Driekoppig beest Triggerfinger heeft dus ook een zachte kant

Triggerfinger_04_Andreas_Terlaak_160441

Foto NRC/Andreas Terlaak

Triggerfinger is een driekoppig beest. Op het podium voelen ze elkaar perfect aan en in een gesprek maken ze elkaars zinnen af. Een interview met één van de leden van Triggerfinger is niet aan de orde. Je moet ze alle drie rond de tafel hebben om het verhaal van de hardste rockband van België compleet te krijgen. Jan Vollaard sprak met de band in aanloop naar het festival.

Ruben Block, de zanger/gitarist met de dandyachtige uitstraling en de haardracht van een wolf die zijn tanden in de rock-’n-roll gezet heeft. Mario Goossens, de stoere drummer die bij het woord ‘publieksparticipatie’ meteen denkt aan een drumsolo. En Monsieur Paul (Bruystegem), de vriendelijke reus die met zijn imposante basgeluid het geweten van de band vertegenwoordigt. En die bij de vergelijking met Queens Of The Stone Age meteen („maar vergeet Led Zeppelin niet!”) aan de discussie bijdraagt.

We treffen Triggerfinger backstage op het modderige terrein van het oergezellige Dijkpop in het Noord-Hollandse Andijk, twee maanden voordat ze ten derde male in hun veertienjarig bestaan aantreden op Lowlands. Zwarte koffie is het devies, want er moet nog gewerkt worden. De band met wortels in Antwerpen en Lier is in de afgelopen jaren uitgegroeid tot een topattractie op de festivalpodia.

Daarbij kwamen hun succesvolle coverversies van niet meteen voor de hand liggende nummers als The Eurythmics’ Sweet dreams are made of this (Ruben Block solo in De Wereld Draait Door) en Lykke Li’s I follow rivers, spontaan vertolkt in de Ochtend-show van Giel Beelen en een onverwachte nummer-1-hit. Ook hun eigen materiaal scoort, onder meer op het recente live-album Faders Up 2 dat werd opgenomen bij drie explosieve concerten in de Amsterdamse Melkweg.

http://www.youtube.com/watch?v=wrA1Md3ODq8

Hoe voelt het om het succes van de band zo explosief te zien groeien?
Ruben Block: „Eigenlijk nog hetzelfde. Alleen zijn we meer weg van huis. Onze zomers zijn lang van tevoren vol gepland met festivaloptredens. Als daar dan ook nog eens een promodag in het buitenland bijkomt, wordt het een gekkenhuis.”

Monsieur Paul: „Het gekke is dat we dit jaar een sabbatical hadden willen houden. Dat is helemaal anders gelopen. Maar het is goed zo, want onvoorspelbaarheid is eigen aan de rock-’n-roll.”
Heeft I follow rivers jullie een zetje vooruit gegeven?

RB: „Alleen in de ogen van de mensen die onze muziek nog niet kenden. We speelden allang in uitverkochte clubs. Op de gewone popradio werd onze muziek tot voor kort nauwelijks gedraaid, omdat ze ons te hard vonden.”

Mario Goossens: „Het is nooit onze bedoeling geweest om zachtere muziek te gaan maken voor de radio. Onze single Soon hebben we vier jaar geleden in een unplugged-versie uitgebracht, maar dat was een tussendoortje.”

RB: „Wij kunnen hard én zacht spelen. Dat is een bevrijdende combinatie die hoort bij het grote geheel. Het is boeiend om de dynamiek van de band breed te houden. Dat houdt uzelf scherp.”
Is het niet gevaarlijk dat veel mensen je alleen maar kennen van coverversies?

MG: „Waarom? Wij zoeken juist het gevaar. In de jaren zestig had niemand er een bezwaar tegen dat Jimi Hendrix een cover deed van All along the watchtower. The Who coverde Summertime blues tot ieders genoegen. Goede muziek verloochent zich niet.”

MP: „Vroeger was coveren veel meer in zwang dan nu. Iedereen coverde Johnny B. Goode van Chuck Berry. Bij ons is dat allemaal organisch ontstaan. Niemand heeft ons gedwongen om I follow rivers te vertolken. Het was een spontane inval die een iets hogere vlucht heeft genomen dan we hadden gedacht.”

RB: „Radiostations hebben formats waar onze harde rockmuziek meestal niet in past. Dan doen we iets anders om ze te plezieren. Er komt ook heel veel hypocrisie bij kijken. We speelden in een tv-programma waar ze vonden dat onze versterkers te hard stonden. Terwijl de rookmachines die tijdens ons optreden werden aangezet veel meer lawaai maakten.”

België stond tot voor kort bekend als het land van de artrock van dEUS en aanverwanten. Hoe heeft de rock-’n-roll dat tijdperk overleefd?
MG: „dEUS rockte wel degelijk. Wij geven geen stempels aan wat anderen doen, zoals artrock of kunstmuziek. Toen dEUS zich aandiende, was dat bijzonder vernieuwend. Kenmerk van rock-’n-roll is dat het zich niet in een hokje laat dwingen. Dat het verschillende vormen kan aannemen.”

RB: „Muzikanten denken niet in termen van de stijl die ze willen gaan maken. Je wordt geïnspireerd door de dingen die je zelf mooi vindt. Dat wordt een mengelmoes in je hoofd en daar komt dan iets uit.”

Betekent Faders Up 2 dat de schuiven nog verder open zijn gegaan?
RB: „De intensiteit is groter geworden. Daar hoef je niet per se luider voor te spelen. Onze zachte nummers zijn vaak intenser dan de harde. Zeker als het publiek er nauw bij betrokken is en er wordt meegezongen of meegeklapt. Maar zacht mag het natuurlijk nooit staan. Rockmuziek moet je voelen.”

MG: „We hebben nooit doelbewust besloten dat we in bepaalde nummers het publiek op zouden jutten. Dat zijn dingen die spontaan gebeuren. Interactie met het publiek is iets wat je als band moet verdienen, door heel goed je best te doen.”

Hebben jullie nog wel een heimwee naar de tijd dat je voor dertig man speelden?
RB: „Nee, want in Frankrijk en Duitsland doen we dat nog regelmatig. Het is altijd een uitdaging om een nieuw publiek voor je te winnen. Maar zo’n deinende massa op Werchter of Lowlands die helemaal in de muziek zit: dat blijft het allermooiste.”

Volg nrc.nl op en , lees onze dagelijkse nieuwsbrief