parlementsleden, niet aanschuiven bij het fractieoverleg. Als journalist moet je je werk doen in de wandelgangen. Ben je afhankelijk van bronnen die jou iets willen toefluisteren, die het jou gunnen als eerste zicht op dat dossier te krijgen. Maar dat zelden belangeloos doen. Do ut des. Voor wat hoort wat, in dit vak.
 
Dus zitten we met zijn allen in een tredmolen die soms behoorlijk – excusez le mot – hoerig is. Journalistiek is verleiden en verleid worden. Gebruiken en gebruikt worden. Hoe verleid je een bron om nieuws naar jou te lekken? In welke mate laat je je gebruiken door die bron? Wat is de wederdienst? Welke informatie gebruik je net niet, om je bron te beschermen? En wanneer gaat het verhaal vóór die bron? Journalistiek is een tango die gedanst wordt tussen de journalist en zijn of haar bron. Een tango van verleiding en afstoting, van liefde en haat, van aanhalen en afstoten.
 
Van professionele jaloezie ook. Een tango waarin de journalist niet zelden jaloers is op zijn onderwerp – de politicus met macht, de bankier met geld, de sportman met roem, de kunstenaar met creativiteit. Maar ook omgekeerd: die politici, bankiers, sportlieden en kunstenaars zijn op hun beurt niet zelden jaloers op de journalisten. Want zij mogen het neerschrijven, mogen interpreteren, mogen publiekelijk en – niet altijd geremd door de noodzakelijke kennis – hun oordeel vellen. Hoe graag zouden velen van hen dat niet óók eens doen.
 
Toch is het opvallend dat het maar zelden gebeurt dat mensen uit – bijvoorbeeld – de politieke of de financiële wereld, overstappen naar de journalistiek. Omgekeerd gebeurt het echter geregeld. Verscheidene collega’s met wie ik op De Standaard vele jaren werkte – en niet de minsten – trokken naar het parlement, kabinetten en semi-politieke organisaties. Vaak motiveerden zij hun beslissing met de redenering dat ze niet langer een afstandelijke observator wilden zijn, maar er nu eens daadwerkelijk aan deel wensten te nemen. Het gras bij de buren is altijd groener. Wij journalisten schurken zolang tegen die macht aan dat wij er zelf ook wel eens van willen proeven.
Dat sommigen die stap zetten kan verwondering wekken. Want als wij, journalisten, zo almachtig zijn als sommigen wel eens beweren, waarom zetten mensen dan de stap van de journalistiek naar de macht – of wat daar voor moet doorgaan?
 
Wat mij brengt bij de vraag: is journalistiek, behalve dus vluchtig, snel, oppervlakkig en frustrerend, ook echt machtig? Hebben journalisten de macht om mensen te maken en te breken? Hele bibliotheken zijn hier aan gewijd. De antwoorden variëren van oppermachtig – zie de moeder aller voorbeelden: The Washington Post met Watergate – tot totaal machteloos. Wie in Vlaanderen voorbeelden van dat laatste zoekt, wijst niet ten onrechte naar de wijze waarop de bijna voltallige Vlaamse pers twintig jaar lang op allerlei manieren tegen het Vlaams Blok in ging – terwijl deze partij desondanks de ene na de andere verkiezingsoverwinning boekte.
 
Dit alles overdenkend werd ik er bijna een beetje treurig van. De vaststelling dat ik dag in dag uit de waan van de dag achterna moet hollen; niet veel meer kan doen dan even krabben aan het oppervlakkig en glanzend glazuur waaronder de brute waarheid zich verbergt; en dat mijn macht over het algemeen toch maar zeer beperkt is.
Daarbij kwam bovendien nog eens het gevoel bovendrijven dat de journalistiek zoals we die bedrijven niet goed genoeg is. Dat ook wij, journalisten, Dutroux nodig hadden om te beseffen hoe gecorrumpeerd politie en justitie waren. Dat we Lehman Brothers nodig hadden om te zien hoe fout het financiële systeem in elkaar zat en zit. Dat we Fortuyn nodig hadden om in te zien dat we sommige maatschappelijke problemen ook in de pers niet durfden te benoemen. Dat we een Griekse schuldencrisis nodig hadden om te beseffen op welke lemen voeten de Europese reus staat. Dat we de ene na de andere dopingaffaire nodig hebben om nog niet te beseffen dat we zelf meeschrijven aan de illusie van een eerlijke sport. En zo kan ik nog wel even doorgaan.
 
