Miljoenen voor sterke leerlingen in nieuw onderwijsplan
Na jarenlange aandacht voor zwakkere leerlingen wil het kabinet nu inzetten op programma’s voor excellentie. Het middelbaar onderwijs krijgt over drie jaar aan het eind van de onderbouw een verplichte landelijke diagnostische toets voor de vakken Nederlands, Engels en wiskunde. Het meetmoment is bedoeld als tussentijdse controle op het kennisniveau van leerlingen in vakken die door dit kabinet als cruciaal worden beschouwd.
Onderwijsminister Marja van Bijsterveldt (CDA) schrijft dat in het Actieplan Beter Presteren, dat ze vandaag naar de Tweede Kamer stuurt. Volgens onderwijsredacteur Bart Funnekotter van NRC is het idee niet verrassend omdat een dergelijke beweging al was aangekondigd in het regeerakkoord.
“Maar het is wel nieuw: in Nederland was het toch altijd zo dat er aandacht was voor de zwakkere leerlingen. Nu is er geld voor de uitblinkers. Het past in de huidige trend van monitoren, kijken of er ‘leerwinst’ is geboekt. Goed presenterende scholen verdienen een predikaat: ‘excellent’.”
Het basisonderwijs krijgt een begintoets, de CITO-toets wordt een verplichte centrale eindtoets. Daarnaast worden scholen verplicht te werken met leerlingvolgsystemen. Al deze toetsen zijn bedoeld om in kaart te brengen welke vorderingen leerlingen tijdens hun schoolloopbaan maken.
Tot 30 miljoen voor de 20 procent best presterende leerlingen
Het kabinet wil dat scholen meer doen voor de beste leerlingen. “De prestaties van de 20 procent best presterende leerlingen moeten omhoog”, aldus de minister. Vanaf 2012 wordt daarvoor tot 30 miljoen euro jaarlijks gereserveerd in basis- en voortgezet onderwijs.
De beeldvorming over excellentie moet middels Olympiades en profielwerkstukken in samenwerking met wetenschap en bedrijfsleven worden verbeterd. De minister spreekt van een “ambitieuze leercultuur, waar de lat hoog ligt”. Leerlingen moeten worden gestimuleerd om eindexamen te doen in meer vakken dan strikt voorgeschreven.
Inspectie wil zwakke scholen sneller sluiten
Scholen moeten met speciale programma’s (tweetalig onderwijs, technasium, bètascholen) maatwerk leveren voor getalenteerde leerlingen. Er komt een landelijk dekkend netwerk van scholen voor hoogbegaafde leerlingen.
In het basisonderwijs wordt gestreefd naar een halvering van de “taal- en rekenzwakke scholen”. Gemeenten met veel achterstandsleerlingen krijgen extra financiële middelen voor onder meer voorschoolse educatie. De minister onderzoekt de mogelijkheid om onwillige ouders juridisch te dwingen peuters met taalachterstand nog vóór de basisschool naar school te laten gaan.