Belangrijk: Voor het goed functioneren van nrc.nl maken wij gebruik van cookies (meer informatie).
Hiervoor hebben wij wel eerst je toestemming nodig. Klik op de groene knop als je hiermee akkoord gaat.

Optimisten en mannen van middelbare leeftijd

We stonden in een groepje van zeven mensen in de foyer van een theater in Utrecht om een pint te drinken. De mannen uit het gezelschap (allemaal schrijvers) stonden rechtop aan de tafel, een hand in de broekzak, in de andere hand een biertje.

Ze vertelden elkaar over de prijzen die ze hadden gewonnen en beweerden ondertussen dat die prijzen er niet toe deden, ze stonden erboven. Ze stonden eigenlijk boven alles. Ze spraken over restaurantjes waar je goed kon eten en over wie het met wie deed en dat het eigenlijk ook niet zo interessant was. Ze hadden belangrijkere dingen te bespreken; iets over de politiek (het moest allemaal anders), de media (het moest allemaal anders) en de jeugd van tegenwoordig (het moest allemaal anders).

Volgens de schrijvers regeerde de domheid. Zij waren er om dit te registreren, ze hadden het gezien: het ging de hele verkeerde kant op met de wereld. “Ondertussen staan jullie hier met je handen in je zak bier te drinken en tomeloos te ouwehoeren over dingen die anders moeten zonder met een oplossing te komen”, zei ik.

Ik dacht aan alle keren dat ik met een groepje mannen van middelbare leeftijd aan een tafel heb gezeten of gestaan. Het gaat altijd hetzelfde: ze willen discussiëren over wat er allemaal niet deugt om niet stil te hoeven staan bij het feit dat ze, net als vrijwel iedereen, zelf niet deugen. Ze zeggen: “Jij bent te jong om het te begrijpen.” Ze zeggen ook: “En je bent een vrouw.” Ze doen alsof het een grapje is, maar ze geven zichzelf gelijk.

Ik had net in De Standaard iets gelezen over een club Belgische Optimisten. De club trekt ten strijde tegen de algemeen heersende misnoegdheid, ze vinden dat het vrolijker kan. Ik ben het met de optimisten eens, dus ik vroeg aan de heren aan tafel: “Neuken jullie eigenlijk nog weleens?”

Ze vonden het een schande dat ik zoiets durfde te vragen, ik was het levende bewijs van het verval van de beschaafdheid (ik geef ze geen ongelijk) en niet lang daarna besloten ze op huis aan te gaan.

Toen ze weg waren zei de overgebleven jonge schrijver: “Zij zouden hun hele leven inruilen om weer zo jong te mogen zijn als wij.” Kijk, dat is wat ik noem een optimistisch einde.