Nederlandse modeontwerpers in New Delhi: “Ik was in shock! Alles kan hier!”

Tijdens de finale van de Dutch fashion here & now India-show. Van links naar rechts: Rahul Khanna, Marieke Holthuis, Diederik Verbakel, Rohit Gandhi, Suneet Varma en Jan Taminiau.
,,Hoeveel mensen heb jij eigenlijk voor je werken?’,vraagt de Indiase modeontwerper Rahul Khanna aan zijn Nederlandse collega Jan Taminiau.
„Zes”, zegt Taminiau.
„Zes? Wat doen die dan?”, vraagt Khanna’s partner Rohit Gandhi.
Taminiau: „Alles.”
Khanna en Gandhi kijken elkaar aan. Een bekende couturier die in Parijs showt? Zo weinig personeel? Even is het stil. „Wat een verrassing”, zegt Khanna dan.
Khanna, Gandhi en Taminau zijn alle drie deelnemers aan Dutch fashion here & now India, een project waarbij zes in totaal ontwerpers uit Nederland en India gezamenlijk kleine collecties maakten die, met hun individuele collecties voor voorjaar 2013, werden getoond op de openingsavond van Wills Fashion Week, de modeweek van New Delhi.
Die show is de avond ervoor geweest. In het super-de-luxe Aman hotel in de stad is er net een fotoshoot geweest van Harper’s Bazaar India. De ontwerpers hebben aan de rand van het zwembad geposeerd met modellen. Alleen Khanna en Gandhi ontbraken. Zij hebben de nacht na de show nog lang gefeest en kwamen te laat; hun foto’s zullen er laten bij worden gefotoshopt.
‘Rohit Gandhi + Rahul Khanna’, heet hun label: westers gesneden kleding – ook in India lopen jonge mensen tegenwoordig in skinny jeans – met verfijnde, feestelijke, typisch Indiase decoraties. De ontwerpen worden ook in de VS en het Midden-Oosten verkocht. Gandhi en Khanna maakten een collectie met Marieke Holthuis en Diederik van Bakel. De Nederlanders, net als hun Indiase partners een stel, werkten jarenlang voor Diesel. Sinds twee jaar hebben ze ‘Died’, een kleinschalige collectie kleding, sieraden en accessoires die grotendeels in India wordt geproduceerd. „Toen we werden benaderd, dachten we meteen aan Rohit en Rahul”, zegt Marieke Holthuis. „Ik merkte dat ik hier in winkels vaak hun kleren uit het rek pakte. Het is zo mooi gemaakt allemaal.”
Jan Taminiau werd gekoppeld aan de in Londen opgeleide Suneet Varma. Die is in India beroemd om zijn chique sari’s, zijn sprookjesachtige feestkleren voor Bollywood-sterren en zijn traditionele bridal wear – bruiloften kunnen in India tot acht dagen kunnen duren en zijn een lucratieve business.
De Indiase deelnemers aan het project hebben, net als bijna alle succesvolle modeontwerpers in India, een eigen fabriek; arbeid is er erg goedkoop. Gandhi en Khanna hebben „250, misschien 300” man in dienst. In de vier verdiepingen tellende fabriek van Varma werken zo’n 200 mensen. Onder hen bevinden zich tientallen mannen die met de hand de meest ingewikkelde borduursels maken – borduren is in India mannenwerk. „De eerste keer dat ik er was, was ik totaal in shock”, zegt Jan Taminiau. „Je wilt even iets uitproberen, en voor je het weet is het al klaar. Alles kan!”
De eigen collectie van Died werd tegengehouden door de douane en kwam nooit in New Delhi aan. Binnen een dag was in de fabriek van Gandhi en Khanna alles opnieuw gemaakt.
Dutch fashion here & now India is een van de laatste en een van de grotere projecten van Dutch DFA (design fashion architecture). Dutch DFA is een vierjarig project dat, met geld van de ministeries van Economische Zaken, Buitenlandse Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (twaalf miljoen euro in totaal) de Nederlandse creatieve industrie wil stimuleren in China, India, Turkije en Duitsland. Die landen worden gezien als potentiële afzetmarkten en ze zijn bovendien voor de Nederlanders vaak aantrekkelijk als productieland. Twee keer gaf een groep Nederlandse modeontwerpers een show in China. In Duitsland was vorig jaar een expositie te zien waarin mode werd gecombineerd met design. Maar zoiets zou in India nooit voldoende aandacht hebben gewekt, vertelt Christine de Baan, de projectleider van Dutch DFA in de ‘Indigo Embassy’, de met denim ingerichte Nederlandse stand in de grote evenementenhal waar Wills Fashion Week zich afspeelt. „India heeft een rijke modecultuur. Mensen denken hier: waarom zouden we naar mode uit Nederland gaan kijken? Hier moet je een dialoog aangaan.”
Het idee voor de gezamenlijke collecties kwam van Harmeet Bajaj, een invloedrijke Indiase zakenvrouw. Bajaj heeft restaurants, nachtclubs en een eigen modemerk (plus uiteraard een fabriek). En ze gaf les aan de modeopleiding in New Delhi. Voor Dutch DFA bracht ze eerder de Indiase modewereld in kaart. „Ik dacht: ons handwerk en jullie vernieuwende silhouetten, dat zou iets bijzonders kunnen opleveren. En voor Indiase ontwerpers is het een kans om in Europa bekender te worden.”
In mei begonnen de deelnemende ontwerpers te overleggen via e-mail en skype. De Nederlandse ontwerpers gingen in de zomer een keer naar India, en vice versa.
In de collectie van Gandhi, Khanna en Died werden de handgetekende prints van Died als uitgangspunt genomen. Ze werden in de fabrieken Gandhi en Khanna nagemaakt met pailletten en uitgevoerd als zogenaamde flockprints. „Er was in het begin wel wat frictie”, zegt Holthuis, „maar daar zijn we uitgekomen.” Verbakel: „Ik denk dat ze van ons hebben geleerd hoe het wat moderner kan.” Gandhi: „Voor ons was de grootste verrassing dat we in staat waren samen te werken met een ander label.”
Jan Taminiau en Suneet Varma hebben elkaar tijdens het project, zoals ze het noemen, „echt gevonden”. Varma: „Toen ik bij Jans atelier aankwam, was hij met een klant bezig. Ik pakte wat stof en begon te draperen. Daarna ging het eigenlijk vanzelf.”
Naast Indiase draperieën, pailletten en borduursels is er in de kledingstukken van Taminiau en Varma gebleekte denim (heel Nederlands) en jute (erg Taminiau) gebruikt. Beide ateliers droegen bij aan het borduurwerk – kledingstukken werden geregeld heen en weer gestuurd. „Ik heb zowaar een nieuwe borduurtechniek geleerd”, zegt Varma.
De deelname van twee ‘stalwarts’ (Vogue India) van de Indiase modewereld lijkt zijn vruchten te hebben afgeworpen; zelden zat een zaal in het buitenland zo vol bij een show van relatief onbekende Nederlandse namen. De plaatselijke Vogue sprak over „dramatische resultaten”, de Times of India wijdde een pagina aan het „vernieuwende initiatief”.
Maar niet iedereen is meteen om. „Ik had er meer van verwacht”, zegt de styliste van Harper’s Bazaar India die de fotoshoot in het Aman hotel coördineert. „Iets groots, iets wat we nog niet kennen. Pailletten en borduursels zijn voor ons niks bijzonders. Alles is hier versierd.”
Ook Harmeet Bajaj is niet helemaal tevreden. „De ontwerpers hebben erg weinig tijd met elkaar doorgebracht, en ik denk dat ze te beleefd tegen elkaar zijn geweest. Maar ik ga hier mee door. Ik weet zeker dat er een vervolg komt.”
„Ik begon heel onschuldig aan dit project”, zegt Jan Taminiau. „Maar nu zie ik de potentie. Ik zou hier best een klantenkring kunnen opbouwen. En ik mag de fabriek van Suneet gebruiken, dus ik kan hier in principe net zo werken als in Nederland. Ik heb een stap in India gezet.”
Eerder gepubliceerd in NRC Handelsblad. Fotografie: Peter Stigter (teampeterstigter.com)

Rohit Gandhi + Rahul Khanna

Died

De gezamenlijke collectie van Died en Rohit Gandhi + Rahul Khanna

Jan Taminiau

Suneet Varma

Jan Taminiau met Suneet Varma