En toch… En toch is journalistiek het mooiste beroep ter wereld. Omdat tegenover alles wat ik hiervoor noemde ook andere zaken staan.
 
Tegenover het vluchtige staat immers de brede blik. Lang geleden dineerde ik als correspondent in Parijs eens in het Elysée, ter gelegenheid van een staatsbezoek van koning Boudewijn – netjes gekleed in een gehuurde smoking. De nacht erna interviewde ik in het beruchte Bois de Boulogne travestiete prostituees over de opkomende Aidsepidemie. Wie van het Elysée zou ooit in het Bois de Boulogne komen – laat staan omgekeerd? Ook dronk ik ooit ’s nachts in Noord-Ierland Guinness in een IRA-hol met een Ierse terrorist en lunchte ik de middag daarop met de hoogste Britse militair in Ulster. Ze stonden elkaar letterlijk naar het leven – en ik wandelde rustig heen en weer.
 
Het klopt verder dat journalistiek soms oppervlakkig is. Maar andere keren juist weer veel meer diepgravend dan we soms beseffen. Toen eind vorig jaar de Wikileaks-documenten werden geopenbaard, was de belangrijkste vaststelling van die honderdduizenden bladzijden Amerikaanse diplomatieke post dat ze niet echt nieuwe gegevens bevatten. Wie de afgelopen jaren de betere kranten had gelezen, was, zo bleek, goed op de hoogte van de internationale diplomatie. Een pluim voor de journalistiek!
 
En wat dat buiten staan betreft: gelukkig blijkt dat je vanuit die positie soms toch verdomd goed naar binnen kunt kijken. Want van buiten slaagde De Standaard er augustus vorig jaar goed in om via de Danneels-tapes perfect te duiden hoe in België de kerk omging met een pedofiele bisschop. En van buiten bleek NRC Handelsblad de afgelopen maanden goed op de hoogte van het geklungel van de Nederlandse defensie in Libië, van het geklooi in de PVV van Wilders of van de problemen in het bestuur van Ajax. Van buiten kijk je dus soms wel degelijk heel goed naar binnen.
 
Dat brengt me bij mijn conclusie. Ook in België en Nederland is er veel, te veel, slechte journalistiek. De kritiek daarop kan niet hard genoeg zijn. Maar gelukkig zijn er nog steeds enkele media die hun taak als vierde macht ernstig nemen en – met vallen en opstaan – die taak meer dan naar behoren vervullen.
Goede journalistiek ontstaat uit voortdurende verwondering en niet aflatende verontwaardiging. Dus het antwoord op de vraag waarom ik schrijf en wat me drijft zou je als volgt samen kunnen vatten: een derde omwille van mijn verwondering, een derde omwille van mijn verontwaardiging en nog een derde omdat ik die twee gevoelens – als een schoolmeester bijna – wil overbrengen op de lezer. Vroeger heette dat volksverheffing, nu noemen we dat liever: inzicht verschaffen.
 
Tot slot een citaat van Thomas Jefferson,  derde president van de Verenigde Staten. In 1787 zei hij: “Indien men mij vraagt te kiezen tussen een regering zonder kranten, of kranten zonder een regering, dan zou ik geen moment aarzelen en kiezen voor het tweede: kranten zonder een regering”. Jefferson kon natuurlijk niet weten dat 225 jaar later zijn hypothese realiteit zou worden en dat er een land aan de Noordzee zou zijn dat wel kranten zou hebben, maar geen regering.
Maar, zoals we allen weten, is dit altijd nog beter dan het omgekeerde.